Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:111

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2014
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
20-001138-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wederspannigheid. Verzet bij aanhouding. Het verweer dat de aanhoudende verbalisanten niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening omdat verdachte later is vrijgesproken van het feit waarvoor de aanhouding plaatsvond, wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001138-13

Uitspraak : 20 januari 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 maart 2013 in de strafzaak met parketnummer

02-226635-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, kort gezegd: het opzettelijk niet voldoen bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een politieambtenaar.

De verdachte werd ter zake van de onder 2 ten laste gelegde wederspannigheid veroordeeld tot een geldboete van EUR 500,--, subsidiair tien dagen hechtenis, waarvan EUR 250,--, subsidiair vijf dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd en derhalve niet gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het onder 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake daarvan schuldig zal verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat de politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 mei 2012 te Goirle, toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 mei 2012 te Goirle toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren verdachte als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekte strafbare feiten hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, althans vast hadden, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden.


Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de onderstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De bewijsmiddelen 1-6 maken onderdeel uit van het dossier van de Regiopolitie Midden en West Brabant, nr. PL204C 2012135148, sluitingsdatum 23 oktober 2012, met bijlagen

1.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2012, voor zover inhoudende als
- zakelijk weergegeven - relaas van verbalisanten (p. 25-28):

Wij, verbalisanten [A], brigadier van Regiopolitie Midden en West Brabant, [B], hoofdagent van Regiopolitie Midden en West Brabant, en [C] verklaren het volgende.

Op donderdag 24 mei 2012 waren wij, verbalisanten, belast met toezicht en handhaving in het gebied Tilburg West, vallend onder het district Tilburg, Regiopolitie Midden en West Brabant. Wij waren in uniform gekleed en derhalve herkenbaar als politieambtenaren en rijdend in een opvallend politievoertuig.

Van de collega en tevens wijkagent [D], brigadier van politie Midden en West Brabant, hadden wij het verzoek gekregen om op deze dag een ambtenaar van de gemeente Goirle bij te staan bij een nacontrole van een loods behorend bij perceel [adres] te Goirle. De loods was gelegen op het genoemde perceel en stond geheel los van de woning. In de loods was door de gemeente geconstateerd dat bedrijfsmatige handelingen uitgevoerd werden, te weten herstel en onderhoud aan motorvoertuigen, terwijl hiervoor geen vergunning was afgegeven. De betreffende gemeenteambtenaar was [S].

Op woensdag 23 mei 2012 was ook al getracht de nacontrole uit te voeren. Door [verdachte] was toen ook de doorgang belet. De ambtenaar, [S], had toen besloten te vertrekken en de zaak te bespreken met de burgemeester van Goirle.

Gezien de bevindingen hiervoor beschreven, besloten wij, verbalisanten, een eenheid van de Noodhulp Tilburg als back-up in de omgeving aanwezig te laten zijn. Ik, [A], had hierop telefonisch contact met collega [C] en deelde met hem de bijzonderheden omtrent deze zaak.

Ik, [C], hield mij vervolgens op in de directe omgeving van de [straat] te Goirle. Ik was in uniform gekleed en rijdend in een opvallend politievoertuig.

Omstreeks 10:04 uur waren wij, verbalisanten [B] en [A], in het bijzijn van [S] bij het perceel [adres] te Goirle. [S] was gekleed in een jas, verstrekt door de gemeente Goirle, voorzien van een logo van de gemeente Goirle, derhalve was hij herkenbaar als ambtenaar van de gemeente Goirle.

Middels een hek aan de rechterzijde zijn wij het erf van de woning opgegaan. Ik, [A], sprak een persoon aan welke zich vervolgens desgevraagd kenbaar maakte als [verdachte]. Wij hoorden dat Jan vervolgens zei: “Eraf, je komt er niet op zonder machtiging”. Ik, [B], heb mij vervolgens aan Jan voorgesteld en heb hem medegedeeld dat wij kwamen voor de nacontrole.

Wij zagen dat op het erf een zwarte hond, te weten een bouvier, rondliep.

Ik, [A], vorderde [verdachte] ons niet te belemmeren. Wij hoorden [verdachte] vervolgens zeggen: “Hou me dan maar aan.” [verdachte] bleef roepen dat wij zijn erf af moesten gaan. Hierop heb ik, [A], [verdachte] uitgelegd dat wij bevoegd waren om op zijn grond te zijn, dat wij geen machtiging nodig hadden om de loods te controleren.

