Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1056

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
HD 200.005.810-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2009:3154
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2010:2907
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg begrip arbeidsongeschiktheid in pensioenreglement. Feitelijke werkzaamheden/ passende arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/243

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.005.810/01

arrest van 15 april 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.M. Jonkergouw te Vught,

tegen

Stichting Pensioenfonds voor Dierenartsen,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 24 november 2009 en 27 juli 2010 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 166911/HA ZA 06-1806 gewezen vonnis van 23 januari 2008.

10 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 27 juli 2010;

- het deskundigenbericht van [verzekeringsarts 1];

- het deskundigenbericht van [deskundige];

- de memorie na deskundigenbericht, tevens houdende verandering c.q. vermeerdering van eis van de zijde van [appellant];

- de akte houdende bezwaar tegen verandering c.q. vermeerdering van eis van de zijde van de stichting;

- de rolbeslissing van het hof van 23 oktober 2012;

- de memorie van antwoord na deskundigenbericht van de zijde van de stichting.

Partijen hebben arrest gevraagd.

11 De verdere beoordeling

11.1.

Bij genoemd tussenarrest van 27 juli 2010 zijn twee deskundigenonderzoeken bepaald. Deskundigenonderzoek A betreft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en is uitgevoerd door [verzekeringsarts 1]. Deskundigenonderzoek B betreft een arbeidskundig onderzoek en is uitgevoerd door [deskundige]. [appellant] heeft in zijn memorie na deskundigenbericht laten weten zich te kunnen vinden in de rapportages van de deskundigen. De stichting heeft in haar antwoordmemorie na deskundigenbericht uitvoerig kritiek geuit op beide rapportages. Het hof zal hierna het door de stichting gegeven commentaar op deze deskundigenberichten bespreken. Alvorens daartoe over te gaan zal het hof eerst onderzoeken op welke vorderingen beslist dient te worden.

11.2.

Bij genoemde rolbeslissing van 23 oktober 2012 heeft het hof het bezwaar van de stichting tegen de verandering c.q. vermeerdering van eis van [appellant] ongegrond verklaard. Het hof blijft daarbij, op de in die beslissing gegeven gronden.

11.3.

De stichting heeft aangevoerd dat het haar niet duidelijk is hoe de vorderingen van [appellant] thans verstaan dienen te worden. De stichting kan worden toegegeven dat de gewijzigde vorderingen van [appellant] niet uitblinken in helderheid. Daarom zal het hof in aanmerking nemen hoe [appellant] zijn vorderingen in hoger beroep achtereenvolgens heeft geformuleerd.

11.4.

Bij appeldagvaarding heeft [appellant] gevorderd (samengevat) dat het hof

1. het bestreden vonnis vernietigt,

en opnieuw rechtdoende:

2a. voor recht verklaart dat de arbeidsongeschiktheid van [appellant] in de zin van het pensioenreglement vanaf 28 september 2001 45 tot 55% bedraagt, althans meer dan 25%, en wel tot aan het moment dat een onafhankelijke geneeskundige, alsmede een onafhankelijke arbeidsdeskundige bepalen dat de arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 25%;

2b. de stichting veroordeelt een premiekorting toe te passen, die in overeenstemming is met de mate van arbeidsongeschiktheid;

2c. een medisch specialist aanwijst, die in staat is de gevolgen van het carpaal-tunnel-syndroom te beoordelen, alsmede een arbeidsdeskundige, die aan de hand van het rapport van de medisch specialist de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van het pensioenreglement kan bepalen;

3. de stichting veroordeelt in de proceskosten van beide instanties.

11.5.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van de in eerste aanleg door [appellant] ingestelde vorderingen en

“ter zake de vermeerdering van de eis stelt [appellant] dat Uw hof, in subsidiaire zin, vooraleer te komen tot een eindoordeel, een specialist zou moeten inschakelen ter beoordeling van de beperkingen van [appellant], waarbij [appellant] denkt aan een autoriteit op dit terrein in de persoon van Professor Dr. [neuroloog 2], emeritus hoogleraar van UMC Radboud Nijmegen, terwijl nadat de medische rapportage is afgerond een arbeidsdeskundige ingeschakeld dient te worden om een en ander te vertalen naar de mate van arbeidsongeschiktheid tegen de achtergrond van de definitie neergelegd in artikel 13 lid 4 van het Pensioenreglement dan wel, zo de bezwaren van [appellant] op dat punt worden afgewezen, op basis van artikel 2 van de overeenkomst die de Stichting met Alhermij heeft gesloten”

met veroordeling van de stichting in de proceskosten van beide instanties.

11.6.

