Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1064

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
HD 200.106.147-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:5410
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van ECLI:NL:GHSHE:2013:5410.

Auto defect; niet tijdig geklaagd; overeenkomst tot reparatie tot stand gekomen? Gerechtvaardigd vertrouwen. Reparatie voor rekening van koper naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.106.147/01

arrest van 15 april 2014

in de zaak van

[Beheer] Beheer B.V.,

hierna: [appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. J.A.J. Hooymayers,

tegen

[V8 Supercars] V8 Supercars B.V.,

hierna: [geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.C.A.J. Beks,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 november 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond onder zaaknummer 107033/HA ZA 11-152 gewezen vonnis van 25 januari 2012.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 12 november 2013;

- een H16-formulier van 24 december 2013, ingezonden door [appellante], houdende mededeling dat van getuigenverhoor wordt afgezien;

- de antwoordmemorie na niet gehouden enquête van [geïntimeerde] van 28 januari 2014.

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

7.1.

De eerste vraag waarover het hof zich in zijn tussenarrest gebogen heeft, is de vraag of [appellante] een tijdig beroep gedaan heeft op de non-conformiteit van de auto in de zin van artikel 7:23 BW.

7.2.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof – kort samengevat – geoordeeld dat niet tijdig is geklaagd over de non-conformiteit van de auto als de klacht voor het eerst is gedaan op 22 september 2010 of 30 juni 2010 en dat de mededelingen van [appellante] aan [geïntimeerde] in januari 2010 niet kunnen gelden als een kennisgeving als bedoeld in artikel 7:23 BW.

Verder heeft het hof voorshands geoordeeld dat binnen bekwame tijd is geklaagd over de non-conformiteit van de auto, indien [appellante] eind februari 2010 daarover voor het eerst bij [geïntimeerde] heeft geklaagd. Het hof heeft [appellante] daarop toegelaten te bewijzen dat zij bij de bespreking van partijen van de conclusies van de expert van de verzekeraar, eind februari 2010, aan [geïntimeerde] heeft laten weten dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

7.3.

[appellante] heeft via een H16-formulier laten weten af te zien van bewijslevering.

7.4.

Nu [appellante] geen bewijs heeft bijgebracht, is niet vast komen te staan dat [appellante] bij de bespreking van partijen van de conclusie van de expert van de verzekeraar, eind februari 2010, aan [geïntimeerde] heeft laten weten dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde.

7.5.

Het hof is, gelet op rechtsoverweging 7.2 en 7.4, van oordeel dat geen van de door [appellante] gestelde kennisgevingen aan te merken is als een tijdig beroep op non-conformiteit van de auto. Nu [appellante] niet tijdig heeft geklaagd, zijn voor haar alle mogelijkheden verloren gegaan die rechtens (zouden) voortvloeien uit de (mogelijke) non-conformiteit van de auto. De gestelde non-conformiteit behoeft daarom niet onderzocht te worden.

7.6.

[appellante] heeft haar verweren in conventie en haar vorderingen in reconventie niet alleen erop gestoeld dat de auto niet aan de overeenkomst heeft beantwoord (a), maar ook dat er geen reparatieovereenkomst gesloten is (b) en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij de reparatiekosten moet betalen (c).

7.7.

[geïntimeerde] heeft de stellingen van [appellante] gemotiveerd betwist.

7.8.

Het hof overweegt aangaande (b) het volgende.

7.8.1.

[geïntimeerde] heeft aan haar vordering in conventie ten grondslag gelegd dat partijen een overeenkomst hebben gesloten, inhoudende dat [geïntimeerde] de auto zou repareren voor rekening van [appellante]. [appellante] betwist de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst en stelt dat niet is afgesproken dat zij de kosten van de reparatie zou dragen.

7.8.2.

Niet in geschil is dat partijen overleg hebben gevoerd over de reparatie van de auto en dat [geïntimeerde] verschillende manieren van reparatie heeft genoemd en een indicatie heeft gegeven van de met iedere wijze van reparatie gepaard gaande kosten, waarna [appellante] uit die verschillende mogelijkheden een keuze heeft gemaakt en [geïntimeerde] heeft gevraagd de auto op de door haar gekozen wijze te herstellen.
In de visie van [geïntimeerde] hield het door haar gedane aanbod in: reparatie op een bepaalde wijze voor een bepaald, voor rekening van [appellante] komend, bedrag.
In de visie van [appellante] hield haar aanvaarding in: herstel op een bepaalde wijze voor een bepaald, voor rekening van [geïntimeerde] blijvend en dus niet voor rekening van haar – [appellante] – komend, bedrag.

