Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1054

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
20-002274-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:CA2472, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3577, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 7 jaar gevangenisstraf ter zake meerdere pogingen tot zware mishandeling, meerdere mishandelingen, poging tot afpersing, hennepteelt en diefstal van elektriciteit. Bij de straf heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat het slachtoffer ongeveer anderhalf jaar lang stelselmatig en op sadistische wijze is mishandeld, gekleineerd en vernederd.

Overweging van het hof met betrekking tot de door de rechtbank onterecht toelaatbaar geachte aanvulling van de oorspronkelijke tenlastelegging met de feiten 6 en 7 op de voet van artikel 314a Wetboek van Strafvordering. Het hof wijst de vordering van de officier van justitie voor wat betreft deze feiten alsnog af. Het hof zal het vonnis reeds daarom vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-002274-13

Uitspraak: 17 april 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-825436-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum],

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

1.

Medeplegen van poging zware mishandeling, meermalen gepleegd

en

medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd;

2.

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

4.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

6.

Handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

7.

Handelen in strijd met artikel 13 van de Wet wapens en munitie.

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

Van de overige ten laste gelegde feiten is verdachte vrijgesproken.

Voorts heeft de eerste rechter beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij [slachtoffer] en de in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Beschermde vrijspraken

Het hoger beroep moet, blijkens de akte partiële intrekking hoger beroep, gedateerd 9 januari 2014 en ingekomen bij het hof op 7 januari 2014, en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 oktober 2013, 9 januari 2014 en 3 april 2014, worden begrepen als niet gericht te zijn tegen de beschermde vrijspraken van het onder 2, als eerste cumulatief alternatief, het onder 3 (voor zover dit ziet op de ten laste gelegde plaatsen Riethoven en Waalre) en het onder 5 ten laste gelegde.

Zoals ter terechtzitting op 9 januari 2014 is vermeld, is het hof - anders dan de verdediging - van oordeel dat gelet op de tekst van het onder 1 als eerste cumulatief alternatief ten laste gelegde, bezien in samenhang met het onderliggende dossier, de vrijspraak van het onder 1 als eerste cumulatief alternatief ten laste gelegde niet als beschermde vrijspraak dient te worden aangemerkt. De onderdelen van het onder 1 ten laste gelegde zien in essentie op hetzelfde samenstel van handelingen.

Wijziging voorlopige tenlastelegging

In de inleidende dagvaarding is volstaan met een opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het gaat daarbij om:

  • -

    Poging tot doodslag, althans poging tot zware mishandeling;

  • -

    Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B/C van de Opiumwet gegeven verbod;

  • -

    Poging tot afpersing;

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 mei 2013 heeft de officier van justitie wijziging gevorderd van de voorlopige tenlastelegging. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie toegewezen. De tenlastelegging is gewijzigd ingevolge artikel 314a jo. 313 van het Wetboek van Strafvordering, zoals in de vordering omschreven. In de op de voet van artikel 314a Wetboek van Strafvordering gewijzigde tenlastelegging is - voor zover hier van belang - aan de verdachte aanvullend ten laste gelegd (feit 6) het handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapen en munitie, meermalen gepleegd en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en (feit 7) het handelen in strijd met artikel 13 van de Wet wapens en munitie.

Redelijke wetstoepassing brengt naar ’s-Hofs oordeel mee dat de wijziging van een voorlopige tenlastelegging overeenkomstig artikel 314a Wetboek van Strafvordering die strekt tot uitbreiding van de tenlastelegging met andere feiten slechts dan ontoelaatbaar is, indien elk verband tussen de feiten die in de voorlopige tenlastelegging zijn genoemd (overgenomen van het bevel tot gevangenhouding of -neming) en de feiten die ingevolge artikel 314a Wetboek van Strafvordering gedane vordering beoogt toe te voegen, ontbreekt.

De gewijzigde tenlastelegging moet dus haar grondslag vinden in hetzelfde feitencomplex, vermeld in de voorlopige tenlastelegging.

Naar het oordeel van het hof kunnen de feiten 6 en 7 in de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 314a Wetboek van Strafvordering, die zien op het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, niet worden gezien als een nadere omschrijving van de feiten die in de oorspronkelijke dagvaarding waren opgenomen.