Nu [appellant] bij memorie van grieven niet heeft verwezen naar de vorderingen zoals geformuleerd in de appeldagvaarding maar naar de vorderingen zoals geformuleerd in eerste instantie, dient te worden bezien of de vorderingen in eerste aanleg afwijken van de appeldagvaarding. Dat is niet het geval. Immers, bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] gevorderd dat de rechtbank:

1. voor recht verklaart dat de arbeidsongeschiktheid van [appellant] in de zin van het pensioenreglement vanaf 28 september 2001 45 tot 55% bedraagt, althans meer dan 25%, en wel tot aan het moment dat een onafhankelijke geneeskundige, alsmede een onafhankelijke arbeidsdeskundige bepalen dat de arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 25%;

2. de stichting veroordeelt een premiekorting toe te passen, die in overeenstemming is met de mate van arbeidsongeschiktheid;

3. een medisch specialist aanwijst, die in staat is de gevolgen van het carpaal-tunnel-syndroom te beoordelen, alsmede een arbeidsdeskundige, die aan de hand van het rapport van de medisch specialist de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van het pensioenreglement kan bepalen;

4. de stichting veroordeelt in de proceskosten.

De in de appeldagvaarding opgenomen vorderingen kunnen dus tot uitgangspunt dienen.

11.7.

Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven vorderingen valt af te leiden dat hetgeen hiervoor onder 11.3.2. cursief is afgedrukt, is bedoeld in de plaats te komen van de vordering zoals geformuleerd onder 2c van de appeldagvaarding en dat [appellant] heeft bedoeld de vorderingen, die hij zowel in eerste aanleg als in de appeldagvaarding hetzelfde heeft geformuleerd, te handhaven.

11.8.

Bij memorie na deskundigenbericht heeft [appellant] aangevoerd dat hij zijn petitum wenst aan te passen in die zin dat hij vordert dat het hof voor recht verklaart

“dat de arbeidsongeschiktheid van [appellant] in de zin van het pensioenreglement, met name in de door het hof in de vraagstelling opgenomen zin als volgt kan worden bepaald:

- op 28 september 2001 in de klasse 45-55%;

- vanaf 28 september 2001 tot 1 januari 2003 in de klasse 45-55%;

- over de periode 1 januari 2003 tot 1 januari 2005 in de klasse 55-65%;

- over de periode 1 januari 2005 tot 12 april 2006 in de klasse 65-80%;

- over de periode 12 april 2006 tot de in de polis bedoelde eindleeftijd van 65 jaar, althans 60 jaar, in de klasse 80-100%.

11.9.

Gelet op de hiervoor reeds weergegeven eerder geformuleerde vorderingen van [appellant], begrijpt het hof dat [appellant] heeft bedoeld de vordering als geformuleerd onder 2a van de appeldagvaarding te vervangen. Er is geen aanleiding om hieruit af te leiden dat [appellant] zijn vordering als onder 2b van de appeldagvaarding weergegeven, niet langer wenst te handhaven. Gelet op de inmiddels uitgebrachte deskundigenberichten begrijpt het hof, dat [appellant] zijn vordering als onder 2c van de appeldagvaarding niet langer handhaaft. In ieder geval heeft [appellant] bij die vordering geen belang meer.

11.10.

Het hof verstaat de vorderingen van [appellant] aldus, dat hij thans concludeert (samengevat) dat het hof

1. het bestreden vonnis vernietigt

en opnieuw rechtdoende:

2a. voor recht verklaart dat de mate arbeidsongeschiktheid van [appellant] in de zin van het pensioenreglement aldus moet worden bepaald, dat de graad van arbeidsongeschiktheid is (in de zin van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin [appellant] moet worden ingedeeld)

- op 28 september 2001 45-55%;

- van 28 september 2001 tot 1 januari 2003 45-55%;

- van 1 januari 2003 tot 1 januari 2005 55-65%;

- van 1 januari 2005 tot 12 april 2006 65-80%;

- van 12 april 2006 tot 65-jarige leeftijd, althans tot 60-jarige leeftijd 80-100%;

2b. de stichting veroordeelt tot toepassing van een premiekorting die in overeenstemming is met 2a;

3. de stichting veroordeelt in de proceskosten.

11.11.

De stichting heeft met betrekking tot vordering 2b nog aangevoerd dat van een premiekorting geen sprake kan zijn, omdat het een korting betreft op een jaarlijks verplicht te storten koopsom en [appellant] geen koopsommen heeft voldaan sinds de discussie over de omvang van zijn arbeidsongeschiktheid. Naar het oordeel van het hof is voldoende duidelijk wat [appellant] bedoelt.

Deskundigenonderzoek A

11.12.

Vraag 1 aan de deskundige luidde als volgt:

Bent u van mening dat de argumentatie en conclusie die zijn weergegeven in uw rapport van 20 november 2001, vermeld in rov. 4.1. sub g van het tussenarrest van 24 november 2009, gehandhaafd kunnen blijven in het licht van de ontwikkeling van de gezondheidstoestand van [appellant] sinds 19 november 2001 en de medische behandelingen in verband met het Carpaal tunnelsyndroom die hij sinds uw onderzoek op 19 november 2001 heeft ondergaan ?

