Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:1040

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
20-001077-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1250, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Nadat het originele dossier in het ongerede is geraakt, is gebleken dat de politie na sluiting van het onderzoek van dat dossier een scan had gemaakt. Het hof heeft aan de hand van de eisen gesteld in het Besluit van 17 januari 2011, houdende regels met betrekking tot het elektronisch proces-verbaal vastgesteld dat het gescande dossier kan worden aangemerkt als een digitaal afschrift en dat het derhalve een identieke weergave bevat van het originele papieren dossier zodat aan dit afschrift dezelfde bewijskracht kan toekomen als aan het origineel. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001077-12

Uitspraak : 5 februari 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van

13 maart 2012 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-811728-10 en

02-811322-11, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte:

- vrijgesproken ter zake van:

 de in de strafzaak met parketnummer 02-811728-10 onder 2 primair ten laste gelegde medeplichtigheid aan diefstal met geweld

 de in de strafzaak met parketnummer 02-811322-11 onder 3, 5 en 6 telkens ten laste gelegde (medeplegen van) diefstal met braak

- veroordeeld ter zake van:

 het in de strafzaak met parketnummer 02-811728-10 onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van een diefstal met geweld

 de in de strafzaak met parketnummer 02-811728-10 onder 2 subsidiair ten laste gelegde diefstal

 het in de strafzaak met parketnummer 02-811322-11 onder 1, 2, 4 en 8 telkens ten laste gelegde medeplegen van diefstal met braak

 de in de strafzaak met parketnummer 02-811322-11 onder 7 ten laste gelegde diefstal met braak

tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.

Tevens werden in het vonnis van beroep beslissingen genomen:

- in de strafzaak met parketnummer 02-811728-10, omtrent de vordering van de benadeelde partij:

 [benadeelde partij 1] (het ten laste gelegde onder 2 primair)

- in de strafzaak met parketnummer 02-811322-11, omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen:

 [benadeelde partij 2] (het ten laste gelegde onder 4)

 [benadeelde partij 3] (het ten laste gelegde onder 5)

 [benadeelde partij 4] (het ten laste gelegde onder 6)

 [benadeelde partij 5] (het ten laste gelegde onder 7).

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 02-811728-10 onder 1 (primair en subsidiair) en onder 2 (primair en subsidiair) en onder parketnummer 02-811322-11 onder 1, 2, 4, 7 en 8 is ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

De vorderingen van de benadeelde partijen die zijn gerelateerd aan de ten laste gelegde feiten waarvan verdachte is vrijgesproken, zijn derhalve in hoger beroep niet meer aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit dat:

  • -

    het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de strafvervolging dan wel dat bewijsuitsluiting dient plaats te vinden;

  • -

    verdachte zal worden vrijgesproken van alle in hoger beroep aan de orde zijnde ten laste gelegde feiten.

  • -

    de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] bij vrijspraak van de ter zake doende ten laste gelegde feiten niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen;

  • -

    indien het hof toch tot enige bewezenverklaring komt, de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk het reeds uitgezeten voorarrest en hem daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging met parketnummer 02-811728-10 ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

In de zaak met parketnummer 02-811728-10:

1.


hij op of omstreeks 11 februari 2010 te Udenhout, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kassa, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend heeft/hebben toegevoegd: "geld" en/of "Geld, geld, vlug, snel, geld", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

subsidiair,
[medeverdachte 1], althans een onbekend gebleven persoon, op of omstreeks 11 februari 2010 te Udenhout, gemeente Tilburg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kassa, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf]., in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of die onbekend gebleven persoon, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1], althans die onbekend gebleven persoon:

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend heeft toegevoegd: "Geld" en/of "Geld, geld, vlug, snel, geld", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 11 februari 2010 te Udenhout, gemeente Tilburg, en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemde [medeverdachte 1] en/of voornoemde onbekend gebleven persoon van en naar voornoemd bedrijf te rijden en/of tijdens het plegen van voornoemde diefstal met geweld op de uitkijk te staan;


2.
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 24 oktober 2009 te Oisterwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een geldbedrag van ongeveer 5.000 Euro, althans enig geldbedrag en/of een of meer slijtersbon(nen) en/of een rabobankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [benadeelde partij 1] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 1] dreigend heeft/hebben toegevoegd: "Geld man, wij moeten geld man", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 oktober 2009 tot en met 24 oktober 2009 te Oisterwijk en/of te Tilburg, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] een gestolen auto, te weten een Ford Escort (kenteken [kenteken]), ter beschikking te stellen ten behoeve van voornoemde diefstal met geweld in vereniging;

subsidiair,
hij op een tijdstip in de periode van 8 oktober 2009 t/m 10 oktober 2009 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Ford, kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming;

