Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1159

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
HD 200.134.697-01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uitleg leerovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.134.697/01

arrest van 22 april 2014

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. D. Dronkers te Roermond,

tegen

[Nederland] Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 september 2013 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen vonnis van 3 juli 2013 tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 509588 CV EXPL 13-351)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

- de memorie van grieven met producties.

[appellant] heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht, zodat het hof ook hiervan zal uitgaan en deze feiten waar nodig nog zal aanvullen.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

- [appellant] is op basis van een door beide partijen op 5 juni 2008 getekende arbeidsovereenkomst op 18 augustus 2008 bij [geïntimeerde] in dienst getreden als trainee.

- Bij brief van 12 juli 2012 heeft [appellant] de arbeidsovereenkomst opgezegd per 31 augustus 2012, waarna [geïntimeerde] bij brief van 17 juli 2012 de ontvangst van de opzegging aan [appellant] heeft bevestigd en aan [appellant] heeft medegedeeld dat zijn laatste werkdag 31 augustus 2012 zal zijn.

- Op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst was de Cao voor het technisch installatiebedrijf van toepassing.

- De arbeidsovereenkomst bepaalt in artikel 1onder meer dat [appellant] in september 2008 met de opleiding HTS Werktuigbouw zal starten en dat ter zake tussen partijen een studieovereenkomst zal worden opgesteld.

- Op 19 mei 2008 hebben partijen een studieovereenkomst gesloten. Daarin zijn partijen onder meer het navolgende overeengekomen:

‘1. Onderneming stelt medewerker in de gelegenheid, zoals medewerker deze gelegenheid aanneemt, om een nader te noemen opleiding te volgen waarvan 100% van de noodzakelijke studiekosten voor rekening van de onderneming komen. Het betreft de opleiding “HTS Werktuigbouw” aan Avans Hogeschool te [vestigingsplaats], startdatum: September 2008. De noodzakelijke studiekosten bedragen naar schatting € 8.000,-. De nog te maken kosten horende bij deze cursus worden automatisch aan deze studieovereenkomst toegevoegd.

2. Onder de hierboven bedoelde noodzakelijke studiekosten worden verstaan: éénmaal de kosten van een volledige cursus, inclusief de examenkosten, alsmede van de verplichte boeken en leermiddelen, de eventuele reiskosten (op basis van het reiskostenforfait) en tevens de strikt noodzakelijke verblijfkosten.

3. (…)

4. Indien er sprake is van een meerjarige cursus en/of een kostenniveau boven € 2.300,00 verbindt medewerker zich tegenover de onderneming om, indien hij binnen 36 maanden na afloop van de studieperiode zijn dienstbetrekking bij onderneming beëindigt aan onderneming de door laatstgenoemde aan medewerker uit hoofde van deze overeenkomst verrichte betalingen te restitueren en wel als volgt:

a. a) (…)

b) indien medewerker het dienstverband met onderneming beëindigt binnen 12 maanden na afloop van bedoelde studieperiode: 75% van het onder punt 1. vermelde bedrag;”

(…)’

- Op 5 juli 2012 heeft [appellant] zijn diploma van de hiervoor genoemde opleiding in ontvangst genomen.

- [geïntimeerde] heeft ter zake de opleiding in totaal een bedrag van € 900,00 aan subsidie genoten.

- [appellant] heeft aan [geïntimeerde] in totaal € 5.100,00 terugbetaald, waarvan € 1.312,82 middels verrekening met het loon van augustus 2012 en € 3.787,18 door overmaking aan [geïntimeerde] op 6 oktober 2012.

4.2.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een aanvullende betaling gevorderd van € 11.893,50 alsmede een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Zij stelt dat zij in totaal een bedrag van € 21.807,57 aan studiekosten ten behoeve van [appellant] heeft betaald, waarop in mindering strekt een bedrag van € 900,- aan ontvangen subsidie, zodat een bedrag resteert van € 20.907,57. [appellant] is op grond van de studieovereenkomst gehouden om 75% van dat bedrag terug te betalen, te weten € 15.680,68. [appellant] heeft slechts een bedrag betaald van € 3.787,18, zodat resteert te betalen een bedrag van € 11.893,50.