De deskundige heeft geantwoord: ja.

Wilt u (mede) op basis van eigen onderzoek de gezondheidstoestand van [appellant] in verband met het Carpaal tunnelsyndroom in kaart brengen vanaf 20 november 2001 tot de datum van het onderzoek ?

De deskundige heeft voor het antwoord verwezen naar rubriek 4.3 van zijn rapport.

11.13.

Vraag 2 aan de deskundige luidde als volgt:

Geven de ontwikkeling van de gezondheidstoestand van [appellant] sinds 19 november 2001 en de door hem ondergane medische behandelingen in verband met het Carpaal tunnelsyndroom U aanleiding tot aanvulling van uw rapport en zo ja, welke ?

De deskundige heeft geantwoord: nee.

11.14.

Vraag 3 aan de deskundige luidde als volgt:

Kunt u, met het oog op een thans uit te voeren arbeidsdeskundig onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van [appellant] per 28 september 2001 tot de datum van dat onderzoek, een belemmeringenprofiel van [appellant] per 28 september 2001 opstellen ? Zo ja, dan verzoekt het hof u een dergelijk profiel op te stellen.

De deskundige heeft geantwoord: “Neen, ik heb de geringe beperkingen van alléén de hand- en vingervaardigheid per september 2001 destijds beschreven. Er is geen aanleiding daar achteraf anders tegenaan te kijken. Een belastbaarheidsprofiel voegde destijds niets toe – en dat is nog steeds zo. Na september 2001 zijn de beperkingen toegenomen en complexer geworden en mede daarom op dit moment (december 2010) wel in een functionele mogelijkhedenlijst vastgelegd conform de beschrijving van de beperkingen hierboven, die leidend is.”

Deskundigenonderzoek B

11.15.

Vraag 1 aan de deskundige luidde als volgt:

Is [appellant] met ingang van 28 september 2001 25% of meer arbeidsongeschikt in de zin als bedoeld in artikel 13 lid 4, aanhef en sub b van het pensioenreglement met inachtneming van de criteria zoals die zijn opgenomen in artikel 2, lid 1 van de tussen de stichting en Alhermij gesloten herverzekeringsovereenkomst, zulks uitgaande van de bevindingen vermeld in de door [verzekeringsarts 1] in het onderhavige geding op last van het hof uit te brengen rapportage betreffende [appellant] ?

De deskundige heeft geantwoord: ja.

11.16.

Vraag 2 aan de deskundige luidde als volgt:

Indien [appellant] meer dan 25% arbeidsongeschikt is in bovenbedoelde zin, welke percentages arbeidsongeschiktheid gelden dan en met ingang van welke data ?

De deskundige heeft geantwoord: “Over de diverse periodes is de mate van arbeidsongeschiktheid door mij op de volgende niveaus vastgesteld:

Op 28 september 2001 is de mate van arbeidsongeschiktheid door mij vastgesteld in de klasse 45-55%.

Over de periode vanaf 28 september 2001 tot 1 januari 2003 is door mij de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld in de klasse 45-55%.

Over de periode 1 januari 2003 tot 1 januari 2005 is de mate van arbeidsongeschiktheid door mij vastgesteld in de klasse 55-65%.

Over de periode 1 januari 2005 tot 12 april 2006 is de mate van arbeidsongeschiktheid door mij vastgesteld in de klasse 65-80%.

Over de periode 12 april 2006 tot en met heden is de mate van arbeidsongeschiktheid door mij vastgesteld in de klasse 80-100%.”

Beoordeling van de bezwaren tegen deskundigenonderzoek A

11.17.

Volgens de stichting blijkt uit het deskundigenbericht en uit het eerdere rapport van [verzekeringsarts 1] van 20 november 2001, dat in december 2001 niet of nauwelijks sprake is van (objectiveerbare medische) beperkingen. Het hof kan de stichting daarin niet volgen. Immers, in het rapport van 20 november 2001, dat de deskundige heeft bedoeld te handhaven, heeft de deskundige vermeld: “De heer [appellant] heeft circumscripte belemmeringen met betrekking tot de handvaardigheid. Hij kan alle basisgrepen uitvoeren maar de uiterste standen rechts zijn minder goed mogelijk en bovendien is er krachtsverlies; de tastzin is uitstekend. Links zijn de kracht en de bewegingsmogelijkheden optimaal maar bij gebruik van de handen in uiterste stand en dan met name dorsaalflexie (extensie) treden tintelingen en gevoelsverlies op. Hierdoor zijn er beperkingen ten aanzien van repeterende handelingen die dergelijke handvaardigheid vereisen in die zin dat die niet langer dan een half uur tot een uur achter elkaar verricht kunnen worden waarna een langdurige onderbreking noodzakelijk is. Verder is de duur waarmee met de linker hand in volgehouden palmairflexie of extensie instrumenten in de driepuntsgreep vastgehouden kunnen worden beperkt. Bij dergelijke activiteiten met een duur van ongeveer een half tot een heel uur is dit oplosbaar door de hand even te schudden of over te pakken, langduriger activiteiten die dergelijke posities vereisen zullen over het algemeen niet mogelijk zijn.” Voorts heeft de deskundige in zijn huidige rapport vermeld: “Bij verzekeringsgeneeskundige beoordeling in november 2001 werd vastgesteld dat er sprake was van verminderde kracht in de rechterhand en verminderd gevoel in de niet behandelde linker hand. De conclusie luidde dat tempoverlies bij opereren en grote series vruchtbaarheidsonderzoeken aannemelijk was.” (p. 13) en voorts “Terugkijkend waren er bij de eerste beoordeling in 2001 al beperkingen ten aanzien van voornamelijk voelen links en manipuleren rechts. De heer [appellant] kon daarmee omgaan door links meer te manipuleren en rechts meer te voelen.”. (p. 15) en verder: “De beperkingen per 28.9.’01 zijn duidelijk: minder kunnen voelen met links en minder kunnen manipuleren met rechts, gedeeltelijk te compenseren ten koste van enig tempoverlies door met links meer te manipuleren en met rechts meer te voelen.” (p. 17).