Met de verdediging is het hof dan ook van oordeel dat de rechtbank de aanvulling van de oorspronkelijke tenlastelegging met de feiten 6 en 7 op de voet van artikel 314a Wetboek van Strafvordering ten onrechte toelaatbaar heeft geacht. Het hof wijst de vordering van de officier van justitie voor wat betreft de beoogde feiten 6 en 7 alsnog af. Het hof zal het vonnis reeds daarom vernietigen.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsmiddelen met de verklaring van H.T.T. van Boxtel bij de raadsheer-commissaris d.d. 6 januari 2014 en met uitzondering van de opgelegde straf en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,- (in verband met de reeds gedane uitbetaling aan de benadeelde partij in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] tot een bedrag van € 8.000,- in het kader van de voorschotregeling), met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel tot het volledige bedrag van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen vervangende hechtenis.

De verdediging heeft - voor zover thans nog aan de orde -:

- integrale vrijspraak van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bepleit;

- in geval van een veroordeling, verzocht om oplegging van een aanmerkelijk lagere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal is gevorderd;

- aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel aanzienlijk dient te worden gematigd, op de gronden als in de pleitnota vermeld.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal

worden vernietigd, reeds omdat de eerste rechter de vordering van de officier van justitie tot wijziging van de voorlopige tenlastelegging ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering ten onrechte toelaatbaar heeft geacht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2012 tot en met 28 augustus 2012 tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, te [plaatsen], althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer]

- met behulp van een (elektrisch) nietapparaat een nietje in zijn hoofd/schedel heeft/hebben geschoten; en/of

- ( een) (span)band(en) en/of (een) kabel(s) om zijn hals heeft/hebben aangebracht en (vervolgens) aangetrokken/aangespannen (waardoor die [slachtoffer] in ademnood is gekomen);

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en/of

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2010 tot en met 28 augustus 2012 tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans en/of (tevens) alleen, te [plaatsen] en/of (elders) (althans) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- meermaals, althans eenmaal, met zijn/hun vuist(en)/handen tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gestompt/geslagen; en/of

- meermaals, althans eenmaal, (met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben getrapt/geschopt; en/of

- meermaals, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de hals en/of een been en/of een arm, en/of elders in/althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft/hebben gestoken; en/of

- meermaals, althans eenmaal, met een stok, althans een hard voorwerp, tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen; en/of

- meermaals, althans eenmaal, met een deegroller, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen; en/of

- meermaals, althans eenmaal, met een wielsleutel, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen; en/of

- meermaals, althans eenmaal, met een balk, althans een hard voorwerp, tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen; en/of

- meermaals, althans eenmaal, met een plank (voorzien van spijkers), althans een hard voorwerp, tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen; en/of

- een doek op het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben gelegd en vervolgens die doek met water/een vloeistof heeft/hebben overgoten (tengevolge waarvan die [slachtoffer] in ademnood kwam); en/of

- met behulp van een (elektrisch) nietapparaat een nietje in het hoofd/de schedel van die [slachtoffer] heeft/hebben geschoten; en/of

- met behulp van een (elektrisch) nietapparaat de voorhuid van de penis van die [slachtoffer] aan een plank heeft/hebben vast geniet en/of (vervolgens) die [slachtoffer] heeft/hebben opgedragen daarmee te gaan staan en/of lopen; en/of

-(een) (span)band(en) en of (een) kabel(s) om de hals van die [slachtoffer] heeft/hebben aangebracht en vervolgens heeft/hebben aangetrokken/aangespannen (waardoor die [slachtoffer] in ademnood is gekomen); en/of

- pepperspray/traangas, althans een bijtende/brandende stof, in de ogen, althans het gezicht, van die [slachtoffer] heeft/hebben gespoten; en/of

- een gloeiend(e)/verhitte beitel/schroevendraaier/metalen voorwerp tegen het lichaam Van die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en/of

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2010 tot en met 28 augustus 2012 tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans en/of (tevens) alleen, te [plaatsen] en/of (elders) (althans) in Nederland meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk [slachtoffer] heeft/hebben mishandeld, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

- meermaals, althans eenmaal, met zijn/hun vuist(en)/handen tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gestompt/geslagen; en/of

- meermaals, althans eenmaal, (met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben getrapt/geschopt; en/of

- meermaals, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de hals en/of een been en/of een arm, en/of elders in/althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft/hebben gestoken; en/of

