Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1147

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
HD 200.116.177-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:202
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beroep op opleidingsbeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.116.177/01

arrest van 22 april 2014

in de zaak van

Adviesbureau Lioc B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: Lioc;

advocaat: mr. M. Kokx te Eindhoven,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [geïntimeerde];

advocaat: mr. A.H.M. van den Broek te Weert,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 december 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven onder zaaknummer 830075 rolnummer 12-5006 gewezen vonnis van 11 oktober 2012.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 18 december 2012 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 28 januari 2013;

- de memorie van grieven met acht producties, genummerd 1a, 1b tot en met 7;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de bij H-formulier van 19 november 2013 door Lioc toegezonden producties, die zij bij het pleidooi in het geding heeft gebracht.

Hierna is arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

7 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

7.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] is op 1 oktober 2009 in dienst getreden van Lioc op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar als octrooigemachtigde in opleiding. Partijen zijn in artikel 6 van deze overeenkomst (hierna: arbeidsovereenkomst 1) een opleidingsbeding overeengekomen dat luidt als volgt:

“Werkgever neemt op zich Werknemer te begeleiden en op te leiden dan wel te laten opleiden tot octrooigemachtigde en Werknemer in staat te stellen daarvoor de nodige cursussen en opleidingen te volgen en examens af te leggen. Voor deze begeleiding en opleiding is, te rekenen vanaf de datum van deze overeenkomst, door Werknemer aan Werkgever een opleidingsvergoeding verschuldigd van € 17.500,= (zegge zeventienduizendvijfhonderd euro) per jaar of gedeelte van een jaar, welke vergoeding eerst opeisbaar zal zijn na beëindiging door of vanwege Werknemer van deze overeenkomst of van een opvolgende overeenkomst. Nadat Werknemer als Europees octrooigemachtigde is ingeschreven, zal door Werkgever gedurende deze overeenkomst of een opvolgende overeenkomst jaarlijks een gelijk bedrag van € 17.500,= (zegge zeventienduizendvijfhonderd euro) ten aanzien van de in totaal verschuldigde opleidingsvergoeding worden kwijtgescholden.”

7.2.

Partijen hebben voor de periode van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2011 een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten (hierna: arbeidsovereenkomst 2). In artikel 6 van deze overeenkomst is het volgende opleidingsbeding opgenomen:

“Werkgever neemt op zich Werknemer te begeleiden en op te leiden dan wel te laten opleiden tot octrooigemachtigde en Werknemer in staat te stellen daarvoor de nodige cursussen en opleidingen te volgen en examens af te leggen. Voor deze begeleiding en opleiding is, te rekenen vanaf de datum van deze overeenkomst, door Werknemer aan Werkgever een opleidingsvergoeding verschuldigd van € 17.500,= (zegge zeventienduizendvijfhonderd euro) per jaar of gedeelte van een jaar vermeerderd met € 17.500,= (zegge zeventienduizendvijfhonderd euro) voor het aan deze overeenkomst voorafgegane jaar, welke vergoeding eerst opeisbaar zal zijn na beëindiging van deze overeenkomst of van een opvolgende overeenkomst. Nadat Werknemer als Europees octrooigemachtigde is ingeschreven, zal door Werkgever gedurende deze overeenkomst of een opvolgende overeenkomst jaarlijks een gelijk bedrag van € 17.500,= (zegge zeventienduizendvijfhonderd euro) ten aanzien van de in totaal verschuldigde opleidingsvergoeding worden kwijtgescholden.”

7.3.

Partijen hebben voor de periode van 1 oktober 2011 tot 1 januari 2012 een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten (hierna: arbeidsovereenkomst 3). In artikel 6 van deze overeenkomst is het volgende opleidingsbeding opgenomen:

“6.1. Werkgever neemt op zich Werknemer te begeleiden en op te leiden dan wel te laten opleiden tot octrooigemachtigde en Werknemer in staat te stellen daarvoor de nodige cursussen en opleidingen te volgen en examens af te leggen. Voor deze begeleiding en opleiding is, te rekenen over de periode 1 oktober 2009 tot 1 januari 2012, door Werknemer aan Werkgever een opleidingsvergoeding verschuldigd van in totaal € 35.000,= (zegge vijfendertigduizend euro), welke vergoeding eerst opeisbaar zal zijn na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, hieronder ook uitdrukkelijk begrepen een beëindiging van rechtswege.
6.2. Nadat Werknemer als Europees octrooigemachtigde is ingeschreven, zal door Werkgever gedurende deze overeenkomst of een daaropvolgende overeenkomst jaarlijks een gelijk bedrag van € 17.500,= (zegge zeventienduizendvijfhonderd euro) ten aanzien van de in totaal verschuldigde opleidingsvergoeding worden kwijtgescholden. Derhalve zal door Werknemer geen vergoeding meer verschuldigd zijn, indien Werknemer nog in dienst is van Werkgever nadat twee kalenderjaren zijn verstreken na de inschrijving als Europees octrooigemachtigde.

