Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1116

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
Wr 211-03-214
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer

Registratienummer: wraking 211-03-2014

Datum uitspraak: 25 februari 2014

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van

een wrakingsverzoek van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch

op het mondelinge verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, in de strafzaak met parketnummer: 20 - 001109-11 tegen:

[verzoeker][verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres],

hierna te noemen: “de verzoeker”, bijgestaan door zijn raadsman mr. S. Demeritas, advocaat te Arnhem,

strekkende tot wraking van mr. O.M.J.J. van de Loo, mr. J.J. van der Kaaden en
mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren in de afdeling strafrecht van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch,

hierna aan te duiden als “de strafkamer”.

1 Het procesverloop

De wraking van de leden van de strafkamer is mondeling verzocht bij gelegenheid van de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting op 25 februari 2014.

De leden van de strafkamer hebben te kennen gegeven niet te berusten in de wraking.

De wrakingskamer heeft het verzoek in raadkamer in het openbaar behandeld op 25 februari 2014, in de aanwezigheid van:

  • -

    de advocaat-generaal, mr. H.C.J.M. de Goede,

  • -

    verzoeker en zijn raadsman,

  • -

    de leden van de strafkamer.

Bij die gelegenheid heeft verzoeker het wrakingsverzoek nader toegelicht en heeft zijn raadsman mede het woord gevoerd.

De voorzitter van de strafkamer, mr. Van de Loo, heeft op de zitting in raadkamer het woord gevoerd.

De advocaat-generaal heeft mondeling geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en verzocht daarbij te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.

Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van de wrakingskamer het onderzoek gesloten en, na beraad, de beslissing uitgesproken.

2 Het standpunt van verzoeker

2.1

Verzoeker heeft tijdens de zitting in raadkamer zijn verzoek toegelicht. Verzoeker heeft
- kort en zakelijk weergegeven - verklaard dat hij zich niet serieus genomen voelt en dat er onvoldoende naar hem is geluisterd door de strafkamer bij de behandeling van zijn strafzaak. Verzoeker heeft in het bijzonder medegedeeld dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om nieuwe stukken naar voren te brengen.

3 De beoordeling

3.1

Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan wraking van een bepaalde rechter worden verzocht op grond van feiten of omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een

rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een

rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.3.

Op grond van het verhandelde tijdens de zitting in raadkamer is het hof gebleken dat de door verzoeker bedoelde “nieuwe stukken” al tijdens de zitting van 10 september 2013 deel uitmaakten van het dossier. Verzoeker en zijn raadsman zijn door de strafkamer op
10 september 2013 in de gelegenheid gesteld om deze stukken van een toelichting te voorzien. Op deze terechtzitting is aan verzoeker het recht gelaten om als laatste te spreken (“het laatste woord”), waarna verzoeker mondeling de wraking heeft verzocht van de leden van de strafkamer. De voorzitter van de strafkamer heeft vervolgens het onderzoek ter terechtzitting geschorst in afwachting van de beslissing op het wrakingsverzoek.

De wrakingskamer van het hof heeft bij beslissing van 8 november 2013 (nummer 196-18-2013) het wrakingsverzoek van 10 september 2013 afgewezen en heeft daartoe onder meer overwogen: “De wrakingskamer stelt bovendien vast dat in het uitvoerige proces-verbaal van terechtzitting van de strafkamer d.d. 10 september 2013 geen aanknopingspunten te vinden zijn voor de stelling van verzoeker dat hetgeen door verzoeker en diens raadsman is aangevoerd, niet serieus zou zijn genomen door de strafkamer. Aan verzoeker is blijkens dit proces-verbaal alle gelegenheid gegeven zijn verhaal te doen.”

Op 25 februari 2014 heeft de strafkamer het onderzoek van de zaak hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 10 september 2013. De voorzitter van de strafkamer heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om als laatste te spreken. Vervolgens heeft verzoeker het woord gevoerd tot hij opnieuw een verzoek tot wraking deed van de leden van de strafkamer. Dit laatste wrakingsverzoek staat thans ter beoordeling.

3.4

In hetgeen door verzoeker is aangevoerd, zijn geen aanknopingspunten te vinden voor zijn stelling dat hij niet serieus is genomen en/of dat er niet naar hem is geluisterd door de strafkamer. Verzoeker heeft in vergelijking met zijn eerdere wrakingsverzoek van 10 september 2013 geen nieuwe gronden aangevoerd en heeft zich in de kern beperkt tot herhaling van zijn subjectieve gevoel dat hij zich niet serieus genomen voelt.

3.5

De slotsom is dat de wrakingskamer niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de

conclusie rechtvaardigen, dat de leden van de strafkamer blijk hebben gegeven van een vooringenomenheid jegens de verzoeker, dan wel dat de dienaangaande bij de verzoeker bestaande vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is.

4 Conclusie

4.1

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot wraking ongegrond is en dient te worden afgewezen.

4.2

Gelet op de omstandigheid dat het onderhavige wrakingsverzoek het tweede verzoek op rij in dezelfde strafzaak is, welke verzoeken op dezelfde, door de eerdere wrakingskamer ontoereikend geachte gronden zijn gebaseerd, is thans sprake van misbruik van wrakingsrecht. Hierin ziet de wrakingskamer aanleiding om, met toepassing van artikel 515, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek in de onderhavige strafzaak niet in behandeling zal worden genomen.

B E S L I S S I N G

Het hof:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de onderhavige strafzaak niet in behandeling wordt genomen;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, de advocaat-generaal

en de raadsheren van de strafkamer, mr. O.M.J.J. van de Loo, mr. J.J. van der Kaaden en mr. M.L.P. van Cruchten.

Aldus gedaan in raadkamer door

mr. W.H.B. den Hartog Jager, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. J. Swinkels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. van der Pijl, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014.