Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1154

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
HD 200.125.324-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:2957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg inhoud erfdienstbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/263

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.125.324/01

arrest van 22 april 2014

in de zaak van

1 [de man],

wonende te [woonplaats],

2. [de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. A.M.E. Driessen te Nijmegen,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.C. Muller te Nijmegen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 juni 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond onder zaaknummer 109226/HA ZA 11-390 gewezen vonnis van 10 oktober 2012. Appellanten worden hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud aangeduid als [appellanten c.s.] Geïntimeerde wordt verder aangeduid als [geïntimeerde].

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 18 juni 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 22 juli 2013;

- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

- de memorie van antwoord met producties;

- de akte van [appellanten c.s.] met productie;

- de antwoordakte van [geïntimeerde] met productie.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1.

In rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.11 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met de eerste grief wordt deze vaststelling bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen. Het gaat in deze zaak om het volgende.

7.1.1.

[appellanten c.s.] heeft bij notariële akte van 2 september 1991 de eigendom verkregen van het perceel staande en gelegen aan de [perceel 1.] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Mook en Middelaar, sectie [sectieletter], nummer [sectienummer 1.] (hierna: perceel [perceel 1.]). [appellanten c.s.] heeft het perceel [perceel 1.] destijds in eigendom overgedragen gekregen van Vastgoed [vestigingsnaam] B.V.

7.1.2.

[geïntimeerde] heeft bij notariële akte van 23 april 1998 de eigendom verkregen van het perceel staande en gelegen aan de [perceel 2.] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Mook en Middelaar, sectie [sectieletter], nummer [sectienummer 2.] (hierna: perceel [perceel 2.]). [geïntimeerde] heeft het perceel destijds in eigendom overgedragen gekregen van onder andere de heer [vorige eigenaar] (hierna: [vorige eigenaar]).

7.1.3.

Hiervóór, bij notariële akte van 19 november 1984, is het perceel [perceel 2.] door Daktimo West B.V. verkocht en geleverd aan onder meer [vorige eigenaar]. Bij die notariële akte is ten laste van perceel [perceel 1.] een erfdienstbaarheid gevestigd ten behoeve van perceel [perceel 2.] (hierna: de akte van vestiging). In de akte van vestiging is onder meer vermeld (productie 5 inleidende dagvaarding):

“wordt bij deze gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om over een strook grond (…) te rijden van en naar de [weg]. Het is verboden motorvoertuigen op bedoelde strook grond te parkeren of te doen stilstaan anders dan ten behoeve van het in- en uitstappen ervan. Het plaatsen op bedoelde strook van welk voorwerp dan ook, is niet toegestaan.

De kosten van onderhoud en herstel van bedoelde strook grond zijn voor rekening van de eigenaren van het heersend en lijdend erf, ieder voor de helft. In afwijking van het in de voorafgaande alinea bepaalde, komen echter de kosten van herstel van bedoelde strook grond, noodzakelijk ten gevolge van werkzaamheden (…) ten laste van degene, te wiens behoeve werkzaamheden of andere handelingen zijn verricht.”

7.1.4.

Vanaf de [weg] gezien ligt het perceel van [geïntimeerde] ([perceel 2.]) achter het perceel van [appellanten c.s.] ([perceel 1.]). De weg waarop de erfdienstbaarheid ziet (hierna: de weg) loopt vanaf de [weg] over het perceel van [appellanten c.s.] en langs zijn onroerende zaak. Aan de andere zijde loopt de weg langs het perceel [perceel 3.]. Waar de weg op het perceel van [geïntimeerde] stuit, maakt deze een vrijwel haakse bocht naar rechts. Aldaar eindigt de weg (zie productie 1 memorie van grieven). De weg is thans 3,2 meter breed. Op enig moment is tussen de weg en het perceel [perceel 3.] een groenstrook gerealiseerd.

7.1.5.

[geïntimeerde] exploiteert vanaf 1998 in het pand op zijn perceel een bedrijf genaamd De LocLoods. De LocLoods is leverancier van gereedschappen en machines.

7.1.6.

[appellanten c.s.] heeft bij de ingang van de weg een verbodsbord voor vrachtwagens geplaatst. Onder dat bord hangt een bord met de tekst “verboden laden – lossen op de toegangsweg.

7.1.7.

[appellanten c.s.] heeft bij brief van 11 juli 2010 onder meer het volgende aan [geïntimeerde] meegedeeld (productie 7 inleidende dagvaarding):

“Zoals door ons verschillende keren mondeling, is aangegeven hebben wij bezwaar tegen het eenzijdig door u uitbreiden van het recht van overpad tot grote vrachtwagens.

Het recht van overpad beperkte zich bij uw rechtsvoorganger altijd tot het gebruik door personenauto’s en een enkele kleine vrachtauto (rijbewijs BE).

