Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1045

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
20-003600-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het plegen van drie overvallen, gemaskerd en met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en verduistering van een auto. Oplegging van een gevangenisstraf van 7 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003600-13

Uitspraak : 15 april 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 oktober 2013 in de strafzaak met parketnummer 02-800091-13 tegen:

[verdachte],

geboren te Breda [in 1981],

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - Gevangenis De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van het, in vereniging, plegen van twee overvallen op supermarkten (feiten 1 en 4) en het plegen van verduistering (feit 5) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.

Tevens heeft de rechtbank beslist over schadevergoeding aan de benadeelde partijen en over in beslag genomen voorwerpen.

Verdachte is vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde overval en de onder 3 ten laste gelegde poging tot doodslag dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en/of poging overval.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [A] afgewezen.

Nu de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd, is deze vordering in hoger beroep niet meer aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft:

 gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte vrij zal spreken van het ten laste gelegde onder 3, de onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest;

 een standpunt ingenomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld onder het kopje ‘Vorderingen van de benadeelde partijen’;

 gevorderd dat het gerechtshof de beslissing van de rechtbank zal volgen omtrent de in beslag genomen voorwerpen.

De verdediging heeft:

 primair integrale vrijspraak bepleit, zodat de benadeelde partijen in dat geval
niet-ontvankelijk zullen moeten worden verklaard in hun vordering;

 subsidiair, in geval van veroordeling, een strafmaatverweer gevoerd alsmede bepleit dat wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen aansluiting zal worden gezocht bij de beslissing van de rechtbank hieromtrent.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank en het wat betreft het onder 2 ten laste gelegde tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 03 januari 2013 te Steenderen, gemeente Bronckhorst, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van in totaal -circa- 2453,17 euro en/of een aantal pakjes sigaretten (Marlboro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Coop Supermarkt en/of
[A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- met (een) bivakmuts(en) op zijn/hun hoofd(en) de winkel is/zijn binnen gekomen en/of

- zichtbaar voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in (een) zijner handen heeft gehouden en/of dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht (gehouden) op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, -zakelijk weergegeven- opzettelijk dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: “Ik wil het geld uit de kluis” en/of “dit duurt te lang” en/of “dat ze nog sigaretten wilde(n)”, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

2.
hij op of omstreeks 10 januari 2013 te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van in totaal -circa- 1.981,82 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of COOP supermarkt, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] en/of

[slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal -circa- 1.981,82 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of

COOP Supermarkt, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- met een bivakmuts op zijn hoofd de supermarkt COOP is binnen gegaan en/of

- zichtbaar voor die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in een zijner handen heeft gehouden en/of dat vuurwapen, althans het op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of (daarbij) opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal,

-zakelijk weergegeven- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] de woorden heeft toegevoegd: “de kassa la open” en/of “Je kan de kassa la toch wel openen” en/of “Geld, kassa” en/of “Hebben jullie nog meer” en/of “Is dit alles” en/of “Maak deze ook maar open” en/of “Het zijn barre tijden meneer”, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

3.
hij op of omstreeks 25 januari 2013 te Waspik, gemeente Waalwijk, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 5] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, naar/in de richting van die Kanata heeft geschoten, althans twee/een schot(en) heeft gelost naar/in de richting van die [slachtoffer 5], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 25 januari 2013 te Waspik, gemeente Waalwijk, op of aan de openbare weg, te weten het Dorpsplein, althans op of aan een openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 5] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, hebbende en/of zijnde hij, verdachte, (terwijl hij een bivakmuts op zijn hoofd had), een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht (gehouden) op die [slachtoffer 5] en/of (aldus) naar die [slachtoffer 5] toegelopen en/of twee/een schot(en) gelost met dat vuurwapen, althans met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/naar/in de richting van die [slachtoffer 5] en/of die [slachtoffer 5] meermalen, althans eenmaal, opzettelijk dreigend, -zakelijk weergegeven- de woorden toegevoegd: “Ik kom u overvallen, geld geven” en/of “Ik maak geen grapje, je moet al het geld geven”, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.
hij op of omstreeks 28 januari 2013 te Waspik, gemeente Waalwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van in totaal

-circa- 4.990,94 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of PLUS supermarkt, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 8] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal -circa- 4.990,94 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of PLUS Supermarkt, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- met een bivakmuts op zijn/hun hoofd de supermarkt PLUS is/zijn binnen gegaan en/of

