Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1137

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
HD 200.096.332-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering tot herroeping, art. 382 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 382, geldigheid: 2014-04-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.096.332/01

arrest van 22 april 2014

in de zaak van

1 [de man],

2. [de vrouw],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers tot herroeping,

advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg (Limburg)

tegen

Obvion N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. B. Lynen te Kerkrade,

op de bij exploot van dagvaarding van 18 oktober 2011 ingeleide vordering tot herroeping van het door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen arrest van 12 juli 2011 tussen eisers – [appellanten c.s.] – als appellanten en gedaagde – Obvion – als geïntimeerde.

1 Het arrest van 12 juli 2011 (zaaknr. HD 200.059.265)

1.1.1. Dit arrest werd gewezen op een door [appellanten c.s.] ingesteld hoger beroep tegen het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 135933/HA ZA 08-1400 gewezen vonnis van 9 december 2009 tussen [appellanten c.s.] als eisers en Obvion als gedaagde.

1.1.2. Bij het arrest van 12 juli 2011 (prod. 4 dag. tot herroeping) werd het vonnis van de rechtbank van 9 december 2009 - houdende de afwijzing van de vorderingen van [appellanten c.s.] - bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.

2 Het geding in de herroepingsprocedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tot herroeping (met 45 producties);

- de conclusie van antwoord van Obvion (met 8 producties, waarvan prod. 1 de inleidende dagvaarding in eerste aanleg van [appellanten c.s.] met de daarbij behorende producties);

- de conclusie van repliek (met 6 producties, prod. 46 t/m 51 A-P);

- de conclusie van dupliek (met 2 producties, prod. 9 en 10);

- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de bij H12 formulieren d.d. 18 februari 2014 door [appellanten c.s.] en door Obvion toegezonden producties (voor [appellanten c.s.] de producties 52 t/m 56 en voor Obvion de producties 11 t/m 17), die door partijen bij het pleidooi in het geding zijn gebracht.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

3 De gronden van de vordering tot herroeping

Voor de tekst van deze gronden wordt verwezen naar de dagvaarding tot herroeping.

4 De beoordeling

4.1.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. [appellanten c.s.] hebben in eigendom bezeten de woning staande en gelegen te [woonplaats] aan de [perceel] (verder: de woning). Voor deze woning hadden [appellanten c.s.] op of omstreeks 7 april 2000 bij ABP Hypotheken N.V. (verder: ABP) een hypothecaire geldlening afgesloten. Obvion is de rechtsopvolgster van ABP (inl. dagv. 1e aanleg [appellanten c.s.] en inl. dagv [appellanten c.s.] tot herroeping).

  2. Eind 2000 hadden [appellanten c.s.] een zodanige achterstand in de betalingsverplichtingen terzake de hypotheek dat ABP daarvan melding heeft gedaan aan het BKR, dit na een tweetal waarschuwingen aan [appellanten c.s.] dat bij niet betaling van de achterstand tot zodanige melding zou worden overgegaan.

  3. In april 2001 hebben [appellanten c.s.] met ABP onderhandeld over een verhoging van de hypothecaire geldlening. Dit heeft, na een tweetal brieven van resp. 18 april 2001 en 10 mei 2001 van ABP aan Ploem (prod. 3 [appellanten c.s.] eerste aanleg, tevens prod. 3 [appellanten c.s.] herooepingsprocedure), geresulteerd in een offerte met bijlagen (prod. 4 [appellanten c.s.] eerste aanleg) die door ABP per fax is toegezonden aan [Adviesgroep] Adviesgroep. Op bladzijde 2 van het faxbericht is onder meer vermeld: “Voor alle aanvullende eisen voor het verstrekken van deze lening verwijzen wij u naar de bijlage.” In de begeleidende brief op p.1 van het faxbericht is het verzoek opgenomen: “Graag ontvangen wij een door uw cliënt ondertekend exemplaar met de eventueel nog ontbrekende bescheiden voor 8 juni retour”. Aan ABP is een door [appellanten c.s.] op 29 mei 2001 ondertekende acceptatie van de offerte verstrekt (prod. 5 inl. dagv. eerste aanleg). Die verklaring bevat onder meer de zinsnede: “verklaart (verklaren) de in deze offerte genoemde leningsvoorwaarden te hebben ontvangen en daarvan kennis te hebben kunnen nemen.” .