Met uw komst zien wij dat het gebruik sterk geïntensiveerd is en zich vervolgens ook in aard en omvang wijzigt.

Dit gebruik levert voor ons onevenredige overlast op in de vorm van o.a. kapot rijden van de weg (verzakking) en met name de stoepbanden.

Het pad is niet bestemd noch aangelegd voor gebruik door zwaardere vrachtwagens dan die welke gereden kunnen worden met een rijbewijs BE.

Wij stellen u derhalve aansprakelijk voor alle schade toegebracht door deze vrachtwagens. Daarnaast verwachten wij dat dit gebruik per direct wordt beëindigd.”

7.1.8.

Een bedrijf genaamd [bedrijf] heeft een offerte d.d. 6 november 2010 uitgebracht voor het herstraten van de weg. Zij heeft hiervoor een bedrag geoffreerd van € 14.253,25 exclusief btw.

7.1.9.

Bij brief van 22 november 2010 van de advocaat van [appellanten c.s.] is [geïntimeerde] nogmaals gesommeerd om onder meer niet langer zwaar vrachtverkeer over de weg te (laten) rijden (productie 8 inleidende dagvaarding).

7.1.10.

De advocaat van [geïntimeerde] heeft bij brief van 9 december 2010 aan de advocaat van [appellanten c.s.] meegedeeld dat [geïntimeerde] geen gehoor zou geven aan de sommaties. Daarnaast heeft de advocaat van [geïntimeerde] [appellanten c.s.] verzocht het bord dat bij de ingang van de weg is geplaatst weg te halen.

7.2.1.

[appellanten c.s.] heeft in eerste aanleg in conventie, kort gezegd, gevorderd:

I. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] op basis van de bestaande erfdienstbaarheid niet gerechtigd is om met motorvoertuigen, anders dan personenauto’s en BE-vervoer, van de weg gebruik te maken;

II. te bepalen dat het [geïntimeerde] verboden is om met vrachtverkeer van de weg gebruik te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag of gedeelte van een dag dat dit verbod wordt overtreden, met een maximum van € 50.000,00;

III. [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellanten c.s.] te betalen een bedrag van € 9.032,50 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2010, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

[appellanten c.s.] heeft hieraan onder meer ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] de weg in strijd met de erfdienstbaarheid gebruikt, nu hij zwaar vrachtverkeer over de weg laat rijden. De weg is hierdoor beschadigd, zodat [appellanten c.s.] schade lijdt.

7.2.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in voorwaardelijke reconventie, namelijk voor zover de vordering van [appellanten c.s.] in conventie zou worden afgewezen, gevorderd veroordeling van [appellanten c.s.] tot verwijdering van het bord binnen vijf dagen na betekening van het onderhavige vonnis, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor elke dag dat [appellanten c.s.] het bord laat staan, althans een in goed justitie te bepalen bedrag, een en ander met veroordeling van [appellanten c.s.] in de kosten van het geding in conventie en in reconventie.

7.2.3.

De rechtbank heeft de vorderingen in conventie en in reconventie afgewezen. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat de erfdienstbaarheid zo moet worden uitgelegd dat het gebruik van de weg door (zwaar) vrachtverkeer is toegestaan, waaronder mede wordt begrepen het door [geïntimeerde] laten gebruiken van de weg door zijn leveranciers.

7.2.4.

[appellanten c.s.] heeft in hoger beroep, na wijziging van eis, gevorderd:

I. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] en zijn zakenrelaties of andere gebruikers van het perceel [perceel 2.] op basis van de bij akte van 19 november 1984 gevestigde erfdienstbaarheid niet gerechtigd zijn om met motorvoertuigen, anders dan personenauto’s en BE-vervoer, over de weg op het perceel [perceel 1.] te rijden van en naar de Middelweg;

II. te bepalen dat het [geïntimeerde] en zijn zakenrelaties of andere gebruikers van het perceel [perceel 2.] is verboden om met andere motorvoertuigen dan personenauto’s en BE-vervoer of motor(fiets), waaronder motorvoertuigen zwaarder dan 3,5 ton, te rijden over het perceel van [appellanten c.s.], waaronder de weg zoals bedoeld in de akte van vestiging, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod, met een maximum van € 100.000,00 per jaar;

III. te bepalen dat het voor [geïntimeerde] en zijn zakenrelaties of andere gebruikers van het perceel aan de [perceel 2.] verboden is om met enig motorrijtuig te parkeren, waaronder het stilstaan in verband met laden en lossen op het perceel van [appellanten c.s.], op het perceel van [appellanten c.s.], waaronder de weg zoals bedoeld in de akte van erfdienstbaarheid, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 1.000,00 voor elke overtreding van dit verbod, met een maximum van € 100.000,00 per jaar;

IV. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellanten c.s.] van een bedrag van € 15.260,70 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2010, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

V. [geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen [appellanten c.s.] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan aan [appellanten c.s.] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling tot aan de dag van terugbetaling;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [appellanten c.s.] in de kosten van het geding.