- zichtbaar voor die [slachtoffer 8] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in een zijner handen gehouden en/of dat vuurwapen, althans het op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op die [slachtoffer 8] en/of (daarbij) opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, -zakelijk weergegeven- die [slachtoffer 8] de woorden heeft toegevoegd: “maak open” en/of “gewoon iets aanslaan en dan openen” en/of “waar is het grote geld” en/of “pak het even” en/of “2.000 euro rijker, sorry meisje, crisis”, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

5.
hij in of omstreeks de periode van 30 november 2012 tot en met 28 januari 2013 te Chaam, gemeente Alphen Chaam en/of te Oosterhout en/of te Gilze opzettelijk een (personen)auto (Kia Carens), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten met het doel om deze auto te kopen onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van feit 3

Met de advocaat-generaal en de verdediging en gelijk de rechtbank is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het bewijs

P.M.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Feit 1

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

Daartoe is (kort gezegd) aangevoerd dat verdachte op 3 januari 2013 wel in de pizzeria en de Coop in Steenderen is geweest, maar niet de overval heeft gepleegd. Hij droeg die dag niet de in beslaggenomen zwarte Pierre Cardin jas, dat blijkt evenmin uit het dossier. Bovendien blijkt onvoldoende dat dit dezelfde jas is als de jas van de overvaller.

Verder kan op basis van de camerabeelden geen identificatie van de dader plaatsvinden, zodat verdachte evenmin op basis van de beelden kan worden aangewezen als dader. Het signalement dat van de overvaller in de zwarte jas is gegeven is zo algemeen dat velen daaronder kunnen vallen, terwijl ook het signalement van de tweede overvaller te algemeen is, zodat niet kan worden gesteld dat dit medeverdachte [medeverdachte] moet zijn geweest.

De beelden van de auto zijn onduidelijk en bovendien is deze auto niet te linken aan de overvallers. De politie heeft via internetonderzoek toegeredeneerd naar een vooraf gedane conclusie. Voorts is niet gerechercheerd naar door getuigen genoemde potentiële andere verdachten. Er is derhalve onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een veroordeling.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting ten eerste vast dat verdachte past in het specifieke signalement dat is gegeven van de overvaller. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat een signalement van een man van ongeveer 1.90 meter lang en een dik/fors postuur, zoals dat door getuigen is gegeven en zoals ook is gebleken uit de foto van de overvaller in de zwarte jas, geenszins is aan te merken als een vrij algemeen signalement waar veel personen onder kunnen vallen.

Gelet op de omstandigheden dat:

 de lange zwarte jas van een van de twee overvallers sterke overeenkomsten vertoont met de in beslaggenomen Pierre Cardin jas;

 verdachte heeft verklaard dat de in beslaggenomen Pierre Cardin jas aan hem toebehoort;

 in de in beslaggenomen Pierre Cardin jas op naam van verdachte gestelde documenten zijn aangetroffen, waaronder een paspoort op naam van verdachte;

 getuige [getuige 1] ongeveer een uur voor de overval een grote dikke man met een lange zwarte jas zijn pizzeria binnen heeft zien komen;

trekt het hof, anders dan door en namens verdachte is gesteld, de conclusie dat verdachte op 3 januari 2013 wel degelijk de genoemde Pierre Cardin jas heeft gedragen.

Gelet op de omstandigheden dat:

 de zwarte jas met bontkraag van een van de twee overvallers sterke overeenkomsten vertoont met de in beslaggenomen jas die is aangetroffen in de [adres] te Gilze;

 medeverdachte [medeverdachte] is aangehouden in genoemde woning en daar kennelijk verbleef;

 getuige [getuige 2] [medeverdachte] heeft herkend op de beelden van de pizzeria en het hof er, zoals overwogen bij bewijsmiddel 12, vanuit gaat dat de getuige daarmee doelde op de persoon met de zwarte jas met bontkraag;

trekt het hof de conclusie dat medeverdachte [medeverdachte] samen met verdachte op de camerabeelden van de pizzeria is te zien.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en op grond van de voorgaande conclusies gaat het hof er vanuit dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 3 januari 2013, ongeveer een uur voor de overval, bij de pizzeria Haj in Steenderen zijn geweest en dat verdachte kort daarvoor alleen in de Coop in Steenderen is geweest.

Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat:

 de overvallers gebruik hebben gemaakt van een grijze personenauto;

 de auto op de camerabeelden hoogst waarschijnlijk het meest gelijkenis vertoont met een Kia Carens, een 5-deurs auto;

 verdachte de beschikking had over een Kia Carens.