  4. Een van de voorwaarden die aan het aanbod van ABP tot verhoging van de hypothecaire geldlening was verbonden was de voorwaarde: “Ingaande de maand juni 2001 dienen de verschuldigde termijnen voldaan te worden. Blijft u in gebreke dan vervalt deze offerte.”

  5. [appellanten c.s.] hebben in juni en juli 2001 geen termijnbetalingen gedaan en bij brief van 3 augustus 2001 (prod. 8 [appellanten c.s.] eerste aanleg) heeft ABP aan [appellanten c.s.] onder meer bericht: “ (...) Verder delen wij u mede dat wij onze offerte van 18 mei 2001 niet meer gestand kunnen doen daar u uw maandelijkse verplichtingen jegens ons – ondanks de schriftelijk en persoonlijk afspraak – niet bent nagekomen.”

  6. In een brief van 12 november 2001 (prod. 7 concl.v.antw. herroepingsprocedure) hebben [appellanten c.s.] zich nogmaals tot ABP gewend met het verzoek alsnog de verhoging van de hypotheek te laten plaatsvinden als voorgesteld in de offerte van 18 mei. In die brief schrijft [appellant 1.] onder meer: “(..) Zoals ik u reeds eerder berichtte heb ik in juni jl. niet aan de afgesproken verplichtingen kunnen voldoen, omdat de belastingdienst middels een beslag dreigde de openstaande schuld te incasseren. (...)”.

  7. Voormelde brief van 3 augustus 2001 had verder betrekking op een door ABP op 6 juli 2001 aan de notaris gegeven opdracht tot openbare verkoop van de woning wegens de achterstand in de termijnbetalingen. Na een aanzuivering van de achterstand in de termijnbetalingen door een door de Kredietbank Limburg op 27 september 2001 ‘per omgaande’ aangekondigde en door ABP op 1 oktober ontvangen betaling van een bedrag van f 46.516,50, heeft ABP aan de notaris bij brief van 3 oktober 2001 meegedeeld dat de achterstand was aangezuiverd en zij van de openbare verkoop afzag.

  8. Bij brief van 27 november 2001 heeft Fortis Bank, refererend aan een brief van [appellanten c.s.] van 12 november 2001, aan [appellanten c.s.] te kennen gegeven dat zij een aanvraag van [appellanten c.s.] voor een hypothecaire financiering niet in behandeling kon nemen vanwege een negatieve uitkomst van de BKR-toetsing, te weten een negatieve codering geregistreerd door ABP (arrest 11 juli 2011, r.o. 4.1 onder k).

  9. Op 11 december 2002 is de woning alsnog bij openbare verkoop verkocht.

4.1.2.

In het door [appellanten c.s.] tegen Obvion aanhangig gemaakte geding (dat uiteindelijk heeft geresulteerd in voormeld arrest van 12 juli 2011) vorderden [appellanten c.s.]in eerste aanleg, kort samengevat :
1. een verklaring voor recht dat ABP door het uiteindelijk niet verstrekken van de hypotheekverhoging (toev. hof: volgens de offerte als hiervoor vermeld in r.o. 4.1.1 onder d) ernstig tekort was geschoten in haar verplichtingen jegens [appellanten c.s.] althans ernstig onrechtmatig had gehandeld jegens [appellanten c.s.],

2. vergoeding door Obvion van de door [appellanten c.s.] dientengevolge geleden schade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

4.1.3.

De rechtbank heeft voormelde vorderingen afgewezen. De rechtbank overwoog dat vaststond dat [appellanten c.s.] niet hadden voldaan aan de voorwaarde om de termijnen vanaf juni 2001 te voldoen en dat ABP daarom niet meer gehouden was de aanvullende lening te verstrekken. De rechtbank verwees in het bijzonder naar het slot van de aanvullende voorwaarden waarin was vermeld: “Mocht blijken dat tussen het uitbrengen van deze offerte en het passeren van de akte wij onregelmatigheden constateren in uw betalingen aan ABP Hypotheken, (...) dan komt onze offerte in zijn geheel te vervallen (...)”. De rechtbank overwoog dat [appellanten c.s.] daarom geen beroep konden doen op de geldigheidsduur van de offerte (r.o. 4.5 vs rb). Ten aanzien van BKR registratie overwoog de rechtbank dat [appellanten c.s.] onvoldoende hadden gesteld dat de melding op onjuiste gronden was gedaan en evenmin voldoende voor het voetlicht hadden gebracht dat zij als gevolg van de melding schade hadden geleden.

