Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1047

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
20-002186-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Achterdeurproblematiek coffeeshops Goes en Vlissingen. De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging omdat vervolging in strijd zou zijn met het door het openbaar ministerie gewekte vertrouwen dat niet wordt vervolgd voor het aanhouden van een grote voorraad soft drugs ten behoeve van een coffeeshop. Het hof vernietigt het vonnis onder verwijzing naar het Checkpointarrest van de Hoge Raad van 2 juli 2013 en wijst de zaak terug naar de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002186-12

Uitspraak : 16 april 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 5 juni 2012 in de strafzaak met parketnummer 12-700202-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd en de verdediging heeft bepleit dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar – thans – de rechtbank Zeeland-West-Brabant teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 september 2009 te Goes tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straat]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 71.315 gram hennep en/of 23.265 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of 21.982 voorgedraaide joints (bevattend hennep en/of hasjiesj), in elk geval een grote hoeveelheid als bedoeld in lid 5 van artikel 11 Opiumwet van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 03 september 2009 te Goes met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in een pand aan de [straat] (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 71.315 gram hennep en/of ongeveer 23.265 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of 21.982 voorgedraaide joints (bevattende hennep en/of hasjiesj), in elk geval een grote hoeveelheid als bedoeld in lid 5 van artikel 11 Opiumwet van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, althans een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 03 september 2009 te Goes, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die bovengenoemd(e) en/of onbekend gebleven perso(o)n(en) voornoemd pand voor de opslag van die hennep en/of hasjiesj ter beschikking te stellen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het gaat in de onderhavige strafzaak om de zogeheten ‘achterdeurproblematiek’ van het Nederlandse coffeeshopbeleid, in het bijzonder met betrekking tot de coffeeshops die door (mede)verdachte [medeverdachte 1] werden gedreven in Goes en Vlissingen.

De rechtbank heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging.

In dit verband is door de rechtbank onder meer overwogen:

“[medeverdachte 1] is eigenaar van twee coffeeshops, namelijk te Goes (…) en te Vlissingen.

(…)

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat de voorraad in de [straat] [te Goes; hof] enkel en bij uitsluiting bestemd was voor de coffeeshops van [medeverdachte 1].

(…)

De rechtbank is (…) tot het oordeel gekomen dat bij het (gereguleerd) gedogen van de verkoop van softdrugs vanuit een coffeeshop, de aanvoer van de voorraad ook dienovereenkomstig (gereguleerd) gedoogd dient te zijn. De overheid neemt met het gedoogbeleid immers op de koop toe dat zo’n coffeeshop ook wordt bevoorraad. (…)

Daarvoor is het aanhouden van een voorraad onvermijdelijk.

Dat coffeeshops als die van [medeverdachte 1] gebruik moeten maken van een dergelijke stash [het hof begrijpt: opslagplaats] moet dan ook bij politie en justitie geruime tijd bekend zijn geweest en het beleid in de driehoek was er dan ook op gericht dat de “achterdeur” ongemoeid werd gelaten. Dit kennelijk binnen de driehoek gezamenlijk gedragen standpunt maakt dat ook het openbaar ministerie in beginsel gebonden moet worden geacht aan het er zake bij de burgers opgewekte vertrouwen.”

Klaarblijkelijk acht de rechtbank strafvervolging in de onderhavige zaak in strijd met het vertrouwensbeginsel, te weten het (mede) door het openbaar ministerie gewekte vertrouwen dat niet wordt vervolgd ter zake van het aanhouden van een (grote) voorraad soft drugs ten behoeve van de coffeeshops.

Bij de beoordeling stelt het hof het volgende voorop.

In zijn arrest van 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563 in de zogeheten Checkpoint-zaak, die ook zag op de hiervoor aangehaalde ‘achterdeurproblematiek’, heeft de Hoge Raad ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het volgende overwogen:

“2.4.1. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, LJN BX4280,

NJ 2013/109).

2.4.2. Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.

Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend (vgl. HR 8 mei 2012, LJN BW5002).

2.4.3. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Zoals overwogen in het hierboven genoemde arrest van 6 november 2012 dienen aan het oordeel dat het openbaar ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard zware motiveringseisen te worden gesteld.

(…)

2.5.1 Indien die overwegingen aldus moeten worden begrepen dat daarin tot uitdrukking is gebracht dat de verdachte, die ervan kon uitgaan dat het plaatselijke gezag bekend was met het stelselmatige overtreden van de in de gedoogvergunning gestelde voorwaarden, aan het uitblijven van bestuursrechtelijke en (in de periode vóór 1 juni 2007) strafvorderlijke maatregelen ter beëindiging van die overtredingen het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij ter zake van de in strijd met de gedoogvoorwaarden begane misdrijven tegen de Opiumwet niet zou worden vervolgd, heeft het Hof miskend dat zulk uitblijven van handhavend optreden niet op één lijn kan worden gesteld met een door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlating als hiervoor in 2.4.2 bedoeld. Dit wordt niet anders door de enkele omstandigheid dat bij het zogenoemde driehoeksoverleg, waarin het plaatselijke coffeeshopbeleid en de gang van zaken bij Checkpoint werden besproken, ook het Openbaar Ministerie was vertegenwoordigd.”

Het hof constateert dat de rechtbank niet heeft vastgesteld welke door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd ter zake van het aanhouden van een (grote) voorraad soft drugs ten behoeve van de coffeeshops.

Het hof kan aan de hand van het dossier niet vaststellen dat zulke uitlatingen of gedragingen wel zijn gedaan of verricht. In dit verband is mede van belang dat het driehoeksoverleg als zodanig in de regel niet namens het openbaar ministerie – dat deel uitmaakt van dit driehoeksoverleg – het vertrouwen kan wekken dat niet zal worden vervolgd. Aan het driehoeksoverleg als zodanig zijn immers geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing toegekend.

Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat de rechtbank haar oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, ontoereikend heeft gemotiveerd.

Het vonnis leent zich niet voor bevestiging met aanvulling of verbetering van gronden (als bedoeld in artikel 423, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering), nu het hof deze gronden niet heeft aangetroffen in het dossier.

Het vonnis zal daarom worden vernietigd.

Terugwijzing

Nu zowel de advocaat-generaal als de verdediging heeft verzocht de zaak conform artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering terug te wijzen naar de rechtbank, komt het hof niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak en zal het aldus beslissen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep;

Wijst de zaak terug naar – thans – de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Middelburg) teneinde deze op de bestaande tenlastelegging te berechten en af te doen.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs. T. Kraniotis, griffier,

en op 16 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.