7.3.

Het hof ziet aanleiding de grieven gezamenlijk te behandelen.

7.4.1.

[appellanten c.s.] voert aan dat uit de akte van vestiging volgt dat het [geïntimeerde] niet is toegestaan om met zwaar vrachtverkeer over de weg te rijden. Volgens [appellanten c.s.] is het nimmer de bedoeling van de toenmalig eigenaren geweest dat met zwaar vrachtverkeer over de weg zou worden gereden. De weg is daar ook niet geschikt voor, aldus [appellanten c.s.]

7.4.2.

Het hof stelt vast dat [appellanten c.s.] met het begrip “zwaar vrachtverkeer” een motorvoertuig bedoelt dat inclusief laadvermogen meer weegt dan 3,5 ton en waarvoor een rijbewijs van categorie C noodzakelijk is. Het hof zal deze categorie motorvoertuigen in het navolgende eveneens aanduiden als zwaar vrachtverkeer.

7.4.3.

Het hof stelt voorop dat de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening op grond van artikel 5:73 BW worden bepaald door de akte van vestiging en voor zover daarin regels daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Bij de uitleg van de inhoud van de erfdienstbaarheid zijn de achterliggende wensen en gedachten van de eigenaar van het dienende erf niet van belang. Het komt aan op de in de akte van vestiging tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de erfdienstbaarheid (vgl. o.m. HR 23 juni 2006, LJN AW6598, NJ 2006/352 en HR 17 december 2010, LJN BO 1815, NJ 2011/9).

7.4.4.

Het hof is van oordeel dat de akte van vestiging niet anders kan worden uitgelegd dan dat daarmee is bedoeld dat met ieder motorvoertuig over de weg mag worden gereden. Het hof komt tot dat oordeel op grond van het volgende. Er is in de akte geen voorbehoud gemaakt bij de begrippen “rijden” en “motorvoertuig”. [appellanten c.s.] voert aan dat uit het feit dat in de akte van vestiging is vermeld dat met een motorvoertuig niet mag worden stilgestaan anders dan ten behoeve van in- en uitstappen volgt dat met motorvoertuigen enkel is bedoeld personenauto’s en licht vrachtverkeer. Indien mede was bedoeld vrachtverkeer, dan was wel “laden en lossen” opgenomen in de akte, aldus [appellanten c.s.] Het hof kan [appellanten c.s.] niet volgen in dit standpunt. Ook uit een (zware) vrachtwagen kan worden in- en uitgestapt. [appellanten c.s.] voert daarnaast aan dat uit het feit dat in de akte is opgenomen dat het in eigendom overgedragen pand aan de [perceel 2.] een kantoorpand was, volgt dat de toenmalig eigenaren van het heersende en het dienende erf niet voor ogen heeft gestaan dat de weg zou worden gebruikt voor vrachtverkeer. Ook deze stelling gaat naar het oordeel van het hof niet op. Het enkele feit dat de onroerende zaak is omschreven als kantoorpand, sluit immers niet uit dat het voor de eigenaar van het heersend erf gewenst of noodzakelijk kan zijn dit pand met zwaar vrachtverkeer te bereiken. Bovendien is, zoals hiervoor is overwogen, beslissend hetgeen naar objectieve maatstaven uit de omschrijving van de erfdienstbaarheid volgt. Het feit dat [appellanten c.s.], althans zijn rechtsvoorganger, wellicht voor ogen stond dat de weg niet voor zwaar vrachtverkeer mocht worden gebruikt, kan niet worden betrokken bij de uitleg van de erfdienstbaarheid, tenzij deze interne wil uit de akte blijkt. Dit laatste is niet het geval.

7.4.5.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de bewoordingen van de akte van vestiging duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar zijn, in die zin dat het [geïntimeerde] op grond van de akte van vestiging is toegestaan motorvoertuigen ongeacht de zwaarte daarvan over de weg te (laten) rijden. Nu geen sprake is van twijfel over de uitleg als bedoeld in artikel 5:73 lid 1 BW, behoeft de vraag of de erfdienstbaarheid geruime tijd te goeder trouw zonder tegenspraak op een bepaalde wijze is uitgeoefend geen beantwoording.

7.5.