Ik, [B], heb vervolgens de bouvier welke rond en tussen ons inliep bij de halsband genomen en heb deze achter een poort, welke toegang gaf tot de tuin van de genoemde woning, gedaan.

Wij hoorden dat [verdachte] vervolgens tegen ons begon te schreeuwen. Wij hoorden dat hij zei: “Waar staat dat dan, laat maar zien dan.” Ik, [A], heb vervolgens tegen [verdachte] verteld dat wij dit niet aan hoefden te tonen. Hierop heb ik, [A], tegen [S] gezegd dat hij de controle in de loods uit kon gaan voeren. Wij zagen dat [S] in de richting van de loods liep.

Wij, verbalisanten [B] en [A], bleven vervolgens trachten om middels een gesprek de-escalerend op te treden en de emoties te doen bedaren. Wij hoorden dat [verdachte] tegen ons bleef schreeuwen en wij zagen dat hij steeds aanstalten maakte om te lopen in de richting van de loods alwaar [S] doende was. Wij zagen dat hij trachtte langs ons te komen. Wij hielden [verdachte] meerdere malen tegen door hem beet te pakken en hem met onze lichamen de doorgang te beletten.

Wij zagen en hoorden dat [verdachte] hier woedend om werd. Wij zagen dat zijn ogen wijd opengesperd waren en tijdens het schreeuwen vloog het speeksel uit zijn mond. Wij hoorden vervolgens dat [verdachte] met zeer luide stem riep: “Godverdomme en nu de honden erop!” Hierop zagen wij een tweede bouvier bij een oudere dame in de achtertuin, achter een hek van de naastgelegen achtertuin. Wij zagen dat deze oudere vrouw het hek opende en de bouvier het erfgedeelte op geleide waar wij doende waren. Wij zagen de hond het erfgedeelte op komen rennen waar wij doende waren. Die hond begon tegen mij, verbalisant [A], op te springen.

Wij, verbalisanten [B] en [A], zagen vervolgens een man, leeftijd geschat 65 à 70 jaar, het erf op komen. Wij namen aan dat dit de vader van [verdachte] was. Wij hoorden dat deze man riep: “Weg hier!” Wij zagen dat die man vervolgens probeerde om langs ons heen te rennen om kennelijk in de richting van de loods te gaan.

Ik, verbalisant [B], verzocht portofonisch aan de Noodhulp Eenheid om naar ons door te rijden.

Ik, [A], heb vervolgens meerdere malen door hem de doorgang te beletten de oudere man tegengehouden. Ik, verbalisant [B], stond tegenover [verdachte] en hoorde dat [verdachte] schreeuwde dat dit niet kon en dat er met twee maten gemeten werd door de gemeente Goirle. Ik, verbalisant [B], zag en hoorde dat [verdachte] erg boos was. Ik, verbalisant [B], zag en voelde dat [verdachte] telkens trachtte mij voorbij te lopen in de richting van de loods.

Ik, [B], heb hierop meerdere malen [verdachte] tegenhouden door hem met mijn hand tegen zijn borstkas aan te duwen, naar achteren te verplaatsen. Tevens deelde ik hem mede dat hij niet door mocht lopen en dat hij moest meewerken aan de reeds door collega [A] gedane vordering.

Ik, [A], riep vervolgens middels de portofoon de eenheid met collega [C] ter plaatse. Dit vanwege de dreigende escalatie die gaande was.

Wij zagen dat de fysieke inspanningen van [verdachte] en de oudere man steeds heftiger werden. Ik, [A], besloot mij samen met [B] te richten op [verdachte]. [verdachte] trachtte middels hard duwen door ons heen te lopen en richting de loods te gaan.

Hierop riep ik, [A], tegen [verdachte]: “Je bent aangehouden!” Hierop werd [verdachte] door ons, [A] en [B], beetgepakt. Wij, [A] en [B], bevonden ons ten tijde van de aanhouding op eerder genoemde oprit. Ik, [A], stond aan de linkerzijde van [verdachte] en ik, [B], bevond mij aan de rechterzijde van [verdachte].

