Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1120

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
13-00581
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft twee beroepen van vader en zoon. De vader is eigenaar en gebruiker van een woonboerderij en een aangrenzende woning, een voormalige schuur, die bewoond wordt door de zoon. Aan deze onroerende zaken werd aanvankelijk één huisnummer toegekend.

Beroep tegen de aanslag afvalstoffenheffing van de vader niet-ontvankelijk, omdat de vader geen grief heeft tegen de eigen aanslag afvalstoffenheffing, maar tegen de aanslag afvalstoffenheffing van de zoon. De onroerende zaak van de zoon is een afzonderlijk gebouw en is derhalve aan te merken als een perceel in de zin van de Verordening. De zoon maakt gebruik van de containers van de vader, die door de gemeente ook worden ingezameld, zodat de aanslag afvalstoffenheffing aan de zoon terecht is opgelegd.

De objectafbakening van de twee onroerende zaken is juist en de WOZ-waarden zijn niet te hoog vastgesteld.

De aanslagen rioolheffing zijn voor de twee onroerende zaken terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2014/269
V-N Vandaag 2014/900
Mr. R. van den Berg annotatie in NTFR 2014/1611

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/00581

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 8 maart 2013, nummers AWB 11/1771 en AWB 12/8, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leudal,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de na te noemen aanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 28 februari 2011 over het tijdvak 2011 met betrekking tot de percelen [a-straat] 2 en [a-straat] 2a te [woonplaats] aanslagen in de rioolheffing opgelegd voor een bedrag van € 233, respectievelijk € 233, alsmede met betrekking tot het perceel [a-straat] 2 een aanslag in de afvalstoffenheffing 2011 voor een bedrag van € 219,84.

Deze aanslagen zijn op één biljet verenigd met een tweetal beschikkingen, waarbij de Heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de onroerende zaken [a-straat] 2 en [a-straat] 2a (hierna ook: de onroerende zaken) heeft vastgesteld op € 353.000, respectievelijk € 182.000 voor het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011, per waardepeildatum
1 januari 2010.

Belanghebbende heeft bij schrijven van 15 maart 2011, tezamen met zijn zoon de heer [A] (hierna: de zoon), bezwaar gemaakt tegen de aanslagbiljetten met nummers [nummer 1] (aanslagbiljet op belanghebbendes naam) en [nummer 2] (aanslagbiljet ten name van de zoon).

De Heffingsambtenaar heeft in één geschrift, gedagtekend 30 november 2011, uitspraak gedaan op zowel het bezwaarschrift van de zoon als op dat van belanghebbende. Voor zover het belanghebbende betreft, zijn de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing gehandhaafd en is de WOZ-waarde van de onroerende zaken [a-straat] 2 en [a-straat] 2a verlaagd naar € 337.000, respectievelijk € 107.000.

1.2.

Belanghebbende is tegen deze uitspraken, in één geschrift tezamen met de zoon, in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank een griffierecht geheven van € 41.

De Rechtbank heeft uitspraak gedaan in één geschrift met twee nummers, AWB 11/1771 en AWB 12/8, onder vermelding van belanghebbendes naam. De Rechtbank heeft het beroep, voor zover dit is gericht tegen de vastgestelde WOZ-waarden van de onroerende zaken en de aanslagen rioolheffing ongegrond verklaard.

De Rechtbank heeft overwogen dat het beroep voor zover het is gericht tegen de aanslag afvalstoffenheffing ter zake van [a-straat] 2 ongegrond dient te worden verklaard, doch in het dictum vermeld dat dit beroep niet-ontvankelijk is.

1.3.

Tegen deze uitspraken van de Rechtbank heeft belanghebbende, wederom in één geschrift tezamen met de zoon, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft het hoger beroepschrift gesplitst in twee zaken met Hofkenmerknummers 13/00581 en 13/00582. Ter zake van het hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 118.
De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd. De Heffingsambtenaar heeft bij brief van 22 augustus 2013 aan het Hof bericht geen gebruik te maken van de gelegenheid tot het indienen van een conclusie van dupliek.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend.