Bij de overval is gebruik gemaakt van bivakmutsen, een tas van Jumbo en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Bivakmutsen, een tas van Jumbo en een vuurwapen, alsmede de hiervoor genoemde jassen, zijn aangetroffen in de woning aan de [adres] te Gilze, de woning waar verdachte en medeverdachte [medeverdachte] verbleven en door de politie zijn aangehouden.

Op grond van al het voorgaande alsmede de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband beschouwd is het hof van oordeel dat het geenszins aannemelijk is geworden dat een andere man met het voorkomen van verdachte, met de huisgenoot van verdachte de overval heeft gepleegd, zodat het naar het oordeel van het hof niet anders kan dan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de overval op de Coop supermarkt in Steenderen op 3 januari 10 januari 2013 hebben gepleegd. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Het hof verwerpt het verweer.

Feit 2

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

Daartoe is (kort gezegd) aangevoerd dat verdachte zijn betrokkenheid bij de overval ontkent en het dossier onvoldoende bewijs bevat voor het tegendeel. De camerabeelden van de overval geven een vrij algemeen signalement van de dader waar veel personen onder kunnen vallen. Bovendien hebben getuigen verklaard dat het ging om een man van

40-50 jaar oud en zonder Brabants accent, terwijl verdachte aanzienlijk jonger is en met een Brabants accent spreekt. Er is niet meer bewijs dan dat een man in zwarte kleding een overval heeft gepleegd. Dat is te weinig voor een veroordeling.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof stelt ten eerste vast dat verdachte past in het specifieke signalement dat is gegeven van de overvaller. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat een signalement van een man van ongeveer 1.90 meter lang en een dik/fors postuur, zoals dat door getuigen is gegeven en zoals ook is gebleken uit de foto van de overvaller, geenszins is aan te merken als een vrij algemeen signalement waar veel personen onder kunnen vallen.

Op grond van de omstandigheden dat:

 de jas van de overvaller sterke overeenkomsten vertoont met de onder verdachte in beslaggenomen Pierre Cardin jas;

 verdachte heeft verklaard dat de in beslaggenomen Pierre Cardin jas aan hem toebehoort;

 in die in beslaggenomen jas op naam van verdachte gestelde documenten zijn aangetroffen, waaronder een paspoort op naam van verdachte;

trekt het hof de conclusie dat verdachte genoemde Pierre Cardin jas op enig moment heeft gedragen.

Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat in de woning waar verdachte verbleef een bivakmuts, een vuurwapen, een Jumbo tas en een zwarte Pierre Cardin zijn aangetroffen en in beslaggenomen. Het hof stelt vast dat dit voorwerpen zijn die gelijkenis vertonen met de voorwerpen die door de overvaller zijn gebruikt.

Het hof is van oordeel dat geenszins aannemelijk is geworden dat een andere man met hetzelfde voorkomen als verdachte de overval heeft gepleegd, nu er geen enkele concrete aanwijzing is dat een andere man dan verdachte, met hetzelfde postuur als verdachte, eveneens in de woning aan de [adres] te Gilze verbleef en dat die persoon eveneens voornoemde of soortgelijke in beslaggenomen voorwerpen tot zijn beschikking had.

Op grond van het voorgaande alsmede de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband beschouwd, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat verdachte ook de overval op de Coop supermarkt in Nieuwendijk op 10 januari 2013 heeft gepleegd. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Het hof verwerpt het verweer.

Feit 4

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

Daartoe is (kort gezegd) aangevoerd dat de camerabeelden van de overval een vrij algemeen signalement van de dader geven waar veel personen onder kunnen vallen.

Er zijn goederen in de woning waar verdachte verbleef aangetroffen die zouden zijn te linken aan de overval, maar het valt niet uit te sluiten dat anderen dan verdachte van die voorwerpen gebruik hebben gemaakt. Getuige[getuige 3] heeft verklaard over een grijze auto en omschrijft een man van ongeveer 1.80 meter lang en met een fors postuur, maar niet dik of vadsig. Dit kan verdachte, bijna 2.00 meter lang en 150 kilogram wegend niet zijn. Bovendien kan geen link worden gelegd met verdachte via zijn auto, aangezien vele anderen die auto gebruikten. Als laatste heeft verdachte een verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA op de tape en kentekenplaten, die zijn aangetroffen in de woning waar hij verbleef. Aldus is er onvoldoende bewijs voor een veroordeling.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof constateert dat het signalement van de grote en forse overvaller in belangrijke mate overeenkomt met dat van verdachte.