Ik, [C], arriveerde op dit moment bij de genoemde woning. Ik, [C], zag dat [B] en [A] een persoon beet hadden en dat deze zich heftig aan het verzetten was. Ik zag dat [B] en [A] moeite hadden de persoon in bedwang te krijgen. Ik assisteerde hierop direct bij de aanhouding.

Door ons, [C] en [B], werd de aangehouden verdachte Jan van de Ven overgebracht naar het politievoertuig.

In een kort gesprek dat hierop plaatsvond, hoorde ik, [A], dat de oudere vrouw de moeder van [verdachte] was. Ik vernam ook dat de oudere man de vader van [verdachte] was.

Verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats].

Verdachte: [vader], geboren op [geboortedatum 2] 1930 te [geboorteplaats].

2.

Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 24 mei 2012, voor zover inhoudende als
- zakelijk weergegeven - relaas van verbalisanten (p. 11-12):

Wij, verbalisanten [B], hoofdagent van Regiopolitie Midden en West Brabant, en [A], brigadier van Regiopolitie Midden en West Brabant, verklaren het volgende.

Op donderdag 24 mei 2012 te 10:18 uur hielden wij op de locatie [adres] te Goirle (oprit naast woning [adres] te Goirle) op heterdaad als verdachte aan: [verdachte].

Voorgeleiding

Wij brachten de verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over naar Bureau West te Tilburg. Daar werd de verdachte ten spoedigste voorgeleid aan een hulpofficier van justitie.

3.

Een proces-verbaal van slotdossier d.d. 23 oktober 2012, voor zover inhoudende als
- zakelijk weergegeven - relaas van verbalisant (p. 4):

Er bestaat tegen verdachte [verdachte] de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan enige vorm van betrokkenheid ter zake artikel 184/1, artikel 180 en artikel 285/1 van het Wetboek van Strafrecht in verband met 47/1 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte werd op grond hiervan ter plaatse aangehouden.

4.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 31 mei 2012, voor zover inhoudende als
- zakelijk weergegeven - verklaring van [A] (p. 38-41):

Op donderdag 24 mei 2012 was ik als politieambtenaar doende met de daadwerkelijke uitvoering van mijn beroep (het hof leest: ambt).

Ik hoorde dat [verdachte] tegen [S] zei: “Je komt er niet in.” Ik, [A], en mijn collega [B] hebben vervolgens getracht om aan [verdachte] uit te leggen dat wij rechtmatig op zijn erf waren en dat wij de controle door gingen voeren. We vroegen hem meerdere malen om rustig mee te werken. Tijdens het gesprek werd duidelijk dat [verdachte] van geen wijken wist en koste wat kost wilde beletten dat [S] zijn loods ging controleren. Hierop heb ik tegen [S] gezegd: “Ga jij kijken in de loods, dan blijven wij hier met mijnheer wachten.” Met mijnheer doelde ik op [verdachte].

Hierop ontstond vervolgens een situatie waarbij [verdachte] probeerde langs mij en mijn collega te komen, kennelijk om de controle van [S] te gaan beletten. [verdachte] heeft vervolgens meerdere malen getracht langs ons te komen, echter wij konden dit voorkomen door hem de doorgang te versperren.

[vader] was ook niet voor rede vatbaar en probeerde ook steeds naar de loods te gaan, kennelijk ook om de controle van [S] te beletten.

Vervolgens ontstond en situatie waarbij mijn collega, [B], probeerde [verdachte] tegen te houden en waarbij ik probeerde [vader] tegen te houden.

Vader en zoon probeerden gezamenlijk door ons heen te dringen. Tegen mij werd geduwd door [vader]. Ik zag dat [verdachte] ook steeds harder begon te duwen tegen mijn collega [B].

Ik besloot hierop [vader] door te laten richting de schuur. De reden was dat ik mijn collega [B] bij wilde staan. Hierop ben ik richting [B] gelopen. Op dit moment zag [verdachte] kans om langs mijn collega te komen. Ik ving hem op een deelde [verdachte] hierop mede dat hij was aangehouden. [verdachte] ging hierop de confrontatie met mij en [B] aan.

Een derde, middels de portofoon opgeroepen, college kwam op dit moment ook ter plaatse. De naam van deze collega is [C], brigadier van politie Midden en West Brabant. Met zijn drieën hebben we vervolgens getracht [verdachte] onder controle te krijgen. Wij hadden grote moeite [verdachte] onder controle te krijgen.