4.1.4

In hoger beroep voerden [appellanten c.s.] drie grieven aan en vermeerderden zij hun vorderingen met een verklaring voor recht dat de aanvullende voorwaarden niet van toepassing waren geworden dan wel, voor het geval het hof dat standpunt niet zou honoreren, vernietiging van de bedingen als geformuleerd in de laatste twee alinea’s van die voorwaarden.

4.1.5.

Het hof verwierp in zijn arrest van 12 juli 2011 de door [appellanten c.s.] aangevoerde (drie) grieven en wees het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.. Het hof

  • -

    achtte de voorwaarde dat [appellanten c.s.] met ingang van juni 2001 de verschuldigde hypotheektermijnen dienden te voldoen niet onredelijk (r.o. 4.4.4);

  • -

    deelde het oordeel van de rechtbank dat het niet voldaan zijn aan die voorwaarde meebracht dat APB de offerte voor de hypotheekverhoging niet meer gestand hoefde te doen (r.o. 4.4.4);

  • -

    verwierp het standpunt van [appellanten c.s.] dat de aanvullende voorwaarden geen deel uitmaakten van de overeenkomst, althans de offerte, vanwege het feit dat [appellanten c.s.], naar zij stelden, pagina 10 van de aan [Adviesgroep] Adviesgroep toegezonden fax niet zouden hebben ontvangen. Het hof overwoog dat, zo dit al het geval zou zijn geweest, dit een omissie is geweest van [Adviesgroep] Adviesgroep die voor rekening van [appellanten c.s.] zelf komt omdat [Adviesgroep] Adviesgroep hun tussenpersoon was . Bovendien hadden [appellanten c.s.] volgens het hof uit bladzijde 2 van het faxbericht eveneens kunnen opmaken dat ABP aanvullende eisen stelde en had het, als die aanvullende voorwaarden geen onderdeel uitmaakten van de aan hen per post toegezonden stukken, op hun weg gelegen daarnaar nader te informeren (r.o. 4.4.2);

  • -

    overwoog dat ABP een BKR melding van achterstand vanaf januari 2001 van meer dan vier maanden heeft gedaan en dat ABP daartoe ook was gehouden, zodat die melding niet onterecht was (r.o. 4.5.2). Het hof overwoog voorts dat [appellanten c.s.] hun stelling, dat tussen 27 september en 1 oktober 2001 niets had opengestaan bij ABP en ABP daarom een herstelmelding had moeten doen, onvoldoende gemotiveerd had onderbouwd. Het hof overwoog dat het op de weg van [appellanten c.s.] had gelegen gegevens van BKR over te leggen waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat de door [appellanten c.s.] gestelde regels in 2001 daadwerkelijk bestonden en ABP die had overtreden (r.o. 5.5.3).

4.2.1.

Art. 382 Rv geeft de mogelijkheid tot herroeping van een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan onder meer indien het berust op bedrog door de wederpartij in de procedure gepleegd of indien door toedoen van de wederpartij stukken van beslissende aard zijn achtergehouden. Het moet derhalve gaan om een door de wederpartij willens en wetens bewerkstelligde verkeerde voorstelling van zaken die van doorslaggevende betekenis is geweest voor de afloop van de procedure. Het hof zal de door [appellanten c.s.] aangevoerde gronden naar deze maatstaf beoordelen.

4.2.2.

Als eerste grond voeren [appellanten c.s.] aan dat Obvion bedrog heeft gepleegd door te verzwijgen dat in de algemene voorwaarden is bepaald dat betaling van de maandelijkse termijnen achteraf diende te geschieden. Ten aanzien van deze grond stelt Obvion terecht dat, ook indien een maandtermijn achteraf verschuldigd is en [appellanten c.s.] de maand juni 2001 pas aan het einde van die maand zouden hebben hoeven voldoen, dit onverlet laat dat [appellanten c.s.] in gebreke zijn gebleven met de aan de offerte verbonden verplichting om vanaf juni 2001 de maandelijkse termijnen te voldoen. Noch eind juni 2001 noch in een van de eerstvolgende maanden is door [appellanten c.s.] immers enige maandtermijn betaald. Deze grond is daarmee voor de door de rechtbank en het hof gegeven beslissing niet relevant en voldoet niet aan de hiervoor geformuleerde maatstaf. Deze door [appellanten c.s.] aangevoerde grond stuit bovendien af op het feit dat [appellanten c.s.] zelf over de algemene voorwaarden beschikten en daarnaar zelf hadden kunnen verwijzen. Zij waren daarvoor niet afhankelijk van enige mededeling van Obvion. Door [appellanten c.s.] is geen enkele grond aangevoerd waarom hier op Obvion niettemin een mededelingsverplichting zou hebben gerust waarvan het opzettelijk verzwijgen op de voet van het bepaalde in art. 3:44 BW op een lijn met bedrog zou moeten worden gesteld. Evenmin zijn door [appellanten c.s.] feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden geconcludeerd tot enige opzettelijk zwijgen van Obvion.

