Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1160

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
HD 200.137.530-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap. Vordering van de erfgenaam die beneficiair heeft aanvaard op de nalatenschap wegens zijn aandeel in de nalatenschap van de eerder overleden ouder, welke nalatenschap was verdeeld met toepassing van artikel 4:1167 (oud) BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 4 1167 (oud), geldigheid: 2014-04-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2014-0044

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.137.530/01

arrest van 22 april 2014

in de zaak van

1 [appellante 1],
wonende te [woonplaats],

2. [appellante 2],
wonende te [woonplaats],

3. [appellant],
wonende te [woonplaats],

4. [appellante 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten, hierna te noemen: [appellante sub 1. c.s.],

advocaat: mr. ing. P.M.A.C. van de Laak te Moergestel,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. R. Teerink te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 november 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant gewezen vonnis van 30 oktober 2013 tussen [appellante sub 1. c.s.], alsmede [broer 1.] en [zus] als gedaagden en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. C/02/261161/HAZA 13-189)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het comparitievonnis van 29 mei 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en één productie;

- de memorie van antwoord;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de zeven grieven wordt verwezen naar de appeldagvaarding.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

Partijen zijn broers en zussen van elkaar. Zij zijn (samen met de in hoger beroep niet betrokken broer [broer 1.] en zus [zus]) gerechtigd in de nalatenschappen van hun vader (overleden op 30 juli 1987) en hun moeder (overleden op 24 maart 2012). Beide ouders hebben bij testament (gedateerd 11 mei 1966) over hun nalatenschap beschikt. Beide testamenten bevatten een ouderlijke boedelverdeling naar oud recht (artikel 4:1167 oud BW).

4.1.2.

Op basis van de ouderlijke boedelverdeling in het testament van vader verkregen zijn erfgenamen/kinderen een vordering wegens overbedeling op moeder, welke vordering door [geïntimeerde] is berekend op € 6.496,- per kind, te vermeerderen met 4% rente per jaar. In het testament van vader is een en ander als volgt beschreven:

“A. Ik deel toe aan mijn echtgenote alle tot mijn nalatenschap behorende baten (…) onder de verplichting om:

(…)

b. ieder van mijn kinderen (…) wegens overbedeling in contanten uit te keren een bedrag gelijk aan de waarde van zijn aandeel in mijn nalatenschap (…).

B. Ik deel toe aan ieder van mijn afstammelingen een bedrag gelijk aan vorenbedoelde uitkering (…).

C. Het wegens overbedeling verschuldigde zal gedurende het leven van mijn echtgenote niet opeisbaar zijn, behalve indien zij hertrouwt, in staat van faillissement wordt verklaard, surséance van betaling aanvraagt, of onder curatele wordt gesteld, alsook indien haar goederen geheel of gedeeltelijk executoriaal inbeslag worden genomen.

D. Van het wegens overbedeling verschuldigde moet mijn echtgenote een rente betalen van vier procent per jaar. Deze rente is eerst opeisbaar op de dag van overlijden van mijn echtgenote, alsook in de gevallen als hiervoor onder C bedoeld.

E. De hiervoor bedoelde beschikkingen maak ik ter voorziening in het levensonderhoud van mijn echtgenote, ook na mijn overlijden.”

4.1.3.

De moeder van partijen heeft de vorderingen van [appellante sub 1. c.s.] en van [broer 1.] en [zus] op grond van het testament van vader tijdens haar leven (deels) voldaan door de koopsom te voldoen van een appartement te [plaats] aan de [perceel], welk appartement [appellante sub 1. c.s.] en [broer 1.] en [zus] hebben gekocht ten behoeve van de huisvesting van moeder. [geïntimeerde] heeft niet geparticipeerd in de aankoop van het appartement (hij was daartoe wel uitgenodigd) en heeft geen uitkering uit de nalatenschap van vader ontvangen.

4.1.4.

Na het overlijden van moeder heeft [geïntimeerde] op 21 juni 2012 ter griffie van de rechtbank een verklaring doen afleggen inhoudende dat hij de nalatenschap van moeder onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt.

4.1.5.