1.6.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad op 20 februari 2014 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Heffingsambtenaar, de heren [B] en [C].

Belanghebbende is, met schriftelijk bericht, niet verschenen.

1.7.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak [a-straat] 2 te [woonplaats], in de processtukken ook wel aangeduid als ‘woonboerderij’. Belanghebbende is voorts eigenaar van de onroerende zaak [a-straat] 2a te [woonplaats], in de processtukken ook wel aangeduid als ‘woning’ of ‘voormalige schuur’.

2.2.

Aan de onroerende zaken werd aanvankelijk één huisnummer toegekend, doch bij besluit van 22 september 2010 heeft de gemeente Leudal de nummering gesplitst en aan ‘de woning’ het huisnummer 2a toegekend.

2.3.

Belanghebbende heeft tegen het in 2.2 bedoelde besluit bezwaar, beroep en hoger beroep aangetekend, stellende dat dit object “niet adresseerbaar” is. De Raad van State heeft belanghebbende bij uitspraak van 23 mei 2012, procedurenummer 201107421/A3 in het ongelijk gesteld en het volgende overwogen:

“2.3. De voormalige schuur waaraan huisnummer [a-straat] 2a is toegekend is een afzonderlijk gebouw op het achtererf van [belanghebbende] dat wordt bewoond door de zoon van [belanghebbende] en zijn gezin en beschikt over eigen woonvoorzieningen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit gebouw kan worden gekwalificeerd als eenheid van gebruik die geschikt is voor woondoeleinden.

Omtrent de ontsluiting heeft de rechtbank overwogen dat de betrokken wooneenheid wordt ontsloten door een eigen toegang vanaf het erf van [belanghebbende] en daarnaast ook kan worden ontsloten via een poort in de zijkant van het perceel welke leidt naar de openbare weg. In hetgeen [belanghebbende] in hoger beroep aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste feiten.”

2.4.

Belanghebbende heeft, als bijlage bij het bezwaarschrift, een op 8 februari 2010 door [D], Register Taxateur Bedrijfsmatig Vastgoed, verbonden aan de Belastingdienst Limburg/kantoor [E], team waardeonderzoek, opgemaakt taxatierapport overgelegd (hierna: het taxatierapport van de Belastingdienst), waarin op pagina 3 onder “ALGEMEEN het volgende is opgenomen:

“De woonboerderij met het woonhuis zijn gelegen in het buitengebied van [woonplaats], direct belendend aan het [F]”. De locatie is goed en de woningen zijn eenvoudig bereikbaar.

De woonboerderij (huisnummer 2) wordt alleen bewoond door de heer [belanghebbende]. Zijn echtgenote mw [G] heeft deze woning in januari 2004 verlaten en is in [H] aan de [b-straat] 17 gaan wonen. Tot op vandaag woont mw [G] op dit adres.

Het andere woonhuis (huisnummer 2a) wordt vanaf 1995 bewoond door het gezin van de zoon van beide voormalige echtelieden.”

2.5.

Belanghebbende heeft, als bijlage bij de conclusie van repliek, een tweetal taxatierapporten overgelegd, één betreffende de onroerende zaak [a-straat] 2 te [woonplaats] en één betreffende de onroerende zaak [a-straat] 2a te [woonplaats], opgemaakt op 28 mei 2013, naar de waardepeildatum 1 januari 2012, door mevrouw [J], Woz taxateur WOZpunt te [K] (hierna ook: de taxatierapporten [J]) . In het taxatierapport met betrekking tot [a-straat] 2a te [woonplaats] is onder meer het volgende vermeld:

“Type object: Vrijstaande woning

(…)

Bijzondere opmerkingen:

De woning [a-straat] 2a te [woonplaats], staat op een gedeeld perceel met [a-straat] 2. Door de

situering van beide woningen op hetzelfde perceel, de woningen bevinden zich dicht bij

elkaar. Van privacy is geen sprake.”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Dient de aanslag afvalstoffenheffing te worden vernietigd, nu deze heffing moet worden aangemerkt als een tijdvakheffing en de aanslag is opgelegd voor het einde van het tijdvak?