4.2.3.

Als tweede grond stellen [appellanten c.s.] dat de heer [mederker van Adviesgroep] van [Adviesgroep] Adviesgroep niet hun tussenpersoon was. Ook deze stelling stuit reeds af op het feit dat het hof in het arrest van 12 juli 2011 in r.o. 4.4.2 aan het slot er mede op heeft gewezen dat [appellanten c.s.] naar die aanvullende eisen hadden moeten informeren en dat hebben nagelaten, uit welke toevoeging moet worden geconcludeerd dat het hof ook om die reden de stelling van [appellant 1.] inzake de niet de ontvangen pagina niet relevant achtte voor de toepasselijkheid van de gestelde voorwaarden. Door Obvion is bovendien terecht gewezen op het feit dat blijkens het proces-verbaal van het pleidooi in hoger beroep op 10 mei 2011 (prod. 7 concl. v. antw. herroepingsprocedure) [appellant 1.] zelf de heer [mederker van Adviesgroep] van [Adviesgroep] Adviesgroep zijn tussenpersoon noemde. Bij die gelegenheid stelde voorts ook de advocaat van [appellanten c.s.] dat [mederker van Adviesgroep] optrad als hulppersoon van [appellanten c.s.] Van enig bedrog door Obvion dat tot de conclusie van het hof heeft geleid dat [Adviesgroep] Adviesgroep de tussenpersoon was voor [appellanten c.s.] is dan ook niet gebleken.

4.2.4.

Als derde grond voeren [appellanten c.s.] aan dat een aantal door ABP voor een hypotheekverhoging gestelde voorwaarden gefingeerd en niet ter zake doende was. Nu het oordeel van het hof in het arrest van 12 juli 2011 niet berust op een niet voldaan zijn aan die door [appellanten c.s.] in de dagvaarding tot revisie besproken voorwaarden, kan ook deze grond geen doel treffen.

4.2.5.

Ook de vierde door [appellanten c.s.] aangevoerde grond - Obvion heeft verzwegen dat de kosten van de op 11 oktober 2001 niet doorgegane veiling voor hun rekening waren - betreft geen omstandigheid waarop enige beslissing van het hof in het arrest van 12 juli 2011 berust en kan om die reden geen doel treffen. Ook van enige invloed van deze stelling van [appellanten c.s.] op de beslissing ten aanzien van grief 3 (de vraag of ABP wel of niet een herstelmelding had moeten doen) blijkt niet uit het arrest van het hof van 12 juli 2011. In dat arrest gaat het hof in r.o. 4.5.3 alleen uit van een door een nieuwe termijn opnieuw ontstane schuld en wijst, zoals hiervoor gerelateerd in r.o. 4.1.4, de vordering voorts af op grond van een onvoldoende gemotiveerde onderbouwing door [appellanten c.s.] van enige verplichting van ABP ter zake een herstelmelding. Overigens blijkt uit de productie waarnaar [appellanten c.s.] in dit verband verwijzen (prod. 16 dagv. tot herroeping) niet hetgeen door [appellanten c.s.] wordt gesteld. Onder 4.1 van de desbetreffende productie - een beslissing van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen van 7 oktober 2005 - wordt alleen het standpunt van [appellanten c.s.] weergegeven en vervolgens geconcludeerd dat [appellanten c.s.] in hun klacht daarover niet kunnen worden ontvangen omdat zij deze niet tijdig hebben ingesteld.

4.2.6.