In artikel 5:74 BW is bepaald dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze moet gebeuren. Hiermee is bedoeld dat de eigenaar van het dienende erf niet meer overlast mag worden bezorgd dan redelijkerwijs voor een behoorlijke uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk kan worden geacht. [appellanten c.s.] voert aan dat het laten rijden van zwaar vrachtverkeer niet de minst bezwarende wijze is. Het hof is echter van oordeel dat indien aan [geïntimeerde] zou worden verboden vrachtverkeer toe te laten tot de weg, hij te veel beperkt zou worden in de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Op grond van de akte mag hij immers, zoals hiervoor is overwogen, ieder motorvoertuig over de weg (laten) rijden. Dat deze wijze van uitoefening wellicht overlast veroorzaakt aan [appellanten c.s.], betekent nog niet dat [geïntimeerde] handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid en leidt aldus niet tot een ander oordeel.

7.6.

Echter, naar het oordeel van het hof is het [geïntimeerde] op grond van de akte van vestiging niet toegestaan om op de weg te laden en te lossen. In de akte is immers ook opgenomen dat het verboden is motorvoertuigen te parkeren of te doen stilstaan anders dan ten behoeve van het in- en uitstappen daarvan. Deze bepaling laat het laden en lossen op de weg duidelijk niet toe. [appellanten c.s.] voert aan dat [geïntimeerde] in strijd met deze bepaling de vrachtwagens laat laden en lossen op de weg, hetgeen [geïntimeerde] betwist. Naar het oordeel van het hof behoeft de vraag of [geïntimeerde] vrachtwagens heeft laten laden en lossen geen beantwoording, aangezien [appellanten c.s.] een verbod voor de toekomst vordert, zodat niet van belang is wat zich in het verleden heeft afgespeeld. Nu laden en lossen niet is toegestaan, wordt de vordering van [appellanten c.s.] toegewezen in zoverre dat het [geïntimeerde] wordt verboden om enig motorvoertuig op de weg te (doen) stilstaan anders dan ten behoeve van in- en uitstappen - zodat het bijvoorbeeld niet is toegestaan stil te staan ten behoeve van laden en lossen - op straffe van verbeurte van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per overtreding met een maximum van € 75.000,00. Naar het oordeel van het hof kan andere gebruikers van de weg dan [geïntimeerde] niet (rechtstreeks) worden verboden aldaar stil te staan, nu deze gebruikers geen partij zijn in de onderhavige procedure. Daarentegen kan het [geïntimeerde] wel worden verboden andere gebruikers te laten stilstaan anders dan ten behoeve van in- of uitstappen. Het hof acht het niet aangewezen het verbod uit te spreken voor het gehele perceel van [appellanten c.s.], nu enkel is gesteld dat [geïntimeerde] in strijd met de erfdienstbaarheid met motorvoertuigen stilstaat of motorvoertuigen laat stilstaan op de weg en niet dat dit ook op andere delen van het perceel van [appellanten c.s.] gebeurt.

7.7.1.

[appellanten c.s.] vordert vergoeding van schade ter grootte van een bedrag van € 15.260,70 inclusief btw. Hij legt hieraan ten grondslag dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door zwaar vrachtverkeer toe te laten tot de weg, waardoor de weg is beschadigd.

7.7.2.

Zoals hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat het [geïntimeerde] op grond van de erfdienstbaarheid is toegestaan de weg te (laten) gebruiken door zwaar vrachtverkeer. Indien de weg is beschadigd door dit vrachtverkeer, levert dit dan ook geen onrechtmatige daad op jegens [appellanten c.s.] Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de weg is beschadigd door het enkele laden en lossen. Dit laatste is aldus evenmin een grond voor toewijzing van een bedrag aan schadevergoeding. Nu [appellanten c.s.] voor het overige geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan [geïntimeerde] gehouden zou zijn de (gestelde) kosten voor het repareren van de weg te vergoeden, wordt dit deel van de vordering afgewezen.

7.8.

De grieven falen en de vorderingen van [appellanten c.s.] worden afgewezen, behoudens hetgeen hiervoor onder 7.6 is overwogen met betrekking tot de stelling van [appellanten c.s.] dat het [geïntimeerde] niet is toegestaan stil te staan op de weg anders dan ten behoeve van in- en uitstappen. Nu het deel van de vordering dat in hoger beroep wordt toegewezen geen deel uitmaakte van de rechtsstrijd in eerste aanleg, wordt het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, inclusief de proceskostenveroordeling.

7.9.

Het hof ziet aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren als hierna te vermelden, nu slechts een beperkt deel van de vorderingen van [appellanten c.s.] wordt toegewezen en partijen aldus ieder deels in het ongelijk zijn gesteld.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

bepaalt dat het [geïntimeerde] is verboden enig motorvoertuig te (doen) stilstaan op de weg anders dan ten behoeve van in- en uitstappen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per overtreding met een maximum van € 75.000,00;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten van de procedure in hoger beroep draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, L.R. van Harinxma thoe Slooten en J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 april 2014.