5.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 24 mei 2012, voor zover inhoudende als ten overstaan van verbalisant [D] afgelegde - zakelijk weergegeven - verklaring van [S] (p. 31-35):

Ik ben als handhaver in dienst van de gemeente Goirle.

Gisteren, 23 mei 2012, ben ik samen met u naar het adres [adres] te Goirle gegaan. Op dit adres werd ter attentie van dhr. [verdachte], op 10 mei 2012 een last onder dwangsom opgelegd door het college van B&W van Goirle voor de duur van 20 dagen. In de aanwezige garage op het terrein dat bij deze woning hoort, worden bedrijfsmatige reparaties uitgevoerd aan auto’s. Ook staat deze [verdachte] ingeschreven in de Kamer van Koophandel met Garagebedrijf [verdachte] aan de [adres] te Goirle. [verdachte] verricht werkzaamheden aan auto’s welke in strijd zijn met het bestemmingsplan. Gisteren ben ik samen met u (verbalisant [D]) naar dit adres gegaan om een tussentijdse controle uit te voeren. Als handhaver heb ik de bevoegdheid conform artikel 5 lid 11 (het hof leest: artikel 5:11 en begrijpt dat bedoeld is: artikel 5:15) van de Algemene Wet Bestuursrecht om alle panden ter controle te betreden met uitzondering van woningen. Gisteren ben ik samen met u het terrein opgelopen en raakten wij in gesprek met dhr. [verdachte]. Nadat ik de reden van mijn/onze komst had uitgelegd, vertelde dhr. [verdachte] dat ik niet in zijn garage mocht kijken om de tussentijdse controle uit te voeren. Ik had hem uitgelegd dat dit niet de gang van zaken is en dat hij verplicht is om medewerking te verlenen. Uiteindelijk zijn wij hier vertrokken zonder een controle te hebben uitgevoerd. Ik heb overleg gevoerd met mijn chef over hoe wij verder zouden handelen. Dit resulteerde erin dat er besloten is om vandaag 24 mei 2012 omstreeks 10.00 uur eventueel met dwang deze controle alsnog uit te voeren.

Vanmorgen omstreeks 10.00 uur ben ik na samen met twee politieagenten van team Tilburg West, genaamd [A] en [B], naar het adres [adres] te Goirle gegaan. Samen zijn wij naar het hekwerk gelopen dat rechts naast de woning is gelegen. Ik opende het hek en riep dat ik aanwezig was. Hierop zag ik dat de hond van [verdachte], zijnde een zwarte bouvier, ons tegemoet kwam gelopen. Achter deze hond aan zag ik dat dhr. [verdachte] aangelopen kwam. Inmiddels was ik samen met de twee agenten het terrein opgelopen. Ik denk dat wij ongeveer vijf meter het erf op waren gelopen. Ik zag dat [verdachte] op ons afgelopen kwam. Ik wilde dhr. [verdachte] een hand schudden, echter dat weigerde hij. Ik heb vervolgens de reden van mijn bezoek toegelicht. Daarbij verwees ik ook naar mijn bezoek van gisteren. Ik hoorde dat dhr. [verdachte] mij niet liet uitspreken. Ik hoorde dat hij vroeg of hij niet duidelijk was geweest. Hij refereerde daarmee aan het gesprek van gisteren. Gisteren had hij namelijk gezegd dat ik niet in zijn garage mocht komen om een controle uit te voeren. Als reden gaf hij op dat ik dan wel de politie een huiszoekingsbevel moest tonen om in zijn garage te komen. Zonder bevel geen controle, had hij gezegd. Ook had hij gisteren gezegd dat wij dan maar om hem heen moesten of door hem heen om de controle uit te voeren want zonder bevel zou hij ons niet binnenlaten. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat wij beter konden vertrekken. Ik gaf hem aan dat ik dat niet ging doen en dat ik met of zonder zijn toestemming gebruik zou gaan maken van mijn bevoegdheden. [verdachte] stelde de bevoegdheden nogmaals ter discussie. Deze discussie werd door ons beëindigd. Ik maakte duidelijk dat ik nu de controle ging uitvoeren.