6.3.

Cursussen, externe opleidingen en examens zullen door Werknemer gedurende de loopduur van de onderhavige overeenkomst volledig buiten werktijd worden gevolgd, zomede alle daaraan eventueel verbonden studie en voorbereidingen, en alle daaraan verbonden reis- en verblijfkosten vallen voor rekening van Werknemer.”

7.4.

Arbeidsovereenkomst 3 is per 1 januari 2012 van rechtswege geëindigd.

7.5.

Lioc heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag € 35.000,- aan opleidingsvergoeding op basis van het opleidingsbeding in arbeidsovereenkomst 3, met rente vanaf 12 februari 2012, althans het moment van dagvaarding en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

7.6.

[geïntimeerde] heeft de vordering van Lioc bestreden.

7.7.

In het vonnis waarvan beroep oordeelt de kantonrechter dat in de arbeidsovereenkomsten 2 en 3 aanspraken ten gunste van Lioc zijn opgenomen waarop zij op basis van arbeidsovereenkomst 1 geen recht zou kunnen doen gelden. De kantonrechter is van oordeel dat dit in strijd is met goed werkgeverschap en dat Lioc [geïntimeerde] in verband daarmee niet kan houden aan de vergoedingsverplichting voortvloeiend uit overeenkomst 2 en 3 voor de periode waarop arbeidsovereenkomst 1 ziet. Voor de periode waarop arbeidsovereenkomst 2 ziet berekent de kantonrechter de opleidingskosten op een bedrag van € 6.041,99 en overweegt dat voor zover Lioc aanspraak maakt op vergoeding van hogere kosten, en daarmee van kosten die zij over de looptijd van arbeidsovereenkomst 2 in het geheel niet heeft gehad, dat in strijd is met goed werkgeverschap. Volgens de kantonrechter is tussen partijen niet in geschil dat Lioc gedurende de looptijd van arbeidsovereenkomst 3 geen kosten voor opleiding en begeleiding van [geïntimeerde] heeft gemaakt. De kantonrechter veroordeelt [geïntimeerde] vervolgens tot betaling aan Lioc van het bedrag van € 6.041,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2012 en compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7.8.

Lioc kan zich met dit vonnis niet verenigen en is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen. In haar eerste grief voert zij aan dat de kantonrechter arbeidsovereenkomst 3 ten onrechte niet als een op zichzelf staande overeenkomst beoordeelt, op grond waarvan [geïntimeerde] een vergoeding van € 35.000,- aan Lioc verschuldigd is. In haar tweede grief voert Lioc aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat Lioc heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap en dat Lioc [geïntimeerde] niet kan houden aan de vergoedingsverplichting voor de periode waarop arbeidsovereenkomst 1 ziet. De derde grief van Lioc, die in de memorie van grieven evenals de tweede grief als “grief II” wordt aangeduid, heeft betrekking op de berekening van de kantonrechter van de opleidingskosten over de periode waarop arbeidsovereenkomst 2 ziet. De vierde grief van Lioc, die in de memorie van grieven als “grief III” wordt aangeduid, richt zich tegen de compensatie van de proceskosten.

7.9.

[geïntimeerde] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. In zijn eerste grief voert hij aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij door ondertekening van arbeidsovereenkomst 3 geacht moet worden akkoord te zijn gegaan met bepaalde onder 6.1. van die overeenkomst. In zijn tweede grief voert [geïntimeerde] aan dat de kantonrechter ten onrechte overweegt dat Lioc aanspraak kan maken op de opleidingskosten voor de periode waarop arbeidsovereenkomst 2 ziet, ondanks het gegeven dat arbeidsovereenkomst 2 van rechtswege geëindigd en niet beëindigd is. De derde grief van [geïntimeerde] heeft betrekking op de berekening van de kantonrechter van de opleidingskosten over de periode waarop arbeidsovereenkomst 2 ziet. De vierde grief van [geïntimeerde] richt zich tegen de compensatie van de proceskosten.