7.8.3.

Of en in welke zin in een dergelijk geval een overeenkomst tot stand komt, hangt af van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.

Het hof stelt voorop dat als regel ervan moet worden uitgegaan dat, indien een opdrachtgever – [appellante] – aan een opdrachtnemer – [geïntimeerde] – bepaalde werkzaamheden opdraagt, er bij gebreke van afwijkende afspraken of aanwijzingen voor het tegendeel van uit mag worden gegaan dat voor die werkzaamheden zal worden betaald, zelfs als geen vaste prijs is afgesproken (artikel 7:405 BW).

In het onderhavige geval staat, naast het hiervoor onder 7.8.2. genoemde, het volgende vast, te weten: dat [appellante] al enige jaren een auto door [geïntimeerde] laat onderhouden op haar ([appellante]), kosten; dat [appellante] in of omstreeks mei 2009 de auto bij [geïntimeerde] heeft gekocht; dat [appellante] [geïntimeerde] in januari 2010 heeft gevraagd de auto op te halen en te onderzoeken; dat [appellante] aan [geïntimeerde] eerst heeft laten weten de schade te willen verhalen op haar ([appellante]) verzekeraar dan wel de leverancier van de brandstof; dat [geïntimeerde] op 4 juni 2010 aan [appellante] een factuur van de reparatie heeft gestuurd. Verder is niet komen vast te staan dat [appellante] al vóór de reparatie tegenover [geïntimeerde] een beroep gedaan heeft op non-conformiteit van de auto, noch dat zij eerder dan op 22 september 2010 heeft gereageerd op de factuur van 4 juni 2010.

7.8.4.

Naar het oordeel van het hof mocht [geïntimeerde] uit het voorgaande afleiden dat [appellante] op de gebruikelijke wijze opdracht had gegeven tot reparatie van de auto tegen een door [appellante] te betalen prijs. Daarnaast bestond er naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden voor [geïntimeerde] geen aanleiding onderzoek te doen naar de bedoelingen van [appellante]. Er waren geen omstandigheden die het minder waarschijnlijk maakten dat de (schijnbaar) afgelegde verklaring van [appellante] inderdaad zo was bedoeld als zij leek in te houden, namelijk dat [geïntimeerde] opdracht kreeg de auto repareren op kosten van [appellante].

Veeleer het omgekeerde is het geval: toen [geïntimeerde] de verschillende manieren van reparatie noemde en een indicatie gaf van de met iedere manier gepaard gaande kosten, had het, als [appellante] meende te mogen begrijpen dat [geïntimeerde] die kosten op zich zou nemen, juist op haar weg gelegen om zulks bij [geïntimeerde] te verifiëren.

7.9.

Het hof overweegt aangaande (c) het volgende.

7.9.1.

[appellante] betrekt hier de stelling dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid volgt dat [geïntimeerde], nadat zij de auto op verzoek van [appellante] had onderzocht, tegen [appellante] had moeten zeggen dat sprake was van non-conformiteit van de auto en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellante], hoewel [geïntimeerde] heeft gezwegen, de kosten van de reparatie moet betalen.

7.9.2.

Het hof is van oordeel dat [appellante] haar stellingen onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij heeft slechts aangevoerd dat [geïntimeerde], toen zij bij haar werkzaamheden merkte dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde, [appellante] daarover had moeten informeren. De vraag of de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan dat [appellante] de kosten van de reparatie dient te betalen, dient echter beantwoord te worden aan de hand van alle omstandigheden. Omstandigheden die dit standpunt van [appellante] ondersteunen, zijn echter door [appellante] niet gesteld. Bovendien kon [geïntimeerde] [appellante] niet wijzen op (vermeende) non-conformiteit, nu [geïntimeerde] van mening was dat daarvan geen sprake was.

7.10.

Alle grieven stuiten af op hetgeen het hof hiervoor onder rechtsoverweging 7.5., 7.8. en 7.9. heeft geoordeeld. Zij hoeven bij een gebrek aan belang verder niet besproken te worden. Het vonnis waarvan beroep dient bekrachtigd te worden.

7.11.

Het hof zal [appellante] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

griffierecht € 1.815,-

totaal verschotten € 1.815,-
en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1,5 punten x € 894,- € 1.341,-.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 1.815,- aan verschotten en op € 1.341,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M.A. de Groot-van Dijken en C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 april 2014.