11.18.

De stelling van de stichting dat de depressieve klachten van [appellant] buiten beschouwing dienen te blijven, berust op een verkeerde lezing van de vraagstelling van het hof. Het hof heeft gevraagd naar de ontwikkeling van de gezondheidstoestand. Daaronder vallen ook klachten van depressieve aard.

11.19.

De overige opmerkingen van de stichting over het rapport van [verzekeringsarts 1] betreffen niet zozeer kritiek op zijn rapport, maar zien op de vraag of de arbeidsdeskundige het rapport van [verzekeringsarts 1] goed heeft geïnterpreteerd. Alvorens het hof die bezwaren van de stichting zal bespreken, zal het hof eerst ingaan op de bezwaren van meer algemene aard die de stichting heeft geuit tegen het rapport van de arbeidsdeskundige.

Beoordeling van de bezwaren tegen deskundigenonderzoek B

11.20.

De stichting stelt terecht dat de deskundige de arbeidsongeschiktheid van [appellant] dient te beoordelen aan de hand van het criterium zoals vermeld in artikel 13 lid 4 aanhef en sub b van het pensioenreglement en artikel 2 lid 1 van de herverzekeringsovereenkomst. Volgens de stichting heeft de deskundige bij de beoordeling van de ongeschiktheid voor passende arbeid verkeerde uitgangspunten gehanteerd.

11.21.

Volgens de stichting gaat de deskundige primair ervan uit dat het verzekerd beroep als meest passende arbeid dient te worden beschouwd, hetgeen volgens de stichting onjuist is, gelet op de definitie van arbeidsongeschiktheid. Volgens de stichting is de deskundige te veel uitgegaan van het beroep van dierenarts en heeft hij pas uiterst subsidiair naar andere beroepen gekeken en daarbij te weinig bandbreedte in acht genomen, waardoor het onderzoek van de deskundige feitelijk neerkomt op een onderzoek naar uitsluitend het eigen beroep van [appellant]. Het hof verwerpt deze stelling om de navolgende redenen.

11.22.

De vraag welke arbeid als ‘passend’ moet worden beschouwd kan niet los worden gezien van wat moet worden beschouwd als ‘de arbeid’ in de zin van het pensioenreglement. De deskundige heeft hiernaar uitvoerig onderzoek gedaan. Het bijzondere in het onderhavige geschil is evenwel dat [appellant] feitelijk werkzaamheden is blijven uitoefenen die door een dierenarts worden uitgevoerd. Dat leidt echter niet tot de slotsom dat [appellant] niet (of minder) arbeidsongeschikt is. Het hof leidt uit het rapport af, dat de arbeidsdeskundige tot de slotsom komt dat [appellant] zijn bedrijfsvoering in zodanige mate heeft aangepast en dat hij zijn werkzaamheden zozeer heeft verminderd, dat niet meer kan worden gesproken van het uitoefenen van arbeid in de zin van artikel 13 lid 4 sub a van het pensioenreglement. De deskundige komt tot de conclusie dat de feitelijk door [appellant] aangepaste en beperkte arbeid moet worden beschouwd als passende arbeid in de zin van sub b van die bepaling. Met andere woorden, [appellant] heeft volgens de deskundige feitelijk passende arbeid verricht. In het pensioenreglement en de herverzekeringsovereenkomst wordt niet de eis gesteld dat, wanneer de deelnemer feitelijk passende arbeid verricht, deze werkzaamheden niet in aanmerking mogen worden genomen bij de vraag of de deelnemer in staat is werkzaamheden te verrichten in de zin van artikel 13 lid 4 sub b van het pensioenreglement. Voorts ziet de stichting eraan voorbij dat Alhermij - wiens mededelingen aan de stichting moeten worden toegerekend - van mening is dat het eigen beroep als meest passend moet worden beschouwd (zie rov. 4.11 van het arrest van 24 november 2009). Hetgeen de stichting heeft aangevoerd over het arbeidsverleden van [appellant], behoeft dus geen nadere bespreking. Hetzelfde geldt voor hetgeen de stichting heeft gesteld over de koopsommen. Het hof komt tot de slotsom dat de arbeidsdeskundige bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid ervan uit is gegaan dat de feitelijk verrichte arbeid heeft te gelden als passende arbeid in de zin van artikel 13 lid 4 aanhef en sub b van het pensioenreglement en artikel 2 lid 1 van de herverzekeringsovereenkomst. Het hof is van oordeel dat de deskundige op goede gronden tot die conclusie is gekomen en volgt de deskundige daarin.