7.10.

Het hof zal de eerste grief in incidenteel appel als eerste behandelen. [geïntimeerde] voert in het kader van deze grief het volgende aan. Hij verkeerde met betrekking tot het tekenen van arbeidsovereenkomst 3 in een dwangpositie. Pas op 23 september 2011 werd hem door Lioc meegedeeld dat Lioc niet meer met hem verder wilde. Tijdens dit gesprek werd hem de derde arbeidsovereenkomst aangeboden met het gewijzigde opleidingsbeding. [geïntimeerde] had geen andere keus dan deze overeenkomst te tekenen. Hij is alleenverdiener en heeft de zorg voor zijn gezin, bestaande uit zijn echtgenote en vier kinderen. Bij navraag bij het UWV kreeg hij te horen dat hij geen WW-uitkering zou krijgen wanneer hij het aanbod tot werken zou afwijzen. Lioc deelde [geïntimeerde] bovendien mee dat ze het bedrag van € 35.000,- hoe dan ook van hem zouden vorderen, ongeacht of de derde overeenkomst door [geïntimeerde] getekend zou worden. Lioc stond niet open voor discussie over of aanpassing van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst. Lioc heeft jegens [geïntimeerde] misbruik gemaakt van haar machtspositie en de spoedsituatie die door haar zelf is gecreëerd. Uit het tekenen van de derde arbeidsovereenkomst kan niet de conclusie worden getrokken dat [geïntimeerde] geacht moet worden akkoord te zijn gegaan met het bepaalde in artikel 6 van deze overeenkomst. [geïntimeerde] heeft steeds tegen Lioc gezegd dat hij het er niet mee eens was dat van hem een opleidingsvergoeding gevraagd werd.

7.11.

Het hof is van oordeel dat de eerste grief in incidenteel appel faalt. Voor zover [geïntimeerde] een beroep doet op een wilsgebrek, kan dit beroep onbesproken blijven, nu [geïntimeerde] geen (partiële) vernietiging van de arbeidsovereenkomst 3 vordert. Dit is tijdens het pleidooi door de advocaat van [geïntimeerde] bevestigd. De advocaat van [geïntimeerde] heeft tijdens het pleidooi meegedeeld dat de juridische consequentie die [geïntimeerde] verbindt aan de door hem gestelde dwangpositie waarin hij zich bij het aangaan van overeenkomst 3 bevond, is dat deze overeenkomst nietig is op grond van artikel 3:40 BW wegens strijd met de goede zeden. Het hof is van oordeel dat dit een nieuw verweer betreft. De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-leer beperkt de aan oorspronkelijk verweerder toekomende bevoegdheid tot het uitbreiden van zijn verweren, in die zin dat hij in beginsel niet later dan in zijn memorie van antwoord een nieuw verweer mag aanvoeren. In de onderhavige zaak kan op deze in beginsel strakke reden een uitzondering worden aanvaard. Lioc heeft er ondubbelzinnig mee ingestemd dat het verweer is uitgebreid, nu Lioc tijdens het pleidooi inhoudelijk op het nieuwe verweer van [geïntimeerde] is ingegaan zonder bezwaar te maken tegen het tijdstip waarop dat is aangevoerd. Het hof zal derhalve het verweer van [geïntimeerde] dat de overeenkomst nietig is wegens strijd met de goede zeden beoordelen. Het hof is van oordeel dat dit verweer onvoldoende is onderbouwd. [geïntimeerde] heeft niet heeft gesteld met welke fundamentele normen van ongeschreven recht de prestatie waartoe de overeenkomst verplicht dan wel de strekking van de overeenkomst in strijd is.

Voor het bij conclusie van antwoord door [geïntimeerde] gevoerde verweer dat tussen partijen geen wilsovereenstemming met betrekking tot het door [geïntimeerde] te betalen bedrag van
€ 35.000,00 bestaat, geldt dat hij dit verweer niet voldoende heeft onderbouwd.

Het voorgaande brengt mee dat artikel 6 van arbeidsovereenkomst 3 tussen partijen geldt. De vraag of en in hoeverre door Lioc een beroep op het onderhavige beding kan worden gedaan komt hierna aan de orde.

7.12.