- meermaals, althans eenmaal, met een stok, althans een hard voorwerp, tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen; en/of

- meermaals, althans eenmaal, met een deegroller, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen; en/of

- meermaals, althans eenmaal, met een wielsleutel, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen; en/of

- meermaals, althans eenmaal, met een balk, althans een hard voorwerp, tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen; en/of

- meermaals, althans eenmaal, met een plank (voorzien van spijkers), althans een hard voorwerp, tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen; en/of

- een doek op het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben gelegd en vervolgens die doek met water/een vloeistof heeft/hebben overgoten (tengevolge waarvan die [slachtoffer] in ademnood kwam); en/of

- met behulp van een (elektrisch) nietapparaat een nietje in het hoofd/de schedel van die [slachtoffer] heeft/hebben geschoten; en/of

- met behulp van een (elektrisch) nietapparaat de voorhuid van de penis van die [slachtoffer] aan een plank heeft/hebben vast geniet en/of (vervolgens) die [slachtoffer] heeft/hebben opgedragen daarmee te gaan staan en/of lopen; en/of

-(een) (span)band(en) en of (een) kabel(s) om de hals van die [slachtoffer] heeft/hebben aangebracht en vervolgens heeft/hebben aangetrokken/aangespannen (waardoor die [slachtoffer] in ademnood is gekomen); en/of

- pepperspray/traangas, althans een bijtende/brandende stof, in de ogen, althans het gezicht, van die [slachtoffer] heeft/hebben gespoten; en/of

- een gloeiend(e)/verhitte beitel/schroevendraaier/metalen voorwerp tegen het lichaam Van die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2010 tot en met 28 augustus 2012 te [plaatsen] en/of elders (althans) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een of meer geldbedragen (van meer dan 10.000 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), die [slachtoffer] en/of personen behorende tot zijn familie stelselmatig/meermaals (ernstig) heeft/hebben mishandeld en/of (met de dood) bedreigd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 29 augustus 2012 te [plaatsen] althans (en/of) (elders) in het arrondissement

‘s-Hertogenbosch/Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in diverse panden), (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en), hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2012 tot en met 29 augustus 2012 te [plaatsen], en/of (althans) (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelhe(i)d(en) elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V. en/of Endinet B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak feit 1 (poging tot doodslag)

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat vrijspraak dient te volgen van het onder 1 als eerste cumulatief alternatief ten laste gelegde (poging tot doodslag).

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat het opzet van verdachte gericht is geweest op de dood van [slachtoffer]. Dat geldt ook voor opzet in voorwaardelijke zin; hetgeen uit het strafdossier omtrent de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht kan worden vastgesteld, schiet namelijk te kort om daaruit een aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer te kunnen destilleren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 (als tweede en derde cumulatief alternatief), 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 01 april 2010 tot en met 28 augustus 2012 tezamen en in vereniging met een ander te [plaatsen] en/of elders in Nederland (telkens) ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met geschoeide voet tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft getrapt/geschopt en

- met een deegroller tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en

- een spanband om de hals van die [slachtoffer] heeft aangebracht en vervolgens heeft aangetrokken (waardoor die [slachtoffer] in ademnood is gekomen);

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en

hij in de periode van 01 april 2010 tot en met 28 augustus 2012 tezamen en in vereniging met een ander te [plaatsen] en/of elders in Nederland meermalen telkens opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, hebbende verdachte en/of zijn mededader

- meermaals, met zijn/hun vuist(en)/handen tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer] gestompt/geslagen en

- met een mes in een been van die [slachtoffer] gestoken en

- met een plank tegen het lichaam van die [slachtoffer] geslagen en

- met behulp van een (elektrisch) nietapparaat de voorhuid van de penis van die [slachtoffer] aan een plank vast geniet;

2.

hij in de periode van 01 april 2010 tot en met 28 augustus 2012 in Nederland meermalen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geldbedragen (van 10.000 euro), toebehorende aan [slachtoffer], die [slachtoffer] stelselmatig ernstig heeft mishandeld en met de dood bedreigd en personen behorende tot zijn familie met de dood heeft bedreigd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 29 augustus 2012 te [plaatsen] meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk heeft geteeld een hoeveelheid hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij in de periode van 1 februari 2012 tot en met 29 augustus 2012 te [plaatsen], meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Enexis B.V.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van feit 1