In de zaak met parketnummer 02-811322-11

1.
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 20 september 2009 t/m 22 september 2009 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een sportkantine (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een televisietoestel en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [voetbalvereniging 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 28 september 2009 t/m 29 september 2009 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een sportkantine (gelegen aan [adres]) heeft weggenomen een of meer levensmiddelen en/of een of meer televisietoestel(len) en/of een videocamera en/of een geldbedrag van circa 500 Euro en/of een TFT-beeldscherm, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [voetbalvereniging 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.


hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 03 oktober 2009 t/m 04 oktober 2009 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een sportkantine (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een televisietoestel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [voetbalvereniging 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

7.
hij op of omstreeks 7 oktober 2009 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een sportkantine (gelegen aan het [adres]) heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) en/of een draadloze microfoon en/of levensmiddelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [voetbalvereniging 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

8.
hij in of omstreeks 7 december 2009 t/m 08 december 2009 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een sportkantine (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [voetbalvereniging 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de zaak met parketnummer 02-811728-10

I. vastgestelde feiten en omstandigheden

Het hoger beroep van verdachte is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van het hof van januari 2014.

In de maanden daaraan voorafgaand is het hof gebleken dat een bij het dossier behorende doos met mappen van het originele politieproces-verbaal in het ongerede was geraakt. Deze doos is tot op heden niet teruggevonden.

In de zaak met parketnummer 02/811322-11 (vermeende inbraken in sportkantines en autodiefstallen) bleek de advocaat-generaal wel te beschikken over een origineel ‘kopie conform het originele dossier’ getekend exemplaar van het politieproces-verbaal.

In de zaak met parketnummer 02/811728-10 (de onderzoeken [onderzoek 1] en [onderzoek 2]) bleken (alle) vijf mappen van het originele politieproces-verbaal in het ongerede te zijn geraakt en waren er slechts kopieën van ‘kopie conform het originele dossier’ getekende exemplaren.

Ter terechtzitting van het hof van 9 augustus 2013 heeft de advocaat-generaal medegedeeld dat de verbalisant die destijds de betreffende processen-verbaal heeft samengesteld, te weten J.G. de Bruijn, die originele dossierstukken, voorafgaande aan de inzending aan het openbaar ministerie, heeft gescand. De advocaat-generaal was in staat om de scan van het in het ongerede deel van het dossier te laten uitdraaien en aan het dossier toe te voegen.

Ter terechtzitting van 7 november 2013 heeft het hof beslist tot het toevoegen aan het dossier van (een uitdraai van) de gescande stukken en de processen-verbaal opgemaakt door de verbalisant die de desbetreffende originele dossiers heeft ingescand, verbalisant De Bruijn.

II. Standpunten van de raadsman en de advocaat-generaal

Ter terechtzitting van het hof van 22 januari 2014 heeft de raadsman betoogd (onder verwijzing naar hetgeen hij naar voren heeft gebracht ter terechtzittingen van 16 oktober 2013 en 7 november 2013) dat het hof verantwoordelijk moet worden gehouden voor het ontbreken van een deel van het originele dossier.

Nu het hof en de advocaat-generaal in de zaak met parketnummer 02/811728-10 (de onderzoeken [onderzoek 1] en [onderzoek 2]) niet beschikken over een origineel noch over een origineel “kopie conform het originele dossier” getekend exemplaar, maar slechts over een digitaal afschrift daarvan, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. De consequentie daarvan is primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van de onder dat parketnummer ten laste gelegde feiten.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting van 22 januari 2014 op het standpunt gesteld dat, mede gelet op de op ambtseed opgemaakte verklaringen van verbalisant De Bruijn, het gescande dossier ter substitutie kan dienen van het in het ongerede geraakte deel van het originele papieren dossier. Hierdoor is het vormverzuim hersteld.

III. Beoordeling

Het hof houdt het ervoor dat het betreffende deel van het dossier in het ongerede is geraakt lopende de procedure in hoger beroep.