2. Dient de aanslag afvalstoffenheffing te worden vernietigd nu aan belanghebbende tevens een tweede definitieve aanslag afvalstoffenheffing is opgelegd?

3. Is de WOZ-waarde van de onroerende zaken [a-straat] 2 en [a-straat] 2a te hoog vastgesteld?

4. Dient de aanslag rioolheffing voor het object [a-straat] 2a te worden vernietigd omdat de percelen [a-straat] 2 en [a-straat] 2a voor de rioolheffing moeten worden aangemerkt als één perceel?

Belanghebbende is van mening dat de vragen bevestigend moeten worden beantwoord.
De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Heffingsambtenaar, tot vernietiging van de aanslag afvalstoffenheffing en de aanslag rioolheffing voor het perceel [a-straat] 2a en tot vermindering van de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 2a tot nihil.
De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Zoals hiervoor onder 1.3 vermeld heeft het Hof het door belanghebbende tezamen met zijn zoon in één geschrift ingediende hoger beroepschrift gesplitst in twee zaken met Hofkenmerknummers 13/00581 en 13/00582. Het Hof heeft aanvankelijk abusievelijk het Hofkenmerknummer13/00581 ten name van de zoon geadministreerd, terwijl dit Hofkenmerknummer het hoger beroep van belanghebbende betrof. Het Hof gaat er hierna vanuit dat de zaak met het Hofkenmerknummer 13/00581 de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de aan belanghebbende opgelegde aanslagen/beschikkingen op het aanslagbiljet met nummer [nummer 1] betreft en de zaak met Hofkenmerknummer 13/00582 betrekking heeft op de uitspraak van de Rechtbank ter zake van de aan de zoon opgelegde aanslag afvalstoffenheffing op het aanslagbiljet met nummer [nummer 2].

Ten aanzien van het geschil

4.2.

Met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag oordeelt het Hof als volgt.

4.3.

De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende eerst in hoger beroep de onderhavige aanslag afvalstoffenheffing ter discussie heeft gesteld en dat dit, gelet op de leer van de formele rechtskracht, te laat is zodat belanghebbende op dit punt niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.4.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de afvalstoffenheffing op pagina 2 van het bezwaarschrift het volgende vermeld:

Afvalstoffenheffing

Grond voor het bezwaar tegen de afvalstoffenheffing is dat er twee keer afvalstoffenheffing

wordt geheven, namelijk € 219,84 voor het object met huisnummer 2 en € 126,48 voor het

object met huisnummer 2a. Zoals reeds hierboven beschreven is er sprake van één pand,

waardoor er ook maar één keer afvalstoffenheffing kan worden geheven. Daarbij komt

dat de afvalcontainers die voor het object met huisnummer 2a bedoeld zijn, niet eens

afgeleverd zijn. Hoe kan iemand afvalstoffenheffing betalen voor afvalcontainers die

hij nooit ontvangen heeft?

Cliënt en zijn gezin hebben voldoende aan de twee afvalcontainers die zij nu hebben en

hebben geen behoefte aan twee afvalcontainers extra. De afvalstoffenheffing van het

object met huisnummer 2a, namelijk € 126,48, kan daarom niet geheven worden.”

4.5.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de afvalstoffenheffing op pagina 3 van het beroepschrift bij de Rechtbank het volgende vermeld:

Afvalstoffenheffing

Vierde grond voor dit beroep is dat er ten onrechte een dubbele afvalstoffenheffing

geheven wordt. Het object met huisnummer 2a heeft namelijk nimmer vuilniscontainers

geleverd gekregen.”

4.6.