Door de raadsman is - op gronden zoals verwoord in zijn pleitnota - vrijspraak bepleit van de onder 1 in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op 27 augustus 2012 heeft [slachtoffer] (hierna: aangever) aangifte gedaan tegen verdachte en tegen medeverdachten [medeverdachte 1] en (in mindere mate tegen) [medeverdachte 2] van meerdere mishandelingen die dezen zouden hebben gepleegd (dossierpag. 206-207). Op 28 augustus 2012 (dossierpag. 209-215 en 222-227) en 24 september 2012 (dossierpag. 237-250) heeft aangever aanvullende verklaringen afgelegd over de verschillende mishandelingen, bedreigingen en vernederingen die zouden hebben plaatsgevonden. In zijn eerste aanvullende verklaring heeft aangever verklaard dat de feiten die verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zouden hebben gepleegd, hebben plaatsgevonden in de plaatsen [plaatsen] over de periode april 2010 tot 27 augustus 2012.

De verklaringen van aangever zijn zeer gedetailleerd en zijn consistent. Zij komen op het hof betrouwbaar en geloofwaardig over, te meer nu de verklaringen over de verschillende gebeurtenissen niet op zichzelf staan, maar worden ondersteund door na te noemen steunbewijs.

De feiten en omstandigheden die door de raadsman in het kader van het verweer naar voren zijn gebracht bieden, ook in onderling verband bezien, naar het oordeel van het hof geenszins een aanwijzing voor de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van aangever.

Ook anderszins zijn het hof geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen zou moeten worden getwijfeld.

Het hof komt tot de slotsom dat de verklaringen van aangever als betrouwbaar hebben te gelden en het hof zal deze voor het bewijs bezigen.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat ten aanzien van de verschillende ten laste gelegde geweldshandelingen steunbewijs ontbreekt, overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat het in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bewijsminimum, de zogeheten unus testis nullus testis-regel, volgens vaste jurisprudentie betekent dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige/aangever. Een belastende verklaring moet in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarbij heeft te gelden dat de vraag of aan dit bewijsminimum is voldaan zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van het concrete geval vergt.

Ter ondersteuning van de verklaringen van aangever betrekt het hof in het bijzonder de navolgende ondersteunende bewijsmiddelen:

  • -

    door de politie gemaakte foto’s van het letsel van aangever (dossierpag. 216-221);

  • -

    de verklaring van de forensisch geneeskundige F. Horsting d.d. 28 augustus 2012 met betrekking tot het geanalyseerde letsel bij aangever (dossierpag. 261-264), alsmede zijn aanvullende verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 13 mei 2013;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. onderzoek bedrijfspand [adres bedrijf] (dossierpag. 354-355), proces-verbaal Sporenonderzoek d.d. 4 september 2012 (dossierpag. 603-608) en het rapport van DNanalysis d.d. 1 november 2012 (dossierpag. 853-860);

  • -

    het proces-verbaal Sporenonderzoek (dossierpag. 861-863) met bijlagen;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen m.b.t. aantreffen electr. nietmachine te [adres 1] d.d. 6 september 2012 (dossierpag. 373-374)

  • -

    het proces-verbaal Sporenonderzoek d.d. 13 september 2012 (dossierpag. 790-794);

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2012, waarin een beschrijving wordt gegeven van de in de woning van verdachte aangetroffen film- en fotobestanden (dossierpag. 443-448);

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van verbalisant H.T.T. van Boxtel bij de raadsheer-commissaris d.d. 6 januari 2014, waarin de getuige Van Boxtel de eerder gedane positieve herkenning van verdachte op videobeelden, als zijnde de persoon die aangever met een plank tegen het blote achterwerk slaat, heeft bevestigd.

Bovendien vinden de verklaringen van aangever op onderdelen bevestiging in de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] (dossierpag. 144-149) en de getuige [getuige 1], zijnde de vader van aangever (dossierpag. 318-328).

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de navolgende ten laste gelegde geweldshandelingen in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, te weten dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander:

- met geschoeide voet tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft getrapt/geschopt; en

- met een deegroller tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen; en

- een spanband om de hals van die [slachtoffer] heeft aangebracht en vervolgens heeft aangetrokken (waardoor die [slachtoffer] in ademnood is gekomen).

Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand als gevolg van voornoemde geweldshandelingen zwaar lichamelijk letsel oploopt aanmerkelijk. De gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte waren dan ook geëigend om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer, dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn en zijn medeverdachtes bewezen verklaarde handelen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest. Dat dit gevolg in het onderhavige geval niet is ingetreden doet daaraan niet af.

Ten aanzien van de navolgende bewezen verklaarde geweldshandelingen is naar het oordeel van het hof niet vast komen te staan dat deze feiten zijn gepleegd ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aangever opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar wel zodanig ernstig zijn dat deze handelingen als mishandeling kunnen worden aangemerkt, hebbende verdachte en/of zijn mededader:

- meermaals, met zijn/hun vuist(en)/handen tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer] gestompt/geslagen; en

- met een mes in een been van die [slachtoffer] gestoken; en

- met een plank tegen het lichaam van die [slachtoffer] geslagen; en

- met behulp van een (elektrisch) nietapparaat de voorhuid van de penis van die [slachtoffer] aan een plank vast geniet.

Hetgeen voorts door de raadsman in de pleitnota is aangevoerd ten aanzien van deze geweldshandelingen wordt weerlegd door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het verweer van de raadsman wordt in zoverre verworpen.

De overige in de tenlastelegging opgenomen handelingen worden naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen, zodat verdachte van deze onderdelen zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 2 ten laste gelegde poging tot afpersing. Daartoe is aangevoerd dat onvoldoende bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring omdat het feit enkel is gebaseerd op de verklaring van aangever.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte samen met een ander aangever [slachtoffer] en personen behorende tot zijn familie heeft gepoogd af te persen. Uit de stukken in het dossier en hetgeen door het hof onder 1 bewezen heeft verklaard komt naar voren dat door het stelselmatige karakter van de geweldshandelingen bij het slachtoffer een sfeer van terreur en voortdurende angst is ontstaan, waarbij zowel dreigementen in zijn richting als in de richting van zijn familie zijn geuit.

Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte samen met zijn medeverdachte door geweld en/of bedreiging met geweld heeft getracht geldbedragen van € 10.000,- af te persen.

In het bijzonder acht het hof de volgende passages uit de verklaring van aangever van belang voor het bewijs:

- het proces-verbaal van verhoor van aangever d.d. 28 augustus 2012, voor zover hier van belang inhoudende:

Pag. 225-226:

“Toen kwam de derde oogst. Deze is weggehaald. Ik ontdekte dat het was weggehaald, omdat ik als eerste ter plaatse was. Ik kreeg toen de schuld dat ik de hennep weg gehaald zou hebben. Daar is de ellende tussen [voornaam medeverdachte 1] en [naam verdachte] en mij mee begonnen. Toen zijn de eerste klappen gevallen. [voornaam medeverdachte 1] heeft mij toen geslagen. [naam verdachte] was toen verbaal agressief tegen mij. [voornaam medeverdachte 1] en [naam verdachte] begonnen mij toen boetes op te leggen en zij zeiden dat deze ruimte nu besmet was en dat we ergens anders weer opnieuw zouden moeten beginnen.

Ik moest iedere dag naar het pand toe en ik moest doen alsof ik daar mijn eigen

bedrijfje had. [voornaam medeverdachte 1] en [naam verdachte] kwam daar de plantjes verzorgen. Ik kwam alleen in de ruimte waar de hennep stond als zij er bij waren. [naam verdachte] was de expert betreffende de hennep. Ik mocht er wel bij meekijken om de hennep ook te leren verzorgen. Ik was daar dus meer het gezicht, om de dekmantel op te houden. Op dat moment was dat de enige plek waar we hennep hadden. Toen deze plek weg viel moest ik zowel aan [voornaam medeverdachte 1] als aan [naam verdachte] 10.000 euro boete betalen. Ik voelde mij daardoor gedwongen om een nieuwe locatie voor de hennep op te zetten, door de dwang om aan de opgelegde boetes te kunnen voldoen. [voornaam medeverdachte 1] en [naam verdachte] uitte hierbij ook de dreigementen dat als ik niet zou betalen, dat ze het geld bij mijn ouders zouden gaan halen.”