11.23.

De arbeidsdeskundige heeft zich niet beperkt tot onderzoek naar passende arbeid in de zin van de feitelijk verrichte arbeid, maar tevens een onderzoek uitgevoerd naar andere passende (dus fictieve) arbeid. Anders dan de stichting stelt, is het niet zo dat de deskundige pas uiterst subsidiair is toegekomen aan de beoordeling of [appellant] (geheel of gedeeltelijk) ongeschikt moet worden geacht voor het verrichten van arbeid waartoe hij met het oog op zijn opleiding en maatschappelijke positie in staat moet worden geacht. Die stelling van de stichting berust op een verkeerde lezing van het deskundigenrapport. Daarmee gaat de stichting immers voorbij aan het oordeel van de deskundige dat de feitelijk verrichte arbeid als passende arbeid in de zin van het criterium dient te worden beschouwd.

11.24.

Zoals hiervoor al is vermeld, heeft de deskundige tevens een onderzoek uitgevoerd naar andere passende (dus fictieve) arbeid. De deskundige heeft meerdere functies onderzocht en goed gemotiveerd verworpen. De stelling van de stichting dat van [appellant] mag worden verwacht dat hij wordt ingeschaald onder zijn maatschappelijke positie, omdat het er volgens de definitie om gaat waartoe [appellant] in staat moet worden geacht, berust naar het oordeel van het hof op een te ruime interpretatie van het criterium zoals gesteld in artikel 13 lid 4 aanhef en sub b van het pensioenreglement en artikel 2 lid 1 van de herverzekeringsovereenkomst. Anders dan de stichting heeft gesteld, heeft de arbeidsdeskundige wel degelijk onder ogen gezien dat enige bandbreedte in acht genomen dient te worden. De deskundige heeft (onder meer) geconstateerd dat bij een bandbreedte waarin HBO-functies vallen, [appellant] niet voldoet aan de opleidingseis. Volgens de stichting mag van [appellant] verwacht worden dat hij zich laat omscholen. Anders dan de stichting kennelijk meent, heeft de deskundige dit wel degelijk onder ogen gezien en daarmee ook rekening gehouden. Dat blijkt uit hetgeen de deskundige daarover heeft vermeld op pagina 66 van het rapport. De deskundige heeft in zijn rapport vermeld dat de omscholingseis niet zo ver gaat, dat verlangd mag worden dat een opleiding wordt gevolgd die langer duurt dan zes maanden (p. 66). Het hof schaart zich achter dat oordeel, omdat dit voldoende aansluit bij het criterium. Voorts leidt de mogelijkheid dat de arbeidsdeskundige nog andere functies in het onderzoek had kunnen betrekken - de stichting somt in de memorie na deskundigenbericht diverse functies op die volgens de stichting passend zijn voor [appellant] - niet tot de conclusie dat het onderzoek van de deskundige niet goed of onvolledig is geweest. Het hof verwerpt dus ook deze kritiek op het rapport.

11.25.

Voorts stelt de stichting dat de deskundige ten onrechte rekening heeft gehouden met het inkomen van [appellant]. Volgens de stichting mag het inkomen geen rol spelen in de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Het hof verwerpt ook deze stelling. Immers, volgens artikel 13 lid 4 sub b van het pensioenreglement dient de maatschappelijke positie van de deelnemer in aanmerking te worden genomen. Het hof is van oordeel dat inkomen een niet te verwaarlozen onderdeel is van iemands maatschappelijke positie, zodat de deskundige daarmee terecht rekening heeft gehouden. Overigens heeft de deskundige daar temeer aanleiding voor gezien, omdat uit een door de stichting zelf overgelegde productie blijkt van een relatie tussen arbeid en inkomen en dat de stichting zelf heeft aangegeven dat de loonwaarde van passende arbeid een rol speelt (p. 67). Hetgeen de stichting heeft aangevoerd over de koopsommen kan daarom onbesproken blijven.

Beoordeling van de bezwaren tegen de conclusies die in deskundigenonderzoek B zijn verbonden aan deskundigenonderzoek A

11.26.

