Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1130

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
18-04-2014
Zaaknummer
20-004430-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Begrip ‘houder’ – art. 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004430-11

Uitspraak : 16 april 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Middelburg van 25 november 2011 in de strafzaak met parketnummer 82-144765-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van overtreding van artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren veroordeeld tot een geldboete van 1000,- euro, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, waarvan 500,- euro, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen ten laste is gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van 500,- euro, subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

De verdachte heeft vrijspraak, subsidiair oplegging van een lichtere straf bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 november 2010 te Burgh-Haamstede, in elk geval in Nederland, als houder van een of meer dieren, te weten 5, in elk geval een aantal paarden, op een weiland gelegen naast de kruising van de [weg 1] en de [weg 2], en/of drie paarden zich bevindende achter de woning aan de [woonadres] aldaar, (telkens) aan dat/die paard(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers

- stond(en) dat/die paard(en) op een zeer drassig stuk grond terwijl dat/die paard(en) zich niet kon(den) beschermen tegen regen wind of zonneschijn en/of

- was de grond waarop dat/die paard(en) zich bevonden zodanig drassig en/of nat dat dat/die paard(en) niet droog kon(den) staan en/of liggen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 november 2010 te Burgh-Haamstede als houder van dieren, te weten 5 paarden, op een weiland gelegen naast de kruising van de [weg 1] en de [weg 2], en drie paarden bevindende zich achter de woning aan de [woonadres] aldaar, telkens aan die paarden de nodige verzorging heeft onthouden, immers

- was de grond waarop die paarden zich bevonden zodanig drassig en nat dat die paarden niet droog konden liggen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de verdachte aangevoerd dat hij niet de houder van de paarden was. Daarnaast heeft hij betwist dat aan de paarden de nodige verzorging werd onthouden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De eerste vraag die het hof dient te beantwoorden is of verdachte als houder van de paarden kan worden aangemerkt.

Uit het onderzoek is gebleken dat ten tijde van het ten laste gelegde drie van de aangetroffen paarden eigendom waren van[dochter 1], een dochter van verdachte, vier van de aangetroffen paarden eigendom waren van[dochter 2], eveneens een dochter van verdachte. en een van de aangetroffen paarden, de pony, eigendom was van [persoon 1].

Het hof overweegt dat naast de eigenaar ook anderen als houder van dieren kunnen worden aangemerkt. Of een persoon als houder kan worden aangemerkt moet worden beoordeeld naar de feiten en omstandigheden van het geval.

Verdachte heeft onder meer ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zijn dochters primair verantwoordelijk waren voor de dagelijkse verzorging van de in de tenlastelegging bedoelde paarden, bestaande uit het voederen van de paarden en het uitmesten van de verblijven. Voorts heeft hij verklaard dat hij degene was die verantwoordelijk was voor de huisvesting van deze paarden, waaronder niet alleen is te verstaan de stalling maar ook het land waarop de paarden zich bevonden, alsmede voor de staat waarin die huisvesting verkeerde. Daarnaast betaalde hij voor de paarden die eigendom waren van zijn dochters de kosten die verbonden waren aan het houden van de paarden, zoals de aanschaf van de paarden, de kosten voor het voer en de dierenarts.

Het zorgdragen voor de juiste huisvesting is een essentieel onderdeel van het houden van paarden. Gelet op de omstandigheid dat verdachte hiervoor verantwoordelijk was alsmede gelet op de omstandigheid dat hij de kosten op zich nam, kan verdachte feitelijk als houder van de paarden worden aangemerkt.

Voor wat betreft de pony van [persoon 1] kan uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van [persoon 1] worden afgeleid dat verdachte ook de houder van de pony was. [persoon 1] heeft namelijk verklaard dat zij met verdachte heeft geregeld dat de pony bij verdachte kon worden geplaatst. Ook voor de pony regelde de verdachte de huisvesting.

De tweede vraag die het hof dient te beantwoorden is of aan de in de tenlastelegging genoemde paarden de nodig zorg is onthouden.