4.2.2.

[appellant] heeft verweer gevoerd en gesteld dat hij op grond van de studieovereenkomst slechts gehouden is om een bedrag van 75% van € 8000,- te vergoeden minus de door [geïntimeerde] ontvangen subsidie. Hij heeft inmiddels een bedrag betaald van € 5.100,- zodat hij geheel heeft voldaan aan zijn verplichtingen. Het door [geïntimeerde] meer gevorderde bedrag komt haar niet toe. Daarnaast heeft [appellant] nog een aantal individuele posten dan wel de hoogte daarvan betwist.

4.2.3.

De kantonrechter heeft - nadat [geïntimeerde] haar eis had verminderd tot € 10.580,67 - [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 8.649,48, nadat hij had vastgesteld dat het totaal van de als studiekosten in aanmerking te nemen bedrag was te stellen op € 18.332,64, waarvan [appellant] een bedrag van € 13.749,48 (75%) dient te vergoeden. [appellant] had reeds een bedrag betaald van € 5.100,- zodat uiteindelijk het bedrag van € 8.649,48 resteert. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten is afgewezen. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.

Tegen de toewijzende beslissingen is [appellant] opgekomen.

4.3.1.

De eerste drie grieven zien op de uitleg die aan de studieovereenkomst door de kantonrechter wordt gegeven. [appellant] stelt kort gezegd dat hij op grond van de door [geïntimeerde] gemaakte schatting ervan uit mocht gaan dat de studiekosten slechts een bedrag beliepen van om en nabij de € 8000,-, en dat hij die omstandigheid heeft laten meewegen bij de beslissing om de betreffende overeenkomst te tekenen. In de studieovereenkomst is volgens [appellant] niet opgenomen dat toekomstige en voor de duur van de opleiding te maken kosten ook onder de overeenkomst vallen. Niet is overeengekomen dat [appellant] de daadwerkelijk door [geïntimeerde] te maken studiekosten zou moeten terug betalen en voor zover dit wel het geval zou zijn had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen [appellant] hier op zijn minst van in kennis te stellen, nu het bedrag van ruim € 21.000,- een substantiële overschrijding van het geschatte bedrag van € 8.000,- vormt. [geïntimeerde] had de vinger aan de pols moeten houden.

4.3.2.

Het hof duidt het betoog van [appellant] aldus dat hij er bij het tekenen van de overeenkomst vanuit mocht gaan dat hij met [geïntimeerde] is overeengekomen dat [geïntimeerde] zijn studiekosten van om en nabij de € 8.000,- zou vergoeden en dat hij gehouden was om deze (gedeeltelijk) terug te betalen ingeval van een vertrek bij [geïntimeerde] ingevolge het schema als neergelegd in artikel 4 van de betreffende studieovereenkomst. Tot het meerdere is hij niet gehouden en daar behoefde hij ook niet vanuit te gaan.

4.3.3.

Zoals ook de kantonrechter terecht en onbestreden tot uitgangspunt heeft genomen dient de tussen partijen gesloten overeenkomst te worden uitgelegd op basis van de zogenoemde Haviltex-formule.

De vraag wat partijen zijn overeengekomen kan niet enkel worden beantwoord aan de hand van een zuiver taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst, maar komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht.

Naar het oordeel van het hof kan de daarbij door [appellant] voorgestane uitleg niet worden gevolgd. Uit de tekst van de overeenkomst kan op de eerste plaats worden opgemaakt dat [geïntimeerde] bereid was om alle noodzakelijk studiekosten te vergoeden. Wat daaronder wordt verstaan is neergelegd in artikel 2 van de studieovereenkomst. In wezen komt het betoog van [appellant] er op neer dat [geïntimeerde] wel alle noodzakelijke kosten van zijn studie voor haar rekening dient te nemen, maar dat het door hem ingeval van vertrek terug te betalen bedrag daarbij is gemaximeerd tot een geraamd bedrag van € 8.000,-. In dat geraamde bedrag zijn dan volgens [appellant] ook reeds begrepen de reiskosten, die immers, getuige de omschrijving van het begrip noodzakelijke studiekosten in lid 2 van de studieovereenkomst, ook daaronder kunnen en moeten worden geschaard. Die stelling sluit niet alleen niet aan op de tekst van de overeenkomst, nu daarbij slechts sprake is van een schatting van de studiekosten, maar miskent ook dat het bedrag van de door [geïntimeerde] geraamde “kale” studiekosten (als blijkend uit de opstelling van de vergoede kosten) vrij nauwkeurig aansluit bij de daartoe gemaakte werkelijke kosten. Een eenvoudige rekensom, waartoe [appellant] in staat moet worden geacht, leidt er al dadelijk toe dat alleen al zijn reiskosten bij een normaal verloop van zijn studie het bedrag van € 8.000,- in aanzienlijke mate, immers met meer dan helft zouden overschrijden.