Het Hof is van oordeel dat uit de bewoordingen in het bezwaar- en het beroepschrift niets anders is af te leiden dan dat belanghebbende geen grief heeft tegen de eigen aanslag afvalstoffenheffing voor het object met huisnummer 2, de woonboerderij. De grieven van belanghebbende richten zich uitsluitend tegen de aanslag afvalstoffenheffing betreffende de woning van de zoon.

Gelet op het vorenstaande staat de aanslag afvalstoffenheffing ten name van belanghebbende onherroepelijk vast en heeft de Rechtbank belanghebbende met betrekking tot deze aanslag terecht niet-ontvankelijk in het beroep verklaard, wat er ook zij van haar overweging in de uitspraak omtrent de ongegrondheid in zoverre van het beroep. Het hoger beroep van belanghebbende is dan ook in zoverre ongegrond.

4.7.

Gelet op hetgeen het Hof heeft beslist op de eerste in geschil zijnde vraag, behoeft de tweede in geschil zijnde vraag geen behandeling meer.

4.8.

Met betrekking tot de derde in geschil zijnde vraag overweegt het Hof als volgt.

4.9.

Belanghebbende stelt dat de WOZ-waarden van de onroerende zaken te hoog zijn vastgesteld. Meer specifiek stelt hij dat de WOZ-waarde van het object [a-straat] 2a op nihil dient te worden gesteld, omdat deze woning onverkoopbaar is.

Belanghebbende voert ter onderbouwing van deze stelling aan dat [a-straat] 2a geen eigen toegang heeft vanaf de openbare weg, doch via het grondperceel toebehorende aan [a-straat] 2 wordt ontsloten, en dat [a-straat] 2a niet zelfstandig beschikt over gas, elektriciteit en water, maar hiervoor afhankelijk is van de voorzieningen in het object [a-straat] 2.
Tenslotte voert belanghebbende aan dat tussen genoemde twee woningen één gezamenlijke binnentuin ligt, hetgeen tot gevolg heeft dat de privacy met betrekking tot beide objecten zeer beperkt is.
Ter onderbouwing van zijn argumenten verwijst belanghebbende naar de in twee taxatierapporten, uitgebracht door mevrouw [J], beschreven feiten en omstandigheden (vgl. 2.5 hiervoor).

4.10.

Ingevolge het bepaalde in artikel 17, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde, die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak, in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze als waarde in het economische verkeer aan te duiden waarde komt overeen met de prijs die, bij aanbieding ten verkoop, op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Daarbij geldt als waardepeildatum 1 januari 2010.

4.11.

De Heffingsambtenaar dient, bij betwisting van de door hem vastgestelde WOZ-waarde, aannemelijk te maken dat die WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.

De Heffingsambtenaar stelt dat de WOZ-waarden van de onroerende zaken met behulp van de vergelijkingsmethode zijn bepaald, waarbij in aanmerking zijn genomen de gerealiseerde verkoopprijzen van vergelijkbare woningen (hierna: de referentieobjecten) en waarbij rekening is gehouden met verschillen in onder meer omvang, aard en ligging tussen de referentieobjecten en de onroerende zaken. Ten bewijze daarvan heeft de Heffingsambtenaar tijdens de zitting bij de Rechtbank een tweetal matrices overgelegd: één met betrekking tot de waardering van het object [a-straat] 2 en één met betrekking tot de waardering van het object [a-straat] 2a, alsmede foto’s van de onroerende zaken en de referentieobjecten.

4.12.

Gelet op hetgeen de Heffingsambtenaar aldus ter onderbouwing van de waardebepaling heeft overgelegd en toegelicht, komt het Hof tot het oordeel dat de Heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarden, zowel voor [a-straat] 2 als voor [a-straat] 2a, niet te hoog zijn vastgesteld.

4.13.

