Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1168

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
20-001361-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ongewenst vreemdeling. Verdachte heeft zijn rijbewijs niet op reguliere wijze, via de daartoe bevoegde autoriteiten verkregen waardoor verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat dit internationaal rijbewijs vals was. Schending redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 197, geldigheid: 2014-04-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001361-12

Uitspraak : 18 april 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 22 maart 2012 in de strafzaak met parketnummer 02-800262-12 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Ghana) op [geboortedag],

wonende te [woonplaats].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van

feit 1: als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard;

feit 2: opzettelijk een vals geschrift als ware het echt en onvervalst afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 weken, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft de politierechter beslist over het in beslag genomen voorwerp.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Tevens heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof ten aanzien van feit 2 tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 11 maart 2012 te Breda, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, althans op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet, althans in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard, zulks terwijl hij, verdachte, op of omstreeks 11 maart 2012 (nog steeds) ongewenst vreemdeling was/tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

2:
hij op of omstreeks 11 maart 2012 te Breda opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad een vals(e) of vervalst(e) internationaal rijbewijs - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers is het betreffende rijbewijs niet door een bevoegde autoriteit vervaardigd en/of afgegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 11 maart 2012 te Breda als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard, zulks terwijl hij, verdachte, op 11 maart 2012 (nog steeds) ongewenst vreemdeling was;

2.
hij op 11 maart 2012 te Breda opzettelijk heeft afgeleverd en voorhanden gehad een vals of vervalst internationaal rijbewijs - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers is het betreffende rijbewijs niet door een bevoegde autoriteit vervaardigd en afgegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. De raadsman heeft hiertoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte niet wist dat het internationale rijbewijs vals dan wel vervalst was en dat hij dat ook niet hoefde te vermoeden.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Uit het proces-verbaal van bevindingen (nr PL27YR/12-018280) van 12 maart 2012, blijkt dat [opperwachtmeester] van het Expertisecentrum Identiteitsfraude en Documenten van de Koninklijke Marechaussee (dossierpagina’s 22-24) het aangetroffen internationaal rijbewijs heeft onderzocht en heeft geconcludeerd dat het gaat om een zogenaamd “fantasiedocument”. Dit zijn, aldus [opperwachtmeester], documenten die door niet bevoegde c.q. niet erkende autoriteiten zijn vervaardigd en afgegeven, doch de indruk wekken door een officiële autoriteit te zijn afgegeven teneinde te dienen als internationaal rijbewijs.

Bij zijn verhoor op 11 maart 2012 (dossierpagina 29) heeft de verdachte bij de KMAR verklaard dat hij het internationale rijbewijs heeft verkregen via een rijbewijsbedrijf van Ghana. In zijn verhoor op 12 maart 2012 (dossierpagina’s 33 en 34) verklaart hij dat hij het internationale rijbewijs heeft laten maken door een particulier reisagentschap. Afgezien van het feit dat deze twee verklaringen strijdig zijn met elkaar, volgt uit het vorenstaande dat de verdachte zijn internationale rijbewijs niet op reguliere wijze, via de daartoe bevoegde autoriteiten heeft verkregen, maar via een door de verdachte niet nader te noemen particulier bedrijf.

Gelet op de verklaring van de verdachte omtrent de gang van zaken van het verkrijgen van het betreffende internationaal rijbewijs, is het hof van oordeel dat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat de verdachte in ieder geval redelijkerwijs moest vermoeden dat dit internationaal rijbewijs vals was. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De raadsman heeft ten aanzien van de strafoplegging bepleit om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen maar te volstaan met oplegging van een geldboete.

Uit de inhoud van het procesdossier blijkt dat de verdachte een Belgische verblijfstitel geniet en thans woonachtig is in België.

Daaruit volgt dat te dezen de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven1 (kort gezegd: ‘de Terugkeerrichtlijn’) niet van toepassing is. Immers de Terugkeerrichtlijn, is gelet op artikel 2, eerste lid, van die richtlijn slechts van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Nu verdachte op het grondgebied van de lidstaat België verblijft, is de Terugkeerrichtlijn (thans) niet langer op hem van toepassing.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Anders dan de raadsman kan naar het oordeel van het hof gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van onwettig verblijf in Nederland. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf, een

een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Ten aanzien van het gebruik van een vals (internationaal) rijbewijs zijn geen oriëntatiepunten voorhanden, maar uit eerdere rechtelijke uitspraken kan worden afgeleid dat een gevangenisstraf voor de duur van één maand past binnen de kaders van de gebruikelijke straftoemeting.

Het hof heeft in de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals van één en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, geen aanleiding gevonden om van bovengenoemde straffen af te wijken.

Alles overziende acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van drie maanden passend en geboden.

Bij de strafvervolging van verdachte is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, geschonden. Immers heeft de verdachte op 5 april 2012 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof eerst op 18 april 2014, derhalve meer dan twee jaar na het instellen van het hoger beroep, uitspraak doet. Aldus is er sprake van een geringe overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is van oordeel dat de eerdergenoemde schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van de hierna aan te geven straf.

Beslag

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een vals internationaal rijbewijs, met betrekking tot hetwelk het onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 57, 197 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 88 (achtentachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00 STK vals internationaal rijbewijs.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.W. van der Linden, griffier,

en op 18 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.M.G. Smit en mr. J.W. van der Linden zijn buiten staat om deze beslissing mede te ondertekenen.

1 PbEU 2008, L348/98.