Tussen [geïntimeerde] enerzijds en de overige erfgenamen anderzijds is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschap van moeder. [geïntimeerde] heeft de overige erfgenamen in eerste aanleg gedagvaard en heeft gevorderd:

1. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] uit hoofde van de nalatenschap van vader recht heeft op betaling van een bedrag van € 6.469,--, vermeerderd met de contractuele rente van 4% vanaf 30 juli 1987 tot de dag der algehele voldoening;

2. [appellante sub 1. c.s.] hoofdelijk, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.469,--, vermeerderd met de contractuele rente van 4% per jaar vanaf 30 juli 1987, althans vanaf de dag der verzuim, tot aan de dag der algehele voldoening;

3. [appellante sub 1. c.s.] hoofdelijk te veroordelen/bevelen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan eiser, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag of dagdeel dat zij in gebreke blijven aan deze veroordeling c.q. dit bevel te voldoen bescheiden te verschaffen waaruit blijkt op welke wijze en door wie de koopsom van het appartement te [plaats], aan de [perceel] is gefinancierd;

4. [appellante sub 1. c.s.] hoofdelijk, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met nakosten en rente.

4.1.6.

[appellante sub 1. c.s.] hebben zich tegen de vorderingen van [geïntimeerde] verweerd.

De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, behoudens ten aanzien van de gevorderde hoofdelijkheid met betrekking tot de vordering onder punt 2 en ten aanzien van de onder punt 3 van de vordering genoemde dwangsom. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd.

4.1.7.

[appellante sub 1. c.s.] kunnen zich met het vonnis van de rechtbank niet verenigen en zijn daartegen in hoger beroep gekomen. [broer 1.] en [zus] zijn niet in hoger beroep gekomen.

4.2.

Met de grieven van [appellante sub 1. c.s.] is het geschil tussen (de verschenen) partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd. [appellante sub 1. c.s.] herhalen in hun memorie van grieven hun weren tegen de vorderingen van [geïntimeerde] die ook al in eerste aanleg (tevergeefs) waren aangevoerd. Die weren houden kort gezegd in dat de vordering van [geïntimeerde] met betrekking tot de nalatenschap van zijn vader is verjaard (grief I), dat [geïntimeerde] de nalatenschap van vader heeft verworpen (grief II), dat hij afstand heeft gedaan van zijn aandeel in de nalatenschap van vader (grieven III en IV) en dat er met betrekking tot de vordering van [geïntimeerde] in verband met de nalatenschap van vader sprake is van rechtsverwerking dan wel dat van een aanspraak die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (grief V). Grief VI richt zich tegen de veroordeling tot betaling van € 6.469,- met rente en grief VII tegen de veroordeling tot het verschaffen aan [appellante sub 1. c.s.] van bescheiden met betrekking tot de financiering van het appartement aan de [perceel] te [plaats].

4.3.

Met betrekking tot de eerste grief, inhoudende het verweer van [appellante sub 1. c.s.] dat de vordering van [geïntimeerde] op de nalatenschap van moeder is verjaard, overweegt het hof het volgende.

In het testament van vader is bepaald dat de vorderingen van de kinderen op moeder wegens de in het testament opgenomen ouderlijke boedelverdeling niet opeisbaar zijn gedurende het leven van moeder. Ditzelfde geldt voor de verschuldigde rente van 4% over de geldelijke aanspraak van de kinderen op moeder. Geen van de uitzonderingen die in het testament voor eerdere opeisbaarheid worden vermeld, heeft zich voorgedaan.

Dit betekent, dat de vordering van [geïntimeerde] pas opeisbaar werd op de datum van overlijden van moeder, 24 maart 2012, zodat van verjaring van de vordering, nóch op het punt van de hoofdsom, nóch op het punt van de rente van 4%, sprake is.

De omstandigheid dat moeder, onverplicht, aan [appellante sub 1. c.s.] en aan [broer 1.] en [zus] reeds tijdens haar leven hun vorderingen op haar (deels) heeft voldaan, doet hieraan niet af.

Het voorgaande betekent dat de eerste grief van [appellante sub 1. c.s.] faalt.

4.4.

In grief II voeren [appellante sub 1. c.s.] aan dat [geïntimeerde] zijn aandeel in de nalatenschap van vader heeft verworpen. Zij baseren hun standpunt op de volgende feiten en omstandigheden:

a. a) [geïntimeerde] heeft 30 jaar geen contact met zijn familie gehad;

b) hij heeft tegen notaris [notaris] gezegd dat hij afstand deed van zijn aandeel in de nalatenschap van vader;

c) hij wenste niet te participeren in de aankoop van het appartement voor moeder;

d) hij heeft het aandeel in de nalatenschap van vader 25 jaar lang niet opgeëist.

Deze feiten en omstandigheden worden door [appellante sub 1. c.s.] ook ten grondslag gelegd aan hun beroep op afstand van recht, rechtsverwerking en artikel 6:248 lid 2 BW.