[appellant] heeft verder in het geheel niet toegelicht waarom hij ondanks deze omstandigheden ervan mocht uitgaan dat hij niettemin slechts gehouden zou zijn tot terugbetaling van een bedrag van maximaal €8.000,-.

Met andere woorden het door [geïntimeerde] geraamde bedrag omvatte in beginsel de normale studiekosten verbonden aan de door [appellant] gevolgde opleiding, terwijl daarin nog niet begrepen zijn de door [appellant] in zijn geval te maken en ook feitelijk gemaakte reiskosten.

Het verwijt dat [appellant] [geïntimeerde] maakt dat zij daarbij eerder aan de bel had dienen te trekken is niet gerechtvaardigd. [appellant] had immers een uitstekend overzicht (ook) van deze kosten (kosten werden immers vergoed op basis van declaratie) en hij is desondanks zonder enige opmerking van zijn kant doorgegaan met het declareren van deze kosten ook na het moment dat het voor hem duidelijk moet zijn geweest dat het bedrag van € 8.000,- reeds ruim was overschreden. Uit die houding van [appellant] kan veeleer worden afgeleid dat hij bij de uitleg van de overeenkomst ook zelf niet is uitgegaan van een tot ongeveer € 8.000,- gemaximeerd bedrag aan werkelijke studiekosten. Voor verdere bewijslevering is geen plaats. [appellant] heeft immers niets gesteld over de wijze waarop of de omstandigheden waaronder de studieovereenkomst tot stand is gekomen en/of de verklaringen en gedragingen van [geïntimeerde] in dit verband. De grieven 1 tot en met 3 falen.

4.4.1.

Met de vierde grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat ook de post van € 128,00 aan studiebegeleiding valt onder de noodzakelijke studiekosten. [appellant] betoogt dat een dergelijke kostenpost niet wordt bestreken door de studieovereenkomst.

4.4.2.

Het hof verwerpt de grief en acht deze ook overigens weinig begrijpelijk. Bij de stukken bevindt zich een nota van Studiebegeleiding “De Wiswijzer” van 19 juni 2010 gericht aan [appellant] voor een viertal bijlessen wiskunde ter aanvulling van het vak Wiskunde C/opleiding E en WTB (werktuigbouwkunde). [appellant] heeft deze declaratie in het kader van de studieovereenkomst ter vergoeding aangeboden aan [geïntimeerde] en [geïntimeerde] heeft deze vergoed. [appellant] heeft het kennelijk noodzakelijk geacht om deze bijlessen te volgen in het kader van zijn opleiding, zodat daarmee voldaan is aan de omschrijving van noodzakelijke studiekosten. Anders dan [appellant] meent, stuit de vordering niet af op het ontbreken van een letterlijke vermelding van bijles in artikel 2 van de studieovereenkomst.

4.5.

De vijfde en laatste grief ziet op de door de kantonrechter verworpen stelling dat [appellant] rauwelijks is gedagvaard. [appellant] heeft aan deze grief echter geen gevolgtrekking verbonden, zodat het hof de bespreking van deze grief verder buiten beschouwing laat.

4.6.

De slotsom is dat alle grieven falen, dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en dat [appellant] zal worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] tot op heden vastgesteld op nihil.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het beroep gevallen aan de zijde van [geïntimeerde] en tot op heden vastgesteld op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, M. van Ham en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 april 2014.