Door partijen wordt – ook in hoger beroep – met name getwist over de vraag of Lioc in strijd met goed werkgeverschap handelt door [geïntimeerde] (geheel) te houden aan zijn terugbetalingsverplichting.

7.13.

[geïntimeerde] neemt het standpunt in dat Lioc in strijd handelt met goed werkgeverschap door betaling van de opleidingsvergoeding te verlangen. Hij heeft in de processtukken en tijdens het pleidooi in dat kader samengevat het volgende aangevoerd. Partijen zijn in artikel 6 van de eerste arbeidsovereenkomst overeengekomen dat de opleidingsvergoeding alleen opeisbaar zal zijn na beëindiging door of vanwege werknemer van deze overeenkomst of van een volgende overeenkomst. In de tweede arbeidsovereenkomst heeft Lioc zonder overleg met en zonder instemming van [geïntimeerde] de woorden “door of vanwege de werknemer” weggelaten. Lioc heeft [geïntimeerde] er niet op gewezen dat de tekst van het opleidingsbeding in de tweede arbeidsovereenkomst afweek van het beding in de eerste arbeidsovereenkomst. [geïntimeerde] ontdekte pas in september 2011 dat de tekst van het opleidingsbeding gewijzigd was. Op 23 september 2011 heeft Lioc [geïntimeerde] voor het eerst meegedeeld dat zij niet meer met hem verder wilde gaan. Lioc heeft [geïntimeerde] toen de derde arbeidsovereenkomst aangeboden, waarbij hem werd meegedeeld dat deze overeenkomst niet verlengd zou worden. Op grond van het opleidingsbeding in deze overeenkomst moest [geïntimeerde] vanaf 30 september 2011 alle studiekosten zelf gaan betalen en was hij bij het einde van de overeenkomst een opleidingsvergoeding van € 35.000,- aan Lioc verschuldigd. Op basis van de eerste en tweede arbeidsovereenkomst was [geïntimeerde] geen enkele opleidingsvergoeding aan Lioc verschuldigd. De eerste overeenkomst is namelijk niet door of vanwege [geïntimeerde] beëindigd en de tweede overeenkomst is niet door één van partijen beëindigd, maar geëindigd door tijdsverloop. Op basis van de derde arbeidsovereenkomst heeft [geïntimeerde] een negatief loon van € 46.000,- over de periode 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011. Dit is mede in strijd met de Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag. De kwijtscheldings-regeling in artikel 6.2 van de derde arbeidsovereenkomst heeft geen waarde, nu reeds bij het sluiten van de overeenkomst duidelijk was dat deze niet verlengd zou worden. Het grootste deel van de opleidingskosten is toe te rekenen aan de eerste arbeidsovereenkomst. De enige opleidingskosten die met betrekking tot de tweede arbeidsovereenkomst zijn gemaakt, zijn de inschrijfkosten voor examens en enkele facultatieve opleidingsdagen. Tijdens de looptijd van de derde overeenkomst heeft [geïntimeerde] geen opleiding of begeleiding van Lioc meer ontvangen.

7.14.

Lioc betwist dat zij in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld. Zij heeft in dat kader in de processtukken en tijdens het pleidooi samengevat het volgende aangevoerd. De derde arbeidsovereenkomst dient als een op zichzelf staande overeenkomst te worden beschouwd. Nu de derde arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd, is [geïntimeerde] de opleidingsvergoeding van € 35.000,- aan Lioc verschuldigd. [geïntimeerde] heeft zich bij het aangaan van de derde arbeidsovereenkomst juridisch laten adviseren en heeft niet geprotesteerd tegen de omvang van de daarin opgenomen vergoedingsverplichting. Voorts wist [geïntimeerde] bij het aangaan van deze overeenkomst dat deze niet zou worden verlengd.