In het proces-verbaal, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (proces-verbaal nr. 62513 d.d. 28 februari 2011, blad 4 e.v.) is het volgende gerelateerd. Naar aanleiding van een klacht bevonden de verbalisanten zich op 2 november 2010 op een perceel weiland gelegen naast de kruising van de [weg 1] en de [weg 2] te Burgh-Haamstede. De weide werd onderverdeeld in vier gedeelten, afgepaald door een schrikdraad. Op de achterste weide stonden vier paarden en een pony. Op dit stuk weide stonden ook vijf zeecontainers. Op de weide was weinig of geen begroeiing aanwezig. Voor de zeecontainers was de weide zeer nat en modderig, overal stonden plassen water. Een strook van ongeveer 25 à 30 meter voor de zeecontainers was bedekt met een laag van ongeveer 30 cm dik modder. De verbalisanten zagen dat de paarden en pony zichtbaar moeite hadden met bewegen door deze laag modder. De bodem van de eerste twee zeecontainers was bedekt met een laag natte mest. Bij een zeecontainer was het dak doorgeroest, zodat de regen naar binnen kon lekken. Tevens was bij een zeecontainer de vloer doorgezakt en kapot. Bij een andere zeecontainer zaten gaten in de vloer. De verbalisanten constateerden dat de paarden en pony niet over een droge, comfortabele ligplaats konden beschikken.

Dierenarts [dierenarts] concludeert in het ”Verslag inspectie paarden [weg 1] Burgh-Haamstede d.d. 2 november 2010 14.15 uur” (bijlage 1 bij genoemd proces-verbaal) dat gezien de huisvesting aan deze vijf paarden de nodige zorg is onthouden.

Naar aanleiding van dit onderzoek zijn verbalisanten vervolgens naar de woning van verdachte aan de [woonadres] gegaan. Achter de woning stonden drie paarden gehuisvest. Op de bodem van de huisvesting lag een laag van ongeveer 15 cm modder. De verbalisanten zagen dat met een stuk plasticzeil een afdak was gemaakt. Zij zagen meerdere scheuren in dit plasticzeil. Ook de bodem onder het afdak was bedekt met een dikke laag modder. De verbalisanten relateren dat de drie paarden niet over een droge, comfortabele ligplaats konden beschikken.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat aan de paarden de nodige verzorging is onthouden.

De verweren van verdachte slagen niet.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 37 van de Gezondheids-en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft aan acht paarden de nodige verzorging onthouden. Verdachte heeft er onvoldoende zorg voor gedragen dat de paarden die voor hun verzorging - mede - van verdachte afhankelijk waren, van een droge ligplaats waren voorzien.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de Justitiële Documentatie van verdachte d.d. 5 februari 2014.

In beginsel acht het hof voor een feit als het onderhavige een onvoorwaardelijke geldboete passend en geboden. Het hof heeft echter acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft ingezien dat op 2 november 2010 de huisvesting van de paarden niet in orde was. Verdachte heeft na de ten laste gelegde periode meerdere verbeteringen aangebracht aan de huisvesting van de paarden. Zo heeft hij onder meer vijf nieuwe stallen gebouwd bij zijn woning en zijn twee paarden ondergebracht bij een manege. De pony van [persoon 1] is niet meer gehuisvest bij verdachte. Daarnaast houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de paarden in beslag zijn genomen en verdachte hoge kosten heeft moeten maken om de paarden weer terug te krijgen.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat, gelet op het vorenstaande, en ter bescherming van de bij de Gezondheids- en welzijnswet door dieren betrokken belangen, oplegging van een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van 500,- euro passend en geboden is.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof heeft rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte zoals deze ter terechtzitting is gebleken.

Verzoek tot het horen van getuigen.

De verdachte heeft verzocht een drietal getuigen te horen, te weten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], zijnde de verbalisanten, en de staatssecretaris die indertijd verantwoordelijk was voor landbouw. Het hof begrijpt het door de verdachte gedane verzoek als een voorwaardelijk verzoek in die zin dat het verzoek tot het horen van de getuigen gehandhaafd blijft indien het hof de eis van de advocaat-generaal niet zou volgen en alsnog een zwaardere straf zou opleggen dan de advocaat-generaal heeft gevorderd.

Nu het hof de vordering van de advocaat-generaal volgt behoeft geen beslissing te worden genomen op het verzoek.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. E.N. van der Spoel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.M. Spooren, griffier,

en op 16 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.