Volgens de stichting maakt de arbeidsdeskundige ten onrechte een indeling in een aantal relatief korte perioden tot 2006 en daarna een vrij lange periode. Een dergelijk onderscheid in perioden kan volgens de stichting niet worden ontleend aan het rapport van de verzekeringsgeneeskundige en om die reden sluit het rapport van de arbeidsdeskundige niet aan bij het rapport van de verzekeringsgeneeskundige. Volgens de stichting heeft de arbeidsdeskundige zich in dit opzicht laten leiden door hetgeen aan subjectieve bevindingen van [appellant] in het rapport van de verzekeringsgeneeskundige is opgenomen, in plaats van hetgeen de verzekeringsgeneeskundige in zijn rapport op basis van objectieve medische gegevens aan beperkingen heeft vastgesteld.

11.27.

De stichting kan worden toegegeven dat de verzekeringsgeneeskundige niet een duidelijke indeling in perioden heeft gemaakt op de manier zoals de arbeidsdeskundige dat wel heeft gedaan. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat het rapport van de arbeidsdeskundige om die reden niet juist is.

11.28.

Uit het rapport van de verzekeringsgeneeskundige valt in ieder geval duidelijk af te leiden wat de beperkingen waren in 2001. De arbeidsdeskundige heeft daaraan een mate van arbeidsongeschiktheid verbonden van 45-55%. De stichting stelt terecht, dat de arbeidsdeskundige is uitgegaan van meer beperkingen dan door de verzekeringsgeneeskundige zijn vastgesteld. Uit het rapport blijkt echter dat dit geen gevolgen heeft voor de berekening van de arbeidsongeschiktheidsklasse om de navolgende reden. De arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald door onderzoek te verrichten naar de deeltaken waarop en in welke mate uitval heeft plaatsgevonden en de uitkomst van dat onderzoek gecontroleerd. Gelet op de stelling van de verzekeringsgeneeskundige in zijn rapport “hij had (met de wijsheid achteraf van de verzekeringsarts) beter helemaal kunnen stoppen met enten, opvoelen en de meeste operaties (…)” (p. 16) acht het hof de motivering van de arbeidsongeschiktheidsklasse daarom voldoende overtuigend.

11.29.

Voorts valt uit het rapport van de verzekeringsgeneeskundige duidelijk af te leiden wat de beperkingen waren in december 2010. Daaraan heeft de arbeidsdeskundige een mate van arbeidsongeschiktheid verbonden van 80-100%.

11.30.

De verzekeringsgeneeskundige heeft over de tussenliggende periode onder meer het volgende opgemerkt: “Terugkijkend waren er bij de eerste beoordeling in 2001 al beperkingen ten aanzien van voornamelijk voelen links en manipuleren rechts. De heer [appellant] kon daarmee omgaan door links meer te manipuleren en rechts meer te voelen. De klachten zijn geleidelijk toegenomen, met de wijsheid van kennis achteraf kan vastgesteld worden dat de heer [appellant] daar ergens tussen 2002 en eind 2005 te ver is gegaan en de toenemende klachten vooral links ten onrechte niet heeft geïnterpreteerd als een signaal dat hij beter kon stoppen met handelingen die een repeterende belasting van de vingerbuigers van de linkerhand met de pols in gedwongen stand vereisen. (…) Het is niet mogelijk achteraf in kwantitatieve zin aan te geven wanneer dat is gebeurd. Vaststaat dat de heer [appellant] begin 2006 zoveel pijn kreeg aan de linkerhand door voortschrijdende neuropathie dat hij slecht sliep door nachtelijke pijn. Hij werd dat jaar tweemaal geopereerd, na de eerste ingreep was hij weliswaar van de pijn verlost, maar er volgde nog een tweede omdat het gevoelverlies aanmerkelijk bleef. Verbetering is gezien de bevindingen bij elektromyografisch onderzoek in 2008 niet meer te verwachten. (…)

De psychische aspecten meenemend is het terugkijkend aannemelijk dat de heer [appellant] vanaf begin 2006 aanzienlijk beperkt was door een combinatie van sterk verminderde handvaardigheid, aanvankelijke pijn met verminderde beschikbaarheid door twee ingrepen aan de linkerhand gevolgd door vrij ernstige depressiviteit. Het is onmogelijk achteraf de beperkingen in kwantitatieve zin te reproduceren. Aannemelijk is dat er vanaf begin 2006 tot medio 2009 aanmerkelijke beperkingen bestonden, die tot een aanzienlijke mate van arbeidsongeschiktheid, ook voor algemene arbeid geleid hebben. Nadien was daar geen sprake meer van en bestaat ongeveer de huidige situatie.”

11.31.