- het proces-verbaal van verhoor van aangever d.d. 24 september 2012, voor zover hier van belang inhoudende:

Pag. 240:

“De eerste twee oogsten in [plaats] waren heel slecht, er waren veel fouten

gemaakt door ons allemaal. Ik kreeg hier de schuld van en kreeg geen geld. [naam verdachte] begon steeds meer druk bij mij te leggen betreffende die 10000 euro. Hij had een vakantie geboekt naar Turkije en dat moest betaald worden van die 10000 euro. Aangezien dat de twee eerder oogsten slecht waren eiste hij dat ik mijn ouders

onder druk ging zetten om daar geld te halen voor hem. Dat heb ik niet gedaan.” (…)

“Ik moest toen op 1 juni 2011 om 14:00 uur bij [naam verdachte] thuis komen. [voornaam medeverdachte 1] ging toen ook mee. Achteraf ben ik er achter gekomen dat [voornaam medeverdachte 1] mee ging om te kijken wat er zou gebeuren. Ik kwam bij [naam verdachte] binnen en [vrouw verdachte] de vrouw van [naam verdachte] zat aan tafel op mij te wachten. Ik moest tegenover haar gaan zitten en zei begon tegen mij te praten. [naam verdachte] stond schuin achter mij. Ik zag tijdens dat gesprek dat [vrouw verdachte] een taser in haar hand pakte die reeds op tafel aanwezig was. Ik zag dat [vrouw verdachte] in de taser kneep en ik zag ook de stroomvonken tussen de twee punten op de taser. Een taser is een soort stroomstootapparaat. Als ik omkeek richting [naam verdachte] sloeg hij mij en zei hij dat ik naar [vrouw verdachte] moest luisteren. [vrouw verdachte] zei tegen mij dat hoe en op wat voor een manier ik het regelde haar niet uitmaakte. Maar ik moest voor 1 juli 2011 alvast 3000 euro betalen voor hun vakantie anders zou [naam verdachte] mij iets aan doen. En [naam verdachte] zou van haar carte blanch daarvoor krijgen zo zei ze het.

Ze zei ook dat als [naam verdachte] mij zou doodschieten ze achter hem zou staan en hem zou steunen. Ik zag dat [naam verdachte] daarop een pistool uit het dressoir pakte en hij liet mij het magazijn zien met de kogels erin. Hij laadde het door en zette het op mijn hoofd. Hij heeft het zeker 1 tot 2 minuten op mijn hoofd gehad en gezegd dat als ik iets verkeerds zou zeggen hij zou schieten. Hij had op dat moment een rood en agressief hoofd dus ik wist voor mijn gevoel dat het menens was. Ik zag [voornaam medeverdachte 1] op de bank zitten. Ik zag dat hij genietend zat te lachen.”

Behalve de verklaring van aangever daaromtrent zal het hof de navolgende verklaringen voor het bewijs bezigen:

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], vader van aangever, voor zover hier van belang inhoudende:

Pag. 319-320: “Voor kerstmis 2010 is er bij hem (het hof begrijpt: bij aangever [slachtoffer]) in zijn woning te [adres 2], een kwekerij opgerold. (…) Na dit voorval met kerst hebben wij hem gewaarschuwd dat hij er mee moest stoppen. Hij heeft toen aangegeven dat hij er niet mee kon stoppen. Achteraf wisten wij dat hij dat toen al met [medeverdachte 1] deed.”

Pag. 321: “Vraag: Verder heeft u tijdens dat gesprek iets verteld over een telefonische bedreiging door [voornaam medeverdachte 1] [medeverdachte 1]. Kunt u daar iets meer over verklaren?

Antwoord: Dit moet geweest zijn op 18 maart 2011.”

Pag. 322: “Een kwartier later ging de telefoon en ik noemde niet mijn naam maar zei “was ik niet duidelijk?” Ik hoorde toen dat [medeverdachte 1] tegen mij begon te schreeuwen. Het was panisch schreeuwen. Hij maakte de opmerking “vuile geldbezitter!”, “ik kom jou opzoeken!”, “je wordt de mijne!” en “ik maak je af!”. Ik ken de stem van [medeverdachte 1] en ik herkende direct dat hij het was. Ik herken hem uit duizenden stemmen, vooral door het agressieve in zijn stem. Ik heb hem weggedrukt. Dit herhaalde zich enkele keren dat er steeds opnieuw werd gebeld, tot ik mijn telefoon heb uitgezet.