[A], politieagent, gaf mij het signaal dat ik mijn controle kon gaan uitvoeren. Ik maakte aanstalten om naar de ingang van de garage te lopen. Ik zag dat [verdachte] voor mij ging staan en de doorgang belemmerde. Op dat moment werd [verdachte] door de agenten [A] en [B] aan de kant gezet. Ik ben toen doorgelopen en ben de garage ingegaan. Net voordat ik de garage binnenliep, hoorde ik [verdachte] nog roepen: “Hij gaat daar geen foto’s maken.”

Ik heb een mannelijke stem horen roepen: Laat de hond of honden los, iets van dergelijke strekking. Ik heb [verdachte] horen schreeuwen toen de agenten met hem bezig waren. Ik heb gezien dat [verdachte] meerdere keren trachtte door te breken om naar de garage te gaan en mij te beletten mijn werkzaamheden uit te voeren.

6.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 mei 2012, voor zover inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van de verdachte (p. 13-15):

Gisteren was er een nacontrole van de gemeente en politie op mijn adres. Ik heb tegen die man van de gemeente gezegd dat hij niet op mijn terrein mocht komen. Die agent is samen met die man van de gemeente weer vertrokken.

Vandaag, omstreeks 10:00 uur, zijn twee politieagenten en dezelfde man van de gemeente mijn terrein op gekomen. De man van de gemeente wilde in de schuur kijken maar ik gaf hem geen toestemming. De politie vertelde dat de man van de gemeente het recht had om in de schuur te kijken. De gemeenteambtenaar liep richting mijn schuur en ik ben voor hem gaan staan om hem de doorgang te beletten. De gemeenteambtenaar liep door en verdween in de schuur. Ik zei tegen de politie dat ik die man niet binnen wilde hebben. Ik heb dit wel zes keer gezegd. Ik ben toen weer richting de gemeenteambtenaar gelopen maar de doorgang werd mij versperd door de agente. Toen ben ik omgelopen. Ik kwam de mannelijke agent tegen. (Het hof begrijpt uit de bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, dat op dit moment aan de verdachte werd medegedeeld dat wij was aangehouden.) Ik werd door de mannelijke agent om mijn nek gepakt. De agente heeft toen een van mijn armen gepakt. Ik heb geprobeerd om achter op mijn terrein te komen. Ik kreeg toen de boeien om. Hierna werd ik in de politieauto gezet en overgebracht naar het bureau.

U vertelt mij dat de agenten tegen mij gezegd hebben dat ik aangehouden werd en dat ik hierna verzet bleef plegen. Vind je dat gek?

Ik kon in eerste instantie onder zijn nekklem uitdraaien en kort daarna pakte hij me weer om mijn nek. U vraagt mij of ik weet dat het strafbaar is om verzet te plegen en te dreigen een hond op te zetten tegen personen. Ik begrijp dat er wetten zijn.

7.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 januari 2014, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

De gemeenteambtenaar [S] is mijn garage binnengegaan. Ik wilde naar de garage gaan. De mannelijke politieagent pakte mij in een nekklem. Ik probeerde zijn arm weg te trekken om uit de nekklem te komen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd.

(1) Hetgeen aan de aanhouding van de verdachte is voorafgegaan, is aan de verdachte onder 1 ten laste gelegd als het misdrijf van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte is daarvan in eerste aanleg vrijgesproken. Die vrijspraak is inmiddels onherroepelijk geworden, nu het hoger beroep daartegen niet is gericht. Gelet op de onherroepelijke vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, was er geen sprake van een terechte aanhouding voor een op heterdaad ontdekt strafbaar feit, zodat er bij de onder 2 ten laste gelegde wederspannigheid geen sprake is van het werkzaam zijn in de rechtmatige uitoefening van de bediening.

(2) Het feitelijke handelen van de verdachte, te weten het uit de nekklem proberen te geraken, is iets anders dan het ten laste gelegde verzet “door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden”. Voor dat gedeelte van de tenlastelegging bestaat daarom geen bewijs. Het handelen van de verdachte is bovendien niet het soort verzet waarop de wetgever het oog heeft gehad bij het misdrijf van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt als volgt.

Ad (1)

Het verweert steunt op de stelling dat geen sprake is van een rechtmatige uitoefening van de bediening door ambtenaren als zij een verdachte aanhouden ter zake van een feit waarvan hij later wordt vrijgesproken.