4.5.

Ten aanzien van de door [appellante sub 1. c.s.] gestelde verwerping door [geïntimeerde] van zijn aandeel in de nalatenschap van vader stelt het hof voorop dat ingevolge artikel 4:191 BW een dergelijke verwerping moet worden gedaan door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis. Vóór de inwerkingtreding van artikel 4:191 BW op 1 januari 2003 gold dezelfde eis op grond van artikel 4:1103 (oud) BW.

Dat [geïntimeerde] een verklaring, inhoudende de verwerping van de nalatenschap van vader, ter griffie van de rechtbank zou hebben afgelegd is niet gesteld of gebleken.

4.6.

Naar het oordeel van het hof leiden de door [appellante sub 1. c.s.] gestelde feiten en omstandigheden (hiervoor vermeld in rechtsoverweging 4.4 onder a) tot en met d) niet tot de conclusie dat aan [geïntimeerde] geen vorderingsrecht meer toekomt wegens verwerping van de nalatenschap van vader, dan wel wegens afstand van recht, rechtsverwerking of op grond van artikel 6:248 lid 2 BW. Dat [geïntimeerde] lange tijd geen contact heeft gehad met zijn familie en niet heeft geparticipeerd in de aankoop van het appartement voor moeder betekent nog niet dat dat hij geen recht meer zou hebben op zijn aandeel in de nalatenschap van vader. Dat hij gewacht heeft met het opeisen van dat aandeel tot na het overlijden van moeder was logisch: ingevolge het testament van vader was het aandeel van [geïntimeerde] niet eerder opeisbaar.

4.7.

Volgens [appellante sub 1. c.s.] heeft [geïntimeerde] tegen de (inmiddels overleden) notaris Friedrich gezegd dat hij afstand deed van zijn aandeel in de nalatenschap van vader. Hij zou dit (zo begrijpt het hof) gezegd hebben toen de aankoop van het appartement voor moeder werd besproken.

[geïntimeerde] heeft de voormelde stelling van [appellante sub 1. c.s.] betwist. Hij stelt dat hij inderdaad met notaris [notaris] heeft gesproken over het feit dat hij niet wilde participeren in de aankoop van het appartement voor moeder maar hij betwist uitdrukkelijk dat hij bij die gelegenheid heeft gezegd afstand te willen doen van zijn aandeel in de nalatenschap van vader.

4.8.

[appellante sub 1. c.s.] hebben (in de toelichting op hun derde grief) aangeboden te bewijzen “dat geïntimeerde aan notaris [notaris] heeft gezegd dat hij afstand heeft gedaan van zijn recht op zijn erfdeel in de nalatenschap van vader”. Dit bewijsaanbod wordt door het hof gepasseerd omdat door [appellante sub 1. c.s.] niet duidelijk is gemaakt wat de relevantie van het bewijsaanbod is. Immers: indien vast zou komen te staan dat door [geïntimeerde] een dergelijke mededeling aan de notaris zou zijn gedaan, dan betekent dat nog niet zonder meer dat hij daarmee zijn aanspraak jegens de (mede)erfgenamen van moeder zou hebben verloren, te meer omdat vast staat dat hij géén afstand van de nalatenschap heeft gedaan conform de geldende wettelijke bepalingen. Andere feiten of omstandigheden die in dit verband van belang zouden kunnen zijn, zijn niet (concreet) door [appellante sub 1. c.s.] te bewijzen aangeboden.

4.9.

[geïntimeerde] stelt dat zijn aandeel in de nalatenschap van vader (omgerekend) € 6.469,- bedraagt, te vermeerderen met 4% rente vanaf 30 juli 1987.

[appellante sub 1. c.s.] stellen in de toelichting op grief VI dat “de claim van geïntimeerde onjuist is omdat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de berekening van het erfdeel per kind” en zij verwijzen naar de berekening die als productie 1 is gevoegd bij de appeldagvaarding.

Naar het oordeel van het hof is deze mededeling van [appellante sub 1. c.s.] niet aan te merken als een voldoende betwisting van de stelling van [geïntimeerde] dat zijn aandeel in de nalatenschap van vader (in hoofdsom) € 6.469,- bedraagt, te meer nu de door [appellante sub 1. c.s.] overgelegde productie 1 begint met de vaststelling dat ieders erfdeel op 30 juli 1987 (datum overlijden vader) € 6.469,- bedroeg. Bovendien is tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg namens [appellante sub 1. c.s.] verklaard: “De hoogte van het bedrag van het erfdeel van J. Voogd wordt niet betwist”.