Onderweg heb ik er met mijn vrouw over gepraat wat we hier mee zouden doen en dat ik me niet liet bedreigen. (…) Ik heb tegen mijn vrouw gezegd, dat ik aangifte wilde doen, omdat ik me echt bedreigd voelde. We waren bang dat hij echt aan de deur zou komen. We zijn in de auto gestapt om naar het politiebureau in Roermond te gaan. Daar aangekomen deden we ons verhaal aan de balie en werden onze gegevens genoteerd. (…) Wij zeiden dat we bang waren omdat we bedreigd waren met de dood.”

Pag. 324: “Het werd steeds gebracht alsof ze de opbrengst deelden, maar er werden steeds kosten voor de huizen, zijn eten en sigaretten van zijn deel van de opbrengst afgetrokken. Het kwam er steeds op neer dat hij zo veel boetes kreeg dat hij zelfs schulden opbouwde. Het ging zelfs zo ver dat hij 10.000 euro moest betalen aan [naam verdachte], omdat [naam verdachte] met zijn vrouw op vakantie wilde. De vrouw van [naam verdachte], [vrouw verdachte], heeft gezegd dat zij het er mee eens was dat [naam verdachte] [voornaam slachtoffer] zou afmaken als hij die 10.000 euro niet zou geven, omdat zij anders niet op vakantie konden. [voornaam slachtoffer] zou dit geld bij ons moeten komen halen, maar hij heeft ons niet om dit geld durven vragen.”

Pag. 326: (…) “Dit pand (het hof begrijpt: een woning in [plaats]) was bedoeld voor de zelfde reden als de andere huizen, voor hennep. Loonstroken uit het verleden van [voornaam slachtoffer] werden vervalst en gebruikt om huurcontracten af te sluiten. Een makelaar in [plaats] heeft het wel geverifieerd en toen ze aan het bouwen waren stond de makelaar voor de deur over de loonstrook, die niet klopte.

[voornaam slachtoffer] is er door [medeverdachte 1] voor gestraft, dat het zijn schuld was dat ze er achter waren gekomen, dat de loonstrook niet klopte. Ze hebben de makelaar weggestuurd en die zou de volgende dag terug komen. Ze waren een hennepkwekerij aan het bouwen en die hebben ze in een nacht af moeten breken. [voornaam slachtoffer] schijnt hier later ook behoorlijk voor mishandeld te zijn. (…) Die paar keer dat hij bij ons kwam toen we weinig contact hadden, zagen wij wel eens letsel. Bijvoorbeeld een blauw oog of een verwonding op zijn elleboog.”

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], moeder van aangever, voor zover hier van belang inhoudende:

Pag. 331: “Ik hoor u vragen dat er op een gegeven [moment] een telefonische bedreiging heeft plaatsgevonden.

Klopt, dit is gebeurd op 18 maart 2011. (…) [voornaam getuige 1] heeft [voornaam slachtoffer] nog gebeld en gezegd dat hij er helemaal klaar mee is. Dit heeft [voornaam getuige 1] heel duidelijk gemaakt bij [voornaam slachtoffer]. Ergens tussen Dommelen en Valkenswaard ging de telefoon in de auto. [voornaam getuige 1] dacht dat het [voornaam slachtoffer] was en nam de telefoon op met: “Ben ik godverdomme niet duidelijk genoeg geweest”. Maar het was niet [voornaam slachtoffer] aan de telefoon, maar [voornaam medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [voornaam medeverdachte 1] [medeverdachte 1]). Ik weet niet precies wat [voornaam medeverdachte 1] gezegd heeft, maar iets van: “Je bent de mijne”. We hebben hier ook aangifte/melding van gedaan bij de politie in Roermond.”

Ten aanzien van feit 3 en 4

Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde, voor wat betreft de betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij in het pand te [plaats]. Van betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij te [plaats] kan hooguit vanaf februari 2012 sprake zijn geweest, gelet op de verklaring van [medeverdachte 2]. Voor zover is vast komen te staan dat verdachte wist van of betrokken is geweest bij de hennepkwekerijen, kan niet worden bewezen dat verdachte wist van de diefstal van elektriciteit, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier is gebleken dat op 28 augustus 2012 aan de [adres 3] te [plaats] een hennepkwekerij met 350 hennepplanten is aangetroffen (dossierpag. 897-899). Op die dag werden tevens verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie geconstateerd en om die reden is aangifte gedaan door Enexis B.V. van het illegaal afnemen van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij (dossierpag. 932-934).