De door de verzekeringsgeneeskundige niet uitgesplitste periode 2002-2006 heeft de arbeidsdeskundige wel uitgesplitst. Het gaat dan om drie perioden: januari 2002 - januari 2003, januari 2003 - januari 2005 en januari 2005 - 12 april 2006. De arbeidsdeskundige heeft die uitsplitsing gemaakt omdat de verzekeringsgeneeskundige heeft geoordeeld dat de klachten geleidelijk zijn toegenomen. Het hof is van oordeel dat iedere periode in wezen arbitrair is, maar dat er voldoende aanknopingspunten in het rapport van de verzekeringsarts aanwezig zijn om die uitsplitsing op deze manier te maken. De arbeidsdeskundige heeft dat gedaan aan de hand van medische behandelingen die in het verzekeringsgeneeskundig rapport staan vermeld en constateringen van de verzekeringsgeneeskundige. Dat hij daarbij ook de subjectieve beleving van [appellant] enigszins in zijn onderzoek heeft betrokken, maakt niet dat het rapport ondeugdelijk is, zoals de stichting betoogt. Daarbij komt dat de verzekeringsgeneeskundige ruimte heeft gelaten aan de arbeidsdeskundige om de beperkingen nader te beoordelen en vast te stellen (p. 16). Voorts is van belang dat de arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de verzekeringsgeneeskundige constateringen doet over beperkingen ten aanzien van het beroep van [appellant], waarbij de verzekeringsgeneeskundige over het hoofd heeft gezien dat de feitelijk door [appellant] verrichte arbeid moet worden beschouwd als passende arbeid, dus niet als ‘zijn beroep’ (p. 53). De arbeidsdeskundige heeft daar alsnog wel - terecht - rekening mee gehouden. Evenmin kan de stichting worden gevolgd in haar stelling dat de arbeidsdeskundige zonder functionele mogelijkhedenlijst niet tot de onderhavige beoordeling kon komen. De verzekeringsgeneeskundige heeft geen functionele mogelijkhedenlijst opgesteld omdat hij de beperkingen heeft beschreven. Dat betekent dus niet, dat er geen beperkingen zijn, of dat de arbeidsdeskundige daarmee geen rekening mocht houden. Integendeel, de verzekeringsgeneeskundige heeft in dit opzicht ruimte gelaten aan de arbeidsdeskundige om beperkingen nader vast te stellen (p. 16). Het hof is van oordeel dat het rapport van de arbeidsdeskundige voldoende inzicht geeft in de gedachtegang en voldoende overtuigend is.

11.32.

De arbeidsdeskundige heeft de vrijheid genomen om de constatering van de verzekeringsgeneeskundige dat “Vaststaat dat de heer [appellant] begin 2006 zoveel pijn kreeg aan de linkerhand door voortschrijdende neuropathie dat hij slecht sliep door nachtelijke pijn. Hij werd dat jaar tweemaal geopereerd, na de eerste ingreep was hij weliswaar van de pijn verlost, maar er volgde nog een tweede omdat het gevoelverlies aanmerkelijk bleef.” (p. 15) te vertalen in een nieuwe periode aanvangend op 12 april 2006. Daartoe bieden deze constateringen voldoende aanknopingspunten.

11.33.

De verzekeringsarts heeft in zijn rapport vermeld: “Aannemelijk is dat er vanaf begin 2006 tot medio 2009 aanmerkelijke beperkingen bestonden, die tot een aanzienlijke mate van arbeidsongeschiktheid, ook voor algemene arbeid geleid hebben. Nadien was daar geen sprake meer van en bestaat ongeveer de huidige situatie.” (p. 15). De arbeidsdeskundige heeft de periode echter niet beperkt tot medio 2009. Daartoe zag hij geen aanleiding omdat de reden voor deze periode van aanzienlijke arbeidsongeschiktheid, was gelegen in de psychische klachten van [appellant]. Aangezien de arbeidsdeskundige [appellant] reeds zonder die psychische klachten al volledig arbeidsongeschikt achtte (p. 57), bestond er geen aanleiding om een nadere uitsplitsing te maken in de tijd en /of de mate van arbeidsongeschiktheid op een lagere klasse te stellen. Om die reden had de arbeidsdeskundige ook geen aanleiding om de mate van arbeidsongeschiktheid op een lagere klasse te stellen in verband met de afname van psychische klachten, zoals de stichting betoogt. Ook op dit punt acht het hof het rapport van de arbeidsdeskundige dus begrijpelijk.

11.34.

Volgens de stichting is de deskundige ten onrechte van oordeel dat de arbeidsongeschiktheid van [appellant] onveranderd tot zestigjarige leeftijd zal voortduren. Het hof verwerpt ook deze stelling van de stichting. Immers, de deskundige is tot die slotsom gekomen op basis van de beperkingen aan de handen die naar verwachting niet zullen verbeteren. Een nieuwe arbeidsongeschiktheidsbeoordeling wordt daarom niet zinvol geacht. Dat sluit ook aan op het arbeidsongeschiktheidsbegrip in artikel 2 lid 1 van de herverzekeringsovereenkomst, waarin is vermeld: “voor de gehele verdere duur van zijn leven”.