De omvang van de vergoedingsverplichting is gerechtvaardigd gelet op de investeringen van Lioc. Lioc heeft gedurende een periode van ruim twee jaar naast een aanzienlijk salaris in [geïntimeerde] geïnvesteerd door het vergoeden van opleidingskosten en het structureel begeleiden van [geïntimeerde]. Tegenover deze investering heeft nauwelijks een commerciële tegenprestatie gestaan. Vanwege teleurstellende prestaties van [geïntimeerde] in het eerste jaar is bij het sluiten van de tweede arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] afgesproken dat de opleidingsvergoeding ook verschuldigd zou zijn wanneer de arbeidsovereenkomst vanwege de werkgever niet zou worden voortgezet. Ook in het tweede jaar functioneerde [geïntimeerde] niet naar behoren en halverwege dit jaar heeft Lioc [geïntimeerde] meegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst niet wilde verlengen. Lioc kon hierdoor haar investering in [geïntimeerde] niet terugverdienen. [geïntimeerde] is op dat moment vrijgesteld van octrooiwerkzaamheden. Van hem werd slechts gevergd dat hij af en toe vertaalwerkzaamheden zou verrichten. Voor het overige mocht hij zich volledig toeleggen op zijn opleiding om zo zijn kansen op de arbeidsmarkt na beëindiging van de arbeidsrelatie met Lioc te vergroten. Lioc heeft [geïntimeerde] alleen een derde overeenkomst aangeboden om [geïntimeerde] in staat te stellen zijn opleiding af te ronden en een baan als octrooigemachtigde te vinden. [geïntimeerde] heeft vervolgens ook daadwerkelijk een baan als octrooigemachtigde gevonden met het bijpassende hogere salaris. Op het moment van het sluiten van de derde arbeidsovereenkomst had de arbeidsrelatie tussen partijen al twee jaar geduurd, zodat reeds een terugbetalingsverplichting van € 35.000,- was ontstaan. Lioc heeft vervolgens nog drie maanden het loon van [geïntimeerde] doorbetaald, terwijl daar geen hogere opleidingsvergoeding of commerciële tegenprestatie tegenover stond.

7.15.

Het hof stelt voorop dat in artikel 7:611 BW, waarin het beginsel van goed werkgeverschap is neergelegd, de algemene eisen van redelijkheid en billijkheid, zoals neergelegd in artikel 6:2 en 6:248 BW voor het arbeidsrecht uitdrukking vinden.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat een arbeidsovereenkomst moet worden nageleefd. Een in deze arbeidsovereenkomst neergelegd opleidingsbeding kan alleen (geheel of gedeeltelijk) buiten toepassing worden gelaten indien de (integrale) toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

7.16.

Voor de beantwoording van de vraag of een beroep op het door partijen in de derde arbeidsovereenkomst opgenomen opleidingsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zijn, gelet op de stellingen van partijen, ook de twee eerdere arbeidsovereenkomsten tussen partijen en de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen van belang. In zoverre faalt de eerste grief in principaal appel.

7.17.

Het hof stelt vast dat het opleidingsbeding in de derde arbeidsovereenkomst is gewijzigd in het nadeel van [geïntimeerde] ten opzichte van het opleidingsbeding in de eerste arbeidsovereenkomst. Het opleidingsbeding in de eerste arbeidsovereenkomst geeft Lioc alleen aanspraak op een vergoeding wanneer [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst beëindigt. Het opleidingsbeding in de derde arbeidsovereenkomst geeft Lioc ook aanspraak op een vergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst door Lioc of een einde van rechtswege.

Lioc heeft ter rechtvaardiging van de voor [geïntimeerde] nadelige wijziging van het opleidingsbeding het volgende aangevoerd. Lioc stelt dat deze wijziging zijn oorsprong vindt in de tweede arbeidsovereenkomst. Zij stelt dat uit het opleidingsbeding in de tweede overeenkomst volgt dat Lioc ook aanspraak heeft op een opleidingsvergoeding bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door Lioc of een einde van rechtswege en dat deze wijziging heeft plaatsgevonden vanwege de teleurstellende prestaties van [geïntimeerde] in het eerste jaar. Voorts stelt Lioc dat deze wijziging met [geïntimeerde] is besproken en dat hij daarmee heeft ingestemd.

[geïntimeerde] betwist dat uit het gewijzigde opleidingsbeding in de tweede arbeidsovereenkomst volgt dat Lioc ook aanspraak heeft op een opleidingsvergoeding bij een einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege. [geïntimeerde] stelt dat onder de woorden “na beëindiging” in het opleidingsbeding in de tweede arbeidsovereenkomst geen einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege valt. Voor een beëindiging is volgens [geïntimeerde] een actieve handeling vereist. [geïntimeerde] betwist tevens dat de wijziging in de tweede arbeidsovereenkomst met hem is besproken en dat hij daarmee heeft ingestemd. [geïntimeerde] erkent dat hem in de laatste week van het eerste jaar is meegedeeld dat hij in het eerste jaar onvoldoende progressie heeft gemaakt, maar betwist dat hij niet goed heeft gefunctioneerd.