Op 29 augustus 2012 is een hennepkwekerij met 145 hennepplanten aangetroffen aan het [adres 1] (dossierpag. 949-951). Op 27 augustus 2012 werden door de monteur reeds verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie geconstateerd. Naar aanleiding hiervan is op 17 september 2012 door Enexis B.V. aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij (dossierpag. 974-976).

[slachtoffer] heeft op 25 september 2012 bij de politie een verklaring afgelegd over de betrokkenheid van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] bij het telen van de hennepplanten in deze hennepkwekerijen (dossierpagina 254-260). De getuige [getuige 3] heeft op 24 september 2012 bevestigd dat hij als eigenaar van de woning aan de [adres 3] te [plaats] dit pand sinds 15 februari 2011 heeft verhuurd aan [slachtoffer] (dossierpag. 883).

De verklaring van [slachtoffer] met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij in [plaats] vindt ondersteuning in de verklaring van [medeverdachte 2] (dossierpag. 971). Ten aanzien van de stroomvoorziening in de kwekerij in [plaats] heeft [slachtoffer] verklaard dat deze door verdachte is aangelegd (dossierpagina 257).

Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden in samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2010 tot en met 29 augustus 2012 te [plaats] en te [plaats] tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennepplanten.

Het verweer van de verdediging wordt in zoverre verworpen.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit in het pand aan de Anthony van Opbergenstraat 37 te Eindhoven, zodat verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Poging tot medeplegen van zware mishandeling, meermalen gepleegd

en

medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de omstandigheid dat het onder feit 1 gaat om strafbare feiten, waarbij het slachtoffer door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar stelselmatig en op sadistische wijze is mishandeld, gekleineerd en vernederd;

- de omstandigheid dat het onder feit 2 gaat om een poging tot afpersing, welk feit zich heeft afgespeeld in een sfeer van terreur als hiervoor overwogen. Het slachtoffer is door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] stelselmatig ernstig is mishandeld en meermaals met de dood is bedreigd en personen behorende tot zijn familie zijn bedreigd;

- de omstandigheid dat verdachte met het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ernstig heeft geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan zeer nadelige psychische en lichamelijke klachten kunnen ondervinden;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht en diverse littekens heeft doen ontstaan, zoals onder meer blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij;

- de omstandigheid dat verdachte in hoger beroep niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om blijk te geven van enig inlevingsgevoel in de richting van het slachtoffer.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 februari 2014, waaruit blijkt dat hij eerder ter zake soortgelijke feiten als onder 3 bewezen verklaard door de strafrechter is veroordeeld;

- de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof acht een forse gevangenisstraf op zijn plaats. Daarbij heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de wijze waarop verdachte als evenoverwogen samen met zijn medeverdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd. Ofschoon het hof komt tot een bewezen verklaring van minder dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal is uitgegaan, acht het hof op grond van het vorenstaande toch een straf, gelijk aan die welke door de advocaat-generaal is gevorderd, geboden.

In hetgeen door de raadsman met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren is gebracht ziet het hof geen aanleiding om de straf te matigen.

Beslag

Het voorwerp onder punt 9 van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp met behulp waarvan het onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan (door te dreigen met openbaarmaking van de opnames op het notebook).

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De voorwerpen onder punt 13, 18, 19, 23, 24, 31, 42, 43, 44, 45, 46 en 47 van de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking waartoe of met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan cq. die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf zijn aangetroffen, kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Van hetgeen voorts in beslag genomen en nog niet teruggegeven is (de voorwerpen onder punt 8, 10, 11 en 14 van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen), zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Ten aanzien van de voorwerpen onder punt 7, 12, 15, 16 en 17 van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt en daarvan zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10.000,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.000,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd met haar gehele oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 300, 302, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste cumulatief alternatief ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tweede en derde cumulatief alternatief, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- het voorwerp onder punt 9 van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- de voorwerpen onder punt 13, 18, 19, 23, 24, 31, 42, 43, 44, 45, 46 en 47 van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- de voorwerpen onder punt 8, 10, 11 en 14 van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

-de voorwerpen onder punt 7, 12, 15, 16 en 17 van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. H.D. Bergkotte, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden, griffier,

en op 17 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.