Voort stelt het hof aan de hand van de foto’s die zich bij de bewijsmiddelen bevinden van de zwarte jas die de ene overvaller droeg en de witte trui met opschrift “32” die de andere overvaller droeg alsmede de foto’s van de in de woning waar verdachte en medeverdachte [medeverdachte] verbleven aangetroffen zwarte Pierre Cardin jas en de witte trui met opschrift “32” vast, dat de jassen onderling en de truien onderling sterk met elkaar overeenkomen.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen trekt het hof bovendien de volgende conclusies:

 Verdachte heeft op enig moment de in zijn woning in beslaggenomen zwarte
Pierre Cardin jas gedragen;

 Medeverdachte [medeverdachte] heeft op enig moment de in beslaggenomen witte trui cq. vest met opschrift “32” gedragen;

 Getuige [getuige 3] heeft, gelet op het tijdstip van zijn waarnemingen, de overeenkomst tussen het opgegeven signalement van de twee mannen en het signalement van de overvallers en het feit dat de Plus supermarkt is gevestigd aan de Kerkstraat in Waspik, de daders van de overval gezien, waardoor naar het oordeel van het hof tevens vast staat dat de daders van de overval gebruik hebben gemaakt van een auto met het kenteken [kenteken 1];

 Verdachte heeft, gelet op het aantreffen van zijn DNA op de tape op een van de kentekenplaten in combinatie met het feit dat de kentekenplaat met de tape is aangetroffen in de woning van verdachte, de tape op de kentekenplaat met kenteken [kenteken 1] aangeraakt;

 Medeverdachte [medeverdachte] heeft één van de kassabakjes die in de woning aan de [adres] te Gilze zijn aangetroffen vastgepakt.

Verder blijkt uit de bewijsmiddelen:

 dat de overval is gepleegd door twee mannen;

 dat de twee overvallers een gele Jumbo tas bij zich hadden, terwijl een dergelijke tas ook is aangetroffen in de woning waar verdachte en medeverdachte [medeverdachte] verbleven;

 dat bij de overval kassabakjes zijn weggenomen;

 dat in de woning waar verdachte en medeverdachte [medeverdachte] verbleven dergelijke kassabakjes zijn aangetroffen, die [slachtoffer 6] heeft herkend als identiek aan de kassabakjes die zijn weggenomen.

Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen alsmede de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband beschouwd, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de overval op de Plus supermarkt op 28 januari 2013 in Waspik hebben gepleegd. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat een deel van het weggenomen geldbedrag door verdachte en zijn mededader [medeverdachte] is gepakt en een deel door aangeefster aan de overvallers is afgegeven, zodat het hof bij de bewezen verklaring uit gaat van diefstal met geweld en afpersing.

Het hof verwerpt het verweer.

Feit 5

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

Daartoe is (kort gezegd) aangevoerd dat sprake is geweest van communicatieproblemen en misverstanden, maar dat verdachte niet het opzet had om zich de auto wederrechtelijk toe te eigenen. Door de vader van verdachte was bedoeld aangifte te doen van vermissing van de auto, omdat verdachte onbereikbaar was.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof leidt uit het dossier af dat de Kia Carens met kenteken [kenteken 2] op naam stond van de vader van verdachte, [benadeelde 1] – die aangifte heeft gedaan van verduistering mede namens zijn broer [benadeelde 2] – maar dat laatstgenoemde eigenaar is van de auto.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de Kia Carens op 30 november 2012 heeft meegenomen, dat hij van deze auto gebruik heeft gemaakt en dat hij op de afgesproken datum van 4 december 2012 de auto niet heeft betaald. Verdachte heeft de auto onder zich gehouden zonder de koopsom te voldoen. Onder deze omstandigheden heeft verdachte naar het oordeel van het hof, zonder daartoe gerechtigd te zijn, als heer en meester over de auto beschikt. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel, dat verdachte de Kia Carens opzettelijk zich heeft toegeëigend.