Belanghebbende voert tegenover het verweer van de Heffingsambtenaar aan dat de woningen, meer in het bijzonder [a-straat] 2a, niet afzonderlijk kunnen worden verkocht. Hetgeen belanghebbende ter onderbouwing van deze stelling aanvoert is door hem niet vertaald in een waarde. Voor zover belanghebbende zich beroept op de door hem in procedure ingebrachte twee taxatierapporten van mevrouw [J], heeft te gelden, dat deze taxatierapporten niet bevatten de WOZ-waarden naar de waardepeildatum 1 januari 2010, welke datum ten deze van belang is, zodat aan deze rapporten geen, althans onvoldoende, betekenis kan worden toegekend.

4.14.

Voor zover belanghebbende van mening is dat er sprake is van één object kan het Hof hem daarin niet volgen.

4.15.

In artikel 16 van de wet WOZ is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:

a. een gebouwd eigendom;

b. een ongebouwd eigendom;

c. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn

indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde

eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde

belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij

elkaar behoren;
(…)”

4.16.

Het Hof is van oordeel, dat gelet op de vaststaande feiten sprake is van twee afzonderlijke onroerende zaken in het kader van de Wet WOZ, die niet bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn. Blijkens zowel de door belanghebbende overgelegde taxatierapporten [J], alsook ook het taxatierapport van de Belastingdienst, is sprake van twee afzonderlijk te gebruiken objecten. Beide objecten worden als woning gebruikt: [a-straat] 2 door belanghebbende en [a-straat] 2a door belanghebbendes zoon met zijn gezin.
Ook uit de uitspraak van de Raad van State van 23 mei 2012 blijkt dat [a-straat] 2a als woning wordt gebruikt door de zoon, terwijl de woonboerderij in gebruik is bij belanghebbende.

Belanghebbende verwijst weliswaar naar een in 2010 gewijzigde huisnummering, maar het Hof overweegt ter zake dat een huisnummer op zich geen betekenis heeft voor de objectafbakening in het kader van de Wet WOZ. In dat kader is het bepaalde in artikel 16 van die wet van belang.

4.17.

Gelet op het hiervoor overwogene, dient de derde in geschil zijnde vraag ontkennend te worden beantwoord.

4.18.

Met betrekking tot de vierde in geschil zijnde vraag overweegt het Hof als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, lid 1, van de Verordening rioolheffing 2011 wordt de belasting geheven van degene, die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Op grond van het bepaalde in artikel 4, van de Verordening rioolheffing 2011 wordt een gedeelte van een perceel, dat blijkens indeling bestemd is om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, afzonderlijk in de belastingheffing betrokken.

Belanghebbende stelt dat de aanslag ter zake van het perceel [a-straat] 2a ten onrechte is opgelegd, omdat geen sprake is van een afzonderlijk perceel. Belanghebbende stelt dat [a-straat] 2a en [a-straat] 2 tezamen één perceel vormen, ter zake waarvan slechts één aanslag rioolheffing kan worden opgelegd.

4.19.

Het Hof kan belanghebbende in zijn stelling niet volgen. Zoals overwogen in 4.16 is sprake van twee afzonderlijke onroerende zaken. Gelet op hetgeen de vorenbedoelde taxatierapporten vermelden en hetgeen de Raad van State heeft beslist in de aangehaalde uitspraak kan het Hof tot geen ander oordeel komen dan dat [a-straat] 2a als een afzonderlijk geheel dient te worden aangemerkt en mitsdien kwalificeert als perceel in de zin van de Verordening rioolheffing 2011.

Niet in geschil is dat dit perceel direct of indirect is aangesloten op de riolering en dat belanghebbende eigenaar is van dit perceel.

Het Hof concludeert dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende terecht de aanslag rioolheffing 2011 ter zake van [a-straat] 2a heeft opgelegd, naast de aanslag rioolheffing ter zake van [a-straat] 2.

4.20.

Met betrekking tot de vierde in geschil zijnde vraag is het gelijk aan de Heffingsambtenaar.

Slotsom

4.21.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient, met verbetering van gronden als hiervoor vermeld, te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.22.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de gemeente Leudal aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.23.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond; en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 17 april 2014 door J. Swinkels, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en S. Bosma, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.