Ook de vijfde door [appellanten c.s.] aangevoerde grond staat niet in enig oorzakelijk verband met de door het hof in het arrest van 12 juli 2011 gegeven beslissing. In dat arrest oordeelde het hof dat het op de weg van [appellanten c.s.] had gelegen om te concretiseren dat en waarom er voor ABP een verplichting tot het doen van een herstelmelding was waaraan door ABP niet is voldaan. Met de enkele verklaring van de heer [medewerker van Obvion] (Obvion) bij het pleidooi in hoger beroep op 10 mei 2011 - “Ik weet niet of ABP na de zuivering van de achterstand een herstelmelding heeft gedaan. Ik weet niet of dit in 2001 reeds verplicht was. Inmiddels zijn de regels gewijzigd.” - heeft dat niets van doen evenmin als met de vraag of de regels - en zo ja, welke - wel of niet zijn gewijzigd. Ook in deze herroepingsprocedure is door [appellanten c.s.] niet nader onderbouwd dat en waarom ABP na de aanzuivering van de achterstand door de op 27 september 2001 door de Kredietbank Limburg aangekondigde overmaking van een bedrag van f 46.516,50 tot een herstelmelding gehouden was. Uit het antwoord van mevrouw [medewerkster van BKR] van BKR bij e-mail van 20 juli 2011 op een e-mail van [appellanten c.s.] van 18 juli 2011 (prod. 19 dagv. tot herroeping) blijkt dat niet. In die reactie schrijft mevrouw [medewerkster van BKR] niet meer dan dat er met betrekking tot artikel 26, lid 2 of 3 van het Algemeen Reglement BKR geen wijziging is geweest. In de vraagstelling van [appellanten c.s.] wordt bovendien, in overeenstemming met een door [appellanten c.s.] overgelegde tekst van de desbetreffende bepaling (prod. 20 dagv. tot herroeping), verwezen naar een verplichting om binnen 4 weken - en dus niet onmiddellijk - na gehele zuivering een herstel mededeling door te geven. Dat die verplichting ook blijft bestaan indien in de tussentijd opnieuw een achterstand is ontstaan, blijkt uit de door [appellanten c.s.] verstrekte gegevens niet. Evenmin blijkt daaruit dat na een herstelmededeling vier maanden lang geen nieuwe achterstand zou mogen worden geregistreerd. Dit klemt temeer nu [appellanten c.s.] niet de stelling van Obvion heeft betwist dat ook bij een herstelmelding de registratie nog vijf jaren voortduurt. Gelet op de erkenning van [appellanten c.s.] bij het pleidooi in het hoger beroep (zie p-v, prod.7 concl. v. antw. herroepingsprocedure) dat later in oktober 2001 weer een achterstand is ontstaan, was een dergelijke toelichting wel nodig geweest ter onderbouwing van het standpunt van [appellanten c.s.] Afgezien van het voorgaande hebben [appellanten c.s.] voorts niet, althans niet voldoende gemotiveerd gesteld dat [medewerker van Obvion] met zijn verklaring omtrent een gewijzigd zijn van de regels willens en wetens in strijd met de waarheid heeft verklaard.

4.2.7.

De zesde grond borduurt voort op de vijfde in die zin dat [appellanten c.s.] [medewerker van Obvion] en de advocaat van Obvion verwijten dat zij bij het pleidooi in hoger beroep hebben gesproken over een al direct begin oktober 2001 weer ontstaan zijn van achterstalligheid in de betalingen. Volgens [appellanten c.s.] is die achterstand eerst later in oktober 2001 ontstaan omdat de nieuwe termijn pas aan het einde van de maand verschuldigd was. Ook ten aanzien van deze grond stellen [appellanten c.s.] niets omtrent een willens en weten onjuist verklaren door [medewerker van Obvion] noch over de relevantie van dit gegeven voor de beslissing van het hof. Bovendien is ook een pas eind oktober 2011 ontstane nieuwe achterstand een achterstand binnen vier weken na ontvangst door ABP van de aanzuivering van de eerdere achterstand. Verder geldt ook hier dat deze grond niet afdoet aan de overweging van het hof dat [appellanten c.s.] onvoldoende hebben onderbouwd dat onmiddellijk na de zuivering een herstelmededeling had moeten zijn gedaan en de eerste vier maanden nadien geen nieuwe achterstand had mogen worden gemeld. Tot slot geldt hier eveneens de door [appellanten c.s.] niet gemotiveerd betwiste stelling van Obvion dat de BKR registratie van de achterstalligheid in de betalingen ook na een herstelmelding vijf jaren doorloopt. De zesde grond voldoet derhalve niet aan de maatstaf voor een herroeping.

4.2.8.