Aan het voorgaande doet niet af dat door en namens verdachte naar voren is gebracht dat hij op 4 december 2012 vanwege persoonlijke en financiële problemen de koopsom niet kon voldoen alsmede de omstandigheid dat [benadeelde 1], zowel ter terechtzitting in hoger beroep als getuige maar ook in een schriftelijke verklaring te kennen heeft gegeven dat een en ander zou berusten op een miscommunicatie. Evenmin acht het hof aannemelijk dat [benadeelde 1], zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft verklaard en door de verdediging is gesteld, de bedoeling had aangifte te doen van vermissing van de auto. Immers, [benadeelde 1] heeft na het indienen van de aangifte eveneens klacht gedaan van die verduistering bij de hulpofficier van justitie met het uitdrukkelijke verzoek strafvervolging te doen instellen tegen verdachte.

Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Bewezenverklaring

Op grond van de redengevende feiten en omstandigheden, zoals deze volgen uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband beschouwd, alsmede de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 03 januari 2013 te Steenderen, gemeente Bronckhorst, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van in totaal 2453,17 euro en een aantal pakjes sigaretten (Marlboro), toebehorende aan [A], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededader

- met een bivakmuts op hun hoofden de winkel zijn binnen gekomen en

- zichtbaar voor die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand heeft gehouden en dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht (gehouden) op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] -zakelijk weergegeven- opzettelijk dreigend de woorden hebben toegevoegd: "Ik wil het geld uit de kluis” en "dit duurt te lang" en “dat ze nog sigaretten wilden”;

2.
hij op 10 januari 2013 te Nieuwendijk, gemeente Werkendam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van in totaal

1.981,82 euro, toebehorende aan [slachtoffer 3], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- met een bivakmuts op zijn hoofd de supermarkt COOP is binnen gegaan en

- zichtbaar voor die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in een zijn hand heeft gehouden en (daarbij) opzettelijk dreigend -zakelijk weergegeven- die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] de woorden heeft toegevoegd: “de kassa la open” en “Je kan de kassa la toch wel openen” en “Geld, kassa” en “Hebben jullie nog meer” en “Is dit alles” en “Maak deze ook maar open”;

4.
hij op 28 januari 2013 te Waspik, gemeente Waalwijk, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen
[slachtoffer 8], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 8] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededader

- met een bivakmuts op hun hoofd de supermarkt PLUS zijn binnen gegaan en

- zichtbaar voor die [slachtoffer 8] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand gehouden en dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op die [slachtoffer 8] en (daarbij) opzettelijk dreigend -zakelijk weergegeven- die [slachtoffer 8] de woorden heeft toegevoegd: "maak open" en "gewoon iets aanslaan en dan openen" en "waar is het grote geld" en "pak het even";

5.
hij in de periode van 4 december 2012 tot en met 28 januari 2013 te Gilze opzettelijk een personenauto (Kia Carens), toebehorende aan [benadeelde 2], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten met het doel om deze auto te kopen onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

4.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

5.

Verduistering.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan drie overvallen en verduistering van een auto.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor die strafbare feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft een lagere strafoplegging bepleit en verzocht aansluiting te zoeken bij het LOVS-oriëntatiepunt van een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, zoals dat geldt bij de categorie ‘overval op een winkel met licht geweld/bedreiging’. Mocht het hof komen tot een bewezen verklaring van alleen de verduistering heeft de verdediging bepleit dat zal worden volstaan met oplegging van een taakstraf of geldboete.

Het hof overweegt het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft drie overvallen, waarvan twee met een ander, gepleegd, gemaskerd, met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Voor de medewerkers van de supermarkten die hier het slachtoffer van waren, moet dit een traumatische en angstige ervaring zijn geweest, zoals daarvan ook is gebleken uit de slachtofferverklaringen.

Dergelijke overvallen zoals bewezen verklaard onder 1, 2 en 4 veroorzaken onrust in de samenleving in het algemeen en bij de supermarktondernemers en -medewerkers in het bijzonder.

Ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten als de onderhavige kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf van een behoorlijk aantal jaren. Het hof let daarbij op de ernst ervan in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde strafmaxima en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Voor dat laatste geldt dat volgens de oriëntatiepunten ter zake van een overval op een winkel van de categorie ‘licht geweld/bedreiging’ een gevangenisstraf van twee jaar als passend kan worden beschouwd. Het gebruik van een vuurwapen (althans een daarop lijkend voorwerp) en de omstandigheid dat de overval in vereniging is gepleegd, vormen in elk geval elementen die strafverzwarend zijn. Het hof is van oordeel dat hierdoor voor de slachtoffers een nog bedreigender beeld is ontstaan ten opzichte van de situatie waarin slachtoffers worden geconfronteerd met één persoon, die zonder wapen (of een daarop gelijkend voorwerp) maar met licht geweld of bedreiging een winkeloverval pleegt, waarop genoemd oriëntatiepunt ziet.