Het ontbreken van een deel van het dossier is aan te merken als een verzuim. Nu dit in hoger beroep is ontstaan, is echter geen sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

De vraag waarvoor het hof zich vervolgens gesteld ziet, is of het verzuim kon worden hersteld door het toevoegen van (een uitdraai van) de gescande stukken en de processen-verbaal opgemaakt door de verbalisant die de desbetreffende originele dossiers heeft ingescand, verbalisant De Bruijn. Ter beantwoording van die vraag is van belang of aan een dergelijk digitaal afschrift dezelfde bewijskracht kan toekomen als aan het originele, in het ongerede geraakte, deel van het papieren dossier.

Het hof overweegt dienaangaande dat het Besluit van 17 januari 2011, houdende regels met betrekking tot het elektronisch proces-verbaal (hierna: het Besluit) onder andere voorschriften stelt waaraan een digitaal afschrift, dat het resultaat is van het omzetten van een origineel papieren proces-verbaal en dat is voorzien van een elektronische handtekening, moet voldoen, voordat aan dit digitale afschrift dezelfde bewijskracht kan toekomen als het originele papieren proces-verbaal.

In voornoemd Besluit is, voor zover thans van belang, in artikel 4 het volgende opgenomen:

1.

Een proces-verbaal wordt uitsluitend omgezet in een digitaal afschrift met toepassing van de voorschriften voor een identieke weergave, omschreven in de bijlage I bij dit besluit. [..]

Bovendien wordt in artikel 7, voor zover thans van belang, het navolgende bepaald:

1.

De verantwoordelijke treft technische en organisatorische maatregelen om het elektronisch proces-verbaal en de gegevens, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6, te beveiligen tegen misbruik, verlies, of onrechtmatige verwerking. Deze maatregelen garanderen, rekening houdend met de stand van de techniek en de kosten van de tenuitvoerlegging, een passend beveiligingsniveau, gelet op de risico’s die de verwerking en de aard van de gegevens met zich meebrengen.

2.

Het elektronisch proces-verbaal en de gegevens, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6, zijn uitsluitend toegankelijk voor personen die daarvoor zijn geautoriseerd.

Uit de toelichting op het Besluit blijkt dat deze voorschriften het navolgende ten doel hebben:

“[…] Voor de eisen aan een elektronisch proces-verbaal dat is verkregen door een papieren proces-verbaal om te zetten in een digitaal afschrift, wordt uitgegaan van dezelfde eisen als voor een langs elektronische weg opgemaakt proces-verbaal.

Wel worden specifieke eisen gesteld aan het scanproces, zodat gewaarborgd is dat het digitaal afschrift een identieke weergave vormt van het papieren proces-verbaal. Voor de kwaliteit van het digitaal afschrift is het van belang dat wordt gescand van het originele papieren proces-verbaal en dat de scan een juiste en volledige weergave is van het origineel. Verder moet het scanproces op zodanige wijze worden ingericht dat voldaan wordt aan de eisen, normen en standaarden die hiervoor binnen de overheid worden gehanteerd. […]”

Alsmede:

“Technische onvolkomenheden en menselijke fouten of vergissingen moeten uitgesloten worden. Voor wat betreft de techniek kan een onjuiste instelling van de scanapparatuur een schadelijke invloed hebben op de leesbaarheid van het digitale afschrift. Voor wat betreft de menselijke tussenkomst moet uitgesloten worden dat een proces-verbaal niet volledig gescand wordt of dat pagina’s ontbreken.”

Uit al het voorgaande blijkt naar het oordeel van het hof dat voor de vraag of in casu aan het digitale afschrift dezelfde bewijskracht kan toekomen als aan het originele, in het ongerede geraakte, deel van het papieren dossier de navolgende waarborgen van belang zijn:

i.) bij het scanproces moet aan bepaalde eisen zijn voldaan, (nader omschreven in bijlage 1) zodat gewaarborgd is dat het digitale afschrift een identieke weergave vormt van het papieren proces-verbaal;

ii.) er moet gescand zijn van het originele papieren proces-verbaal en de scan moet een juiste en volledige weergave zijn van het origineel;

iii.) het scanproces moet op een zodanig wijze zijn ingericht dat voldaan is aan de eisen, normen en standaarden die hiervoor binnen de overheid worden gehanteerd;

iv.) het digitale afschrift moet voorzien van een elektronische handtekening;

v.) het digitale afschrift moet – naar de stand van de techniek – afdoende worden beveiligd tegen misbruik, verlies, of onrechtmatige verwerking en dat digitale afschrift is uitsluitend toegankelijk voor personen die daarvoor zijn geautoriseerd.