Het hof verwerpt dit verweer, reeds omdat een latere vrijspraak ter zake van een feit waarvoor ambtenaren iemand hebben aangehouden, niet zonder meer meebrengt dat deze ambtenaren ten tijde van de aanhouding niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren (vgl. Hoge Raad 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2332, en de daarbij behorende conclusie van Advocaat-Generaal Vellinga, onderdelen 12-14). Van redenen waarom dit in dit geval anders zou zijn, is het hof niet gebleken.

Daarbij merkt het hof nog op dat uit bewijsmiddel 3 volgt dat de verdachte ter plaatse werd aangehouden ter zake van het zich schuldig maken aan enige vorm van betrokkenheid ter zake van artikel 184, eerste lid, artikel 180 en artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dat niet (ook) is vervolgd voor de tweede vorm van artikel 184, eerste lid, (opzettelijk ambtshandelingen beletten, belemmeren of verijdelen) en artikel 285 (bedreiging) van het Wetboek van Strafrecht, maakt de aanhouding evenmin onrechtmatig. Dat de onderwerpelijke aanhouding (mede) zag op het belemmeren van ambtshandelingen vindt ook nadrukkelijke bevestiging in hetgeen verbalisant [A] hierover heeft gerelateerd, hierboven in bewijsmiddel 1 weergegeven, namelijk: “Ik, [A], vorderde [verdachte] ons niet te belemmeren.” Dat het Openbaar Ministerie ter zake kennelijk een andere vervolgingsbeslissing heeft genomen, raakt niet de rechtmatigheid van het optreden van de politie.

Het hof is dan ook van oordeel dat de aanhouding van de verdachte rechtmatig heeft plaatsgevonden en de verbalisanten werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

Het hof merkt verder op dat het geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het tot bewijs gebezigde op ambtsbelofte c.q. ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [A], [B] en [C], noch aan de in het proces-verbaal van aangifte opgenomen verklaring van [A]. Dat bij of voorafgaand aan de aanhouding van de verdachte buitensporig geweld zou zijn gebruikt, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden, zodat het aangewende geweld evenmin in de weg staat aan het oordeel dat de aanhoudende verbalisanten werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

Ad (2)

Het hof verstaat de tenlastelegging onder 2 aldus, dat met het “verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden” wordt gedoeld op de gedragingen van de verdachte nadat hij ter aanhouding werd vastgepakt teneinde hem ter voorgeleiding over te brengen naar het politiebureau, daaronder begrepen het trachten zich te bevrijden uit wat door de verdachte is omschreven als een nekklem. Uit de bewijsmiddelen - in het bijzonder ook uit de hiervoor opgenomen verklaring van de verdachte zelf: “Ik werd door de mannelijke agent om mijn nek gepakt. De agente heeft toen een van mijn armen gepakt. Ik heb geprobeerd om achter op mijn terrein te komen. Ik kreeg toen de boeien om.” - blijkt dat er sprake is geweest van het in de tenlastelegging bedoelde verzet.

De stelling van de raadsman dat het handelen van de verdachte niet het soort verzet is waarop de wetgever het oog heeft gehad bij het misdrijf van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht, vindt geen steun in het recht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

wederspannigheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft, nadat een gemeentelijke controle een dag eerder geen doorgang had gevonden door een weigering van de verdachte de toezichthoudende ambtenaar toegang tot de te onderzoeken locatie te verlenen, geprobeerd de controle fysiek tegen te werken. Toen de verdachte vervolgens rechtmatig werd aangehouden, heeft hij zich tegen die aanhouding heftig verzet. De aanhoudende verbalisanten hadden grote moeite om de verdachte onder controle te krijgen.

De verdachte heeft met het begaan van het bewezen verklaarde blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.

Anders dan de advocaat-generaal acht het hof, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, het niet raadzaam om te bepalen dat aan de verdachte geen straf zal worden opgelegd.

Het hof acht een geldboete van EUR 1.000,-- en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken passend en geboden. Op grond van de ernst van het bewezen verklaarde komt het hof tot een zwaardere strafoplegging dan de politierechter.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met voornoemde deels voorwaardelijke strafoplegging wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 180 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. F. van Es, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. J.G. Sillevis Smitt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 20 januari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.G. Sillevis Smitt is buiten staat dit arrest te ondertekenen.