7.18.

Het hof stelt voorts vast dat de derde arbeidsovereenkomst is geëindigd doordat Lioc de arbeidsovereenkomst niet wenste te verlengen. Hierdoor is [geïntimeerde] niet in de gelegenheid gesteld de investering van Lioc in hem terug te verdienen en gebruik te maken van de in het opleidingsbeding opgenomen kwijtscheldingsregeling.

Lioc heeft ter rechtvaardiging van dit feit het volgende aangevoerd. Lioc stelt dat het aan [geïntimeerde] te wijten is dat zijn dienstverband bij Lioc is geëindigd. Lioc stelt dat [geïntimeerde] niet goed functioneerde en dat zij hem reeds halverwege de tweede arbeidsovereenkomst heeft meegedeeld dat zij in verband daarmee de tweede arbeidsovereenkomst niet wilde verlengen. Lioc heeft [geïntimeerde] alleen een derde arbeidsovereenkomst aangeboden om [geïntimeerde] in staat te stellen zijn opleiding af te ronden en een baan als octrooigemachtigde te krijgen.

[geïntimeerde] betwist deze stellingen van Lioc.

7.19.

Voor het oordeel omtrent de aanvaardbaarheid van een beroep op een contractueel beding is de aard van de onderhavige overeenkomst, een arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer in een relatie van ondergeschiktheid ten opzichte van zijn werkgever staat en economisch van de werkgever afhankelijk is, van belang. Voorts is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC2816, ten aanzien van een opleidingsbeding op grond waarvan het tijdens de opleiding ontvangen loon door de werknemer diende te worden terugbetaald, heeft overwogen dat de werkgever onder omstandigheden in strijd met de goede trouw zal handelen, als hij de werknemer op grond van de getroffen regeling aan terugbetaling van de ontvangen loonbedragen houdt, wanneer hij zelf het initiatief tot beëindiging van de dienstbetrekking van de werknemer heeft genomen. Voorts heeft de Hoge Raad in dit arrest overwogen dat een zodanige regeling alleen een verplichting tot terugbetaling meebrengt indien deze voor de werknemer zo ernstige consequentie duidelijk aan hem uiteen is gezet. Het hof acht deze voorwaarden voor terugbetaling van overeenkomstige toepassing op een opleidingsbeding als het onderhavige, op grond waarvan alleen de kosten van de opleiding zelf dienen te worden terugbetaald en niet het tijdens de opleiding ontvangen loon, met dien verstande dat het terugvorderen van alleen de kosten van de opleiding zelf minder snel ontoelaatbaar moet worden geacht dan het terugvorderen van loon dat is genoten gedurende de opleidingsperiode.

7.20.

In beginsel moeten de omstandigheden waarvan het slagen van een verweer dat een beroep op een contractueel beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is afhankelijk is, op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv worden gesteld en bewezen door degene die dit verweer voert, in dit geval [geïntimeerde]. Het hof heeft hierboven in r.o. 7.17. en 7.18. geconstateerd dat het opleidingsbeding gedurende het dienstverband door Lioc in het nadeel van [geïntimeerde] gewijzigd is en dat [geïntimeerde] door Lioc niet in de gelegenheid is gesteld de opleidingskosten terug te verdienen, omdat Lioc de arbeidsovereenkomst niet wilde verlengen. Deze feiten staan vast en behoeven geen nader bewijs. Gelet op deze feiten en op hetgeen het hof hierboven in r.o. 7.19. heeft overwogen, is het hof (voorshands) van oordeel dat het beroep van Lioc op het opleidingsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, tenzij Lioc tegenbewijs kan leveren door haar stellingen - zoals de stelling van Lioc dat [geïntimeerde] slecht functioneerde, dat daarom de tweede overeenkomst is aangepast en de wijziging in de tweede overeenkomst met [geïntimeerde] is besproken - ter rechtvaardiging van deze feiten aannemelijk te maken. Het hof zal Lioc in de gelegenheid stellen dit tegenbewijs te leveren.

7.21.

Het hof houdt in afwachting van de bewijslevering iedere verdere beslissing aan.

8 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

laat Lioc toe tegenbewijs te leveren als bedoeld in r.o. 7.20.;

bepaalt, voor het geval Lioc bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 6 mei 2014 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de maanden juni, juli, augustus en september 2014;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van Lioc tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.J. Minnaar en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 april 2014.