Met het oog hierop heeft het hof een aantal – aan de bijlage I bij het Besluit ontleende – vragen ter beantwoording voorgelegd aan de verbalisant die de dossiers heeft gescand (verbalisant De Bruijn) teneinde te kunnen nagaan of met het uitgevoerde scanproces van het in het ongerede geraakte origineel van het dossier is voldaan aan de voorschriften voor een identieke weergave. Dit betrof de volgende vragen:

1.

Is de omzetting van het proces-verbaal, of enig ander document in het strafproces, in een digitaal afschrift steeds geschied met juiste en volledige weergave van de in het om te zetten proces-verbaal of enig ander document voorkomende gegevens?

2.

Zijn de verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen de organisatie ten aanzien van het proces omzetting vastgelegd en vastgesteld, waarin zijn opgenomen de criteria voor de frequentie van en interne controles op het omzettingsproces?

3.

Is ten aanzien van het proces-verbaal of enig ander document in het strafproces steeds minimaal vastgelegd: de wijze waarop deze worden ontvangen en de wijze waarop de gescande documenten in enig systeem worden opgenomen?

4.

Zijn ten aanzien van de hardware de specificaties van de scanner vastgelegd?

5.

Is ten aanzien van de software vastgelegd: de naam van het softwarepakket, het versienummer, de releasedatum, de leverancier en voor zover van toepassing de geïnstalleerde service packs of patches?

6.

Is de scanning geschied in kleur?

7.

Is het digitale beeld opgeslagen in een gestandaardiseerd, apparaat-onafhankelijk kleurenprofiel?

8.

Geldt als scanparameter 300 dpi met bitdiepte 24?

9.

Is ten aanzien van het bestandsformaat gebruik gemaakt van zogenaamde open standaarden (standaarden die via een formeel en open proces binnen een erkend standaardisatieorgaan, bijvoorbeeld ISO, NEN, W3C, tot stand komen)?

10.

Is – indien bij het scanproces gebruik wordt gemaakt van een tussenformaat – kwaliteitsverlies opgetreden bij de omzetting van het tussenformaat naar het uiteindelijke formaat?

Deze vragen zijn beantwoord in een tweetal processen-verbaal van bevindingen, gedateerd 14 augustus 2013 en 29 oktober 2013, opgemaakt door verbalisant J.G. de Bruijn.

Ter beantwoording van de vraag of in casu is voldaan aan de hierboven vermelde waarborgen, zodat aan het digitale afschrift dezelfde bewijskracht kan toekomen als aan het originele, in het ongerede geraakte, deel van het papieren dossier, overweegt het hof thans het volgende.

Ad i.

Uit de beantwoording van de vragen onder 1, 3, 4, 5, 7, 9 en 10 in het proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2013, de achter dit proces-verbaal gevoegde printscreens en de beantwoording van de vragen 7 en 8 in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2013 blijkt naar het oordeel van het hof afdoende dat aan de in de bijlage I van het Besluit genoemde eisen is voldaan, zodat vastgesteld kan worden dat het digitale afschrift een identieke weergave is van het in het ongerede geraakte deel van het originele papieren proces-verbaal.

Ad ii.

Het hof overweegt dat uit de beantwoording van vraag 1 namelijk blijkt dat de verbalisant een juiste en volledige weergave van het originele dossier heeft gescand. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de uitgedraaide digitale afschriften van de twee mappen inzake onderzoek [onderzoek 2], de twee mappen inzake onderzoek [onderzoek 1] en de map inzake [onderzoek 3] ieder voorzien zijn van een index en door de politie zijn doorgenummerd. Het hof heeft tevens vastgesteld dat deze indices overeenkomen met de daarachter gevoegde doorgenummerde processen-verbaal en andere geschriften. Er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat pagina’s ontbreken of onvolledig zijn. Technische onvolkomenheden en menselijke fouten of vergissingen kunnen mitsdien uitgesloten worden geacht.

Ad iii.

Het hof overweegt dat uit de beantwoording van vraag 2 blijkt dat ten tijde van het scannen van de dossiers de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het scanproces nog niet naar behoren waren vastgelegd en vastgesteld. In zoverre was het scanproces nog niet op een zodanige wijze ingericht dat voldaan is aan de eisen, normen en standaarden die hiervoor thans binnen de overheid gelden.
Anderzijds dient deze