Gelet op het voorgaande neemt het hof als vaststaand aan dat de vordering van [geïntimeerde] in verband met diens aandeel in de nalatenschap van vader in hoofdsom € 6.469,- bedraagt. Zijn aanspraak op rente volgt uit het testament van vader: hij heeft recht op 4% rente per jaar (enkelvoudig berekend) over zijn aandeel vanaf de datum van overlijden van vader, 30 juli 1987.

4.10.

Het voorgaande betekent echter nog niet zonder meer dat de vorderingen van [geïntimeerde] (volledig) toewijsbaar zijn. Van belang in dit verband is dat [geïntimeerde] er blijkens zijn reactie op de zesde grief van [appellante sub 1. c.s.] van uit gaat dat [appellante sub 1. c.s.] met hun privévermogen aansprakelijk zijn voor de voldoening van zijn vordering ter zake van de nalatenschap van vader, maar deze veronderstelling is naar het oordeel van het hof niet zonder meer juist. Uit hetgeen in het testament van vader onder E is bepaald volgt immers dat de ouderlijke boedelverdeling in het testament is opgenomen ter nakoming van een natuurlijke verbintenis jegens moeder. Dit brengt mee dat de aanspraken die [geïntimeerde] (en zijn broers en zussen) jegens (de nalatenschap van) moeder kunnen doen gelden in beginsel slechts gehonoreerd kunnen worden voor zover die nalatenschap daarvoor toereikend is.

Volgens de berekening van [appellante sub 1. c.s.] die als productie 1 is gevoegd bij de appeldagvaarding, bedraagt de nalatenschap van moeder € 18.357,65, waarvan, na aflossing van een lening ad € 4.786,-, een bedrag van € 13.571,65 resteert. Dit bedrag is niet toereikend om de vorderingen van [appellante sub 1. c.s.] en [geïntimeerde] (geheel) te kunnen voldoen, zodat verdeling naar evenredigheid zal dienen plaats te vinden.

Vooralsnog is het hof van oordeel dat die verdeling zodanig zal dienen plaats te vinden dat alle zeven erfgenamen per saldo eenzelfde bedrag van moeder ontvangen. Indien uitgegaan wordt van de juistheid van de cijfers in de voormelde productie 1, dan zou dit betekenen dat [geïntimeerde] recht heeft op een bedrag uit de nalatenschap van € 5.465,- en [appellante sub 1. c.s.] ieder € 1.351,- (zij hebben immers ieder al een bedrag van € 4.114,- ontvangen).

Alvorens op dit punt te kunnen beslissen heeft het hof behoefte aan nadere informatie van partijen. Het hof zal daartoe een comparitie van partijen gelasten.

4.11.

Van belang is ook nog dat als gevolg van de beneficiaire aanvaarding door [geïntimeerde] de nalatenschap van moeder (ingevolge artikel 4:195 BW) moet worden vereffend op de wijze zoals is voorgeschreven in de artikelen 4:202 en verder BW. Dat zich in dit geval een van de uitzonderingen voordoet zoals in artikel 4:202 BW genoemd, is niet gesteld of gebleken.

Voor de hand ligt voor de vereffening een (boedel)notaris wordt benaderd.

Wellicht kunnen partijen zich deze weg echter besparen door in onderling overleg een regeling te treffen over de afwikkeling van de nalatenschap van moeder. Mede met het oog hierop wordt de comparitie van partijen gelast.

4.12.

[appellante sub 1. c.s.] dienen ten behoeve van de comparitie aan de raadsheer-commissaris en aan de wederpartij de volgende informatie toe te zenden:

1. de bijlagen die zijn genoemd in productie 1 bij de appeldagvaarding;

2. een nadere toelichting (met bewijsstukken) ter zake van de in productie 1 genoemde

“lening aan moeder inclusief rente” ten bedrage van € 4.786,-;

3. een opgave van de inboedel en sieraden, behorend tot de nalatenschap van moeder, met

vermelding van de waarde van de verschillende zaken, dit met bijvoeging van

bewijsstukken indien en voor zover deze beschikbaar zijn.

5 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is zullen verschijnen voor mr. N.J.M. van Etten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met het hiervoor onder 4.10 en 4.11 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 6 mei 2014 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de maanden juli, augustus en september 2014;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

verzoekt de advocaat van [appellante sub 1. c.s.] de onder 4.13 bedoelde informatie uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, W.H.B. den Hartog Jager en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 april 2014.