De zevende grond - dat Obvion in strijd met de waarheid beweert dat zij zich inspant om openbare verkopen te voorkomen - heeft met de beslissing in het arrest van 12 juli 2011 evenmin van doen. In die procedure ging het immers uitsluitend om de vraag of ABP al dan niet onzorgvuldig had gehandeld door de offerte voor een verhoging van de hypotheek niet meer gestand te willen doen en/of door geen herstelmelding te doen aan BKR van de aanzuivering eind september/ 1 oktober 2001 van de achterstand in de termijnbetalingen. Ook deze grond kan [appellanten c.s.] derhalve niet baten.

4.2.9.

Bij conclusie van repliek hebben [appellanten c.s.] zich verder nog beroepen op bedrog van Obvion in de veilingakte van de uiteindelijke openbare verkoop op 11 december 2002 (prod. 46 repliek herroepingsprocedure). [appellanten c.s.] stellen dat in die akte de bepaling is opgenomen dat de hypotheekakte een huurbeding bevat, dat de verkoper instaat voor zijn bevoegdheid het huurbeding in te roepen maar het inroepen van het beding overlaat aan de koper. Volgens [appellanten c.s.] is voor het inroepen van een huurbeding bij woonruimte echter verlof van de voorzieningenrechter vereist en is zodanig verlof nimmer door ABP/ Obvion gevraagd. Deze verdere door [appellanten c.s.] aangevoerde grond staat geheel los van de vordering waarover is beslist in de procedure die is geëindigd met het arrest van 12 juli 2001 en kan reeds daarom niet leiden tot het door [appellanten c.s.] gewenste resultaat. Overigens is de bepaling dat in de hypotheekakte een huurbeding was opgenomen niet onjuist (prod. 1 inl. dagv. [appellanten c.s.]) en blijkt, anders dan [appellanten c.s.] stellen, uit de veilingakte niet van enige suggestie dat het pand in verhuurde staat was. Onder 5 van die akte is juist vermeld dat de bank een onderzoek heeft ingesteld naar de gebruikssituatie van de woning en dat daarbij niet is gebleken dat de woning aan derden in huur of gebruik is afgestaan.

4.3.1.

Bij het pleidooi in de herroepingsprocedure is door [appellanten c.s.] nogmaals aan de orde gesteld dat ABP al op 4 (het hof leest: 6) juli 2001 opdracht aan de notaris heeft gegeven tot openbare verkoop van het pand. Dat was volgens [appellanten c.s.] niet juist om omdat zij bij achteraf verschuldigdheid van de maandtermijnen toen nog niet in gebreke waren. Zoals hiervoor al enkele malen overwogen, is voormelde opdracht niet relevant voor de vorderingen waarop in het arrest van 12 juli 2011 is beslist en ook buitendien niet relevant nu die opdracht niet tot een openbare verkoop heeft geleid. Dit nog afgezien van het in r.o. 4.2.2 al genoemde feit dat ook bij een achteraf verschuldigd zijn van een maandtermijn de termijn van juni 2001 op 6 juli 2001 al vervallen was.

4.3.2.

Bij voormeld pleidooi hebben [appellanten c.s.] verder nog de vraag opgeworpen òf Obvion wel rechtsopvolgster was van ABP en òf zij wel rechtsgeldig de hypothecaire vordering van ABP gecedeerd had gekregen. Nu in de procedure die is geëindigd met het arrest van dit hof van 12 juni 2011 dit het uitgangspunt van [appellanten c.s.] zelf is geweest, doen die vragen in deze herzieningsprocedure niet ter zake, zodat het hof aan die vragen voorbij gaat. Ook aan verdere verwijten van [appellanten c.s.] aan het adres van Obvion, die niet de vorderingen betreffen waarop in het arrest van 12 juli 2011 is beslist, gaat het hof als niet terzake dienende voorbij.

4.4.

Op grond van het hiervoor overwogene zal de vordering van [appellanten c.s.] tot herroeping van het arrest van dit hof van 12 juli 2011 worden afgewezen. [appellanten c.s.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten van het geding tot herziening.

5 De uitspraak

Het hof:

wijst de vordering tot herroeping van het door dit hof onder zaaknummer HD 200.059.265 gewezen arrest van 12 juli 2011 af;

veroordeelt [appellanten c.s.] in de proceskosten van de herroepingsprocedure, welke kosten tot op heden aan de zijde van Obvion worden begroot op € 649,= aan verschotten en op € 2.682,= aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, H.A.G. Fikkers en Th. Groenewald en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 april 2014.