Slotsom

11.35.

De stichting heeft wederom verwezen naar het rapport van Artoos. Dit betreft echter een partijdeskundige. Nu [deskundige] is benoemd op voordracht van de stichting, ziet het hof geen aanleiding om, nu het rapport de stichting niet welgevallig is, tot benoeming van een andere deskundige over te gaan. Daarbij komt dat de deskundige zeer uitvoerig uiteen heeft gezet dat en waarom het rapport van Artoos onvoldoende houvast biedt voor het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid. Op geen van die argumenten is de stichting ingegaan, zodat ook om die reden het hof geen aanleiding ziet om aan het rapport van Artoos meer waarde te hechten dan aan het rapport van deskundige [deskundige]. Om dezelfde redenen ziet het hof geen aanleiding om een nieuwe deskundige te benoemen, zoals door de stichting is verzocht/aangeboden. Evenmin ziet het hof aanleiding om de stichting toe te laten tot bewijslevering. Het bewijsaanbod ziet immers op vragen die door de deskundigen zijn beantwoord. Het hof zal de conclusies van de arbeidsdeskundige volgen en de vorderingen van [appellant] toewijzen.

11.36.

In de akte houdende bezwaar tegen de verandering c.q. vermeerdering van eis van 25 september 2012 heeft de stichting nog aangekondigd dat, indien haar bezwaar tegen de eiswijziging niet wordt gehonoreerd, zij genoopt zal zijn een beroep te doen op verjaring. Zoals hiervoor al is vermeld, heeft het hof bij rolbeslissing van 23 oktober 2012 het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de stichting een zeer uitvoerige memorie na deskundigenbericht genomen, waarin de stichting in het geheel niet meer is ingegaan op haar eerdere aankondiging dat zij zich in dat geval op verjaring wenst te beroepen. Gelet op deze, door de stichting zelf voorwaardelijk gestelde formulering, begrijpt het hof dat de stichting geen beroep doet op verjaring. Voor zover daarover al anders zou moeten worden gedacht, verwerpt het hof het beroep op verjaring. Immers, de rechtsvordering tot nakoming ten aanzien waarvan de stichting een beroep op verjaring doet, betreft de vordering tot toepassing van premiekorting op basis van een hoger percentage van arbeidsongeschiktheid dan 45-55%. Voor zover met de op 11 september 2012 vermeerderde eis een verdergaande premiekorting wordt gevorderd dan aanvankelijk het geval was, berust de vordering op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als de aanvankelijke vordering, te weten voortdurende arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 13 lid 4 van het pensioenreglement. Van een nieuwe vordering is dus geen sprake. Daarom geldt ook ten aanzien van de vermeerderde eis de inleidende dagvaarding van 18 oktober 2006 als daad van rechtsvervolging die de verjaring stuit.

11.37.

In diezelfde akte heeft de stichting nog aangevoerd dat het onmogelijk is voor haar om opnieuw een arbeidsongeschiktheidspercentage te gaan bepalen met terugwerkende kracht. Het hof kan de stichting in het geheel niet volgen in haar stellingen dienaangaande. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige, wiens conclusies het hof volgt, valt af te leiden welke arbeidsongeschiktheidspercentages in acht moeten worden genomen. Waarom dat een nieuw onderzoek zou vergen ontgaat het hof volledig.

11.38.

Uit het voorgaande volgt dat het hof geen aanleiding ziet om een comparitie van partijen te bepalen. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de vorderingen zoals geformuleerd onder 11.10. toewijzen. Het hof zal de vordering niet toewijzen tot vijfenzestigjarige leeftijd, omdat de uitkering op grond van artikel 13 lid 1 jo. artikel 5 van het pensioenreglement eindigt op zestigjarige leeftijd.

11.39.

Het hof zal de stichting veroordelen in de kosten van beide procedures, de kosten van de deskundigenberichten daaronder begrepen. De veroordelingen zullen, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

12 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de mate arbeidsongeschiktheid van [appellant] in de zin van het pensioenreglement aldus moet worden bepaald, dat de graad van arbeidsongeschiktheid de volgende is:

- op 28 september 2001 45-55%

- van 28 september 2001 tot 1 januari 2003 45-55%

- van 1 januari 2003 tot 1 januari 2005 55-65%

- van 1 januari 2005 tot 12 april 2006 65-80%

- van 12 april 2006 tot de eindleeftijd van 60 jaar 80-100%;

veroordeelt de stichting tot toepassing van een premiekorting die in overeenstemming is met de hiervoor gegeven verklaring voor recht;

veroordeelt de stichting in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 319,32 aan verschotten en op € 1.130,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 4.993,74 aan verschotten en op € 2.682,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.H.A. Venner-Lijten, M. van Ham en Th.L.J. Bod en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 april 2014.