Het hof is bovendien van oordeel dat ook het tijdstip waarop verdachte de bewezen verklaarde overvallen heeft gepleegd, te weten eind van de middag cq begin van de avond zodat veel supermarktklanten van nabij getuige zijn geweest van de overvallen – zoals daarvan is gebleken op de zich in het dossier bevindende camerabeelden die van de overvallen zijn gemaakt – in strafverzwarende zin moet worden meegewogen.

Gelet op het voorgaande acht het hof in het onderhavige geval voor een overval zoals onder 1 en 4 bewezen verklaard een gevangenisstraf voor de duur van 2,5 jaar een passende sanctie. Voor de onder 2 bewezen verklaarde overval, die verdachte alleen heeft gepleegd, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren op zijn plaats.

Hoewel verdachte, zoals onder 5 bewezen is verklaard, ook een personenauto heeft verduisterd, zal dat feit geen rol spelen bij de bepaling van de op te leggen straf.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hof in het onderhavige geval oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden acht.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Feit 1

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.883,28, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.633,28. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. In hoger beroep duurt de vordering dan ook van rechtswege voort tot een bedrag van EUR 1.633,28.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte en zijn mededader zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.860,93. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.610,93 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd mede ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte en zijn mededader zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Feit 2

Benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 805,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Feit 3

Benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 2.832,65, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen.

Feit 4

Benadeelde partij [benadeelde partij 5]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.522,40, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 5] als gevolg van verdachtes onder 4 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte en zijn mededader zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Benadeelde partij [benadeelde partij 6]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.240,91. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 6] als gevolg van verdachtes onder 4 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte en zijn mededader zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Oplegging schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Het hof ziet aanleiding om ter zake van de hiervoor onder het kopje ‘vorderingen van de benadeelde partijen’ door het hof toegewezen vorderingen tot schadevergoeding telkens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als hierna te melden. Verdachte en (met uitzondering van de schade die alleen door het handelen van verdachte zoals onder 2 bewezen is verklaard is toegebracht) zijn mededader zijn telkens naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door de strafbare feiten zijn toegebracht.

Beslag

Het hof zal de onder verdachte in beslaggenomen zwarte bivakmuts (AAFN5796NL) onttrekken aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten is aangetroffen, het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de bivakmuts kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als de onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde feiten.

Van de onder verdachte in beslag genomen zwarte jassen zal het hof de teruggave gelasten aan verdachte, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet en uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat deze voorwerpen aan hem toebehoren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36d, 36f, 57, 63, 312, 317 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen zwarte bivakmuts (AAFN5796NL).

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen zwarte jas met bontkraag

“g 1.3” en de zwarte jas “g 1.1”.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.633,28 (duizend zeshonderddrieëndertig euro en achtentwintig cent) bestaande uit EUR 133,28 (honderddrieëndertig euro en achtentwintig cent) materiële schade en EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van EUR 1.633,28 (duizend zeshonderddrieëndertig euro en achtentwintig cent) bestaande uit EUR 133,28 (honderddrieëndertig euro en achtentwintig cent) materiële schade en EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.860,93 (duizend achthonderdzestig euro en drieënnegentig cent) bestaande uit EUR 110,93 (honderdtien euro en drieënnegentig cent) materiële schade en EUR 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van EUR 1.860,93 (duizend achthonderdzestig euro en drieënnegentig cent) bestaande uit EUR 110,93 (honderdtien euro en drieënnegentig cent) materiële schade en EUR 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 (achtentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 805,00 (achthonderdvijf euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van EUR 805,00 (achthonderdvijf euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] in haar vordering tot schadevergoeding

niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.522,40 (duizend vijfhonderdtweeëntwintig euro en veertig cent) bestaande uit EUR 22,40 (tweeëntwintig euro en veertig cent) materiële schade en EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5], een bedrag te betalen van EUR 1.522,40 (duizend vijfhonderdtweeëntwintig euro en veertig cent) bestaande uit EUR 22,40 (tweeëntwintig euro en veertig cent) materiële schade en EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.240,91 (duizend tweehonderdveertig euro en eenennegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 6], een bedrag te betalen van EUR 1.240,91 (duizend tweehonderdveertig euro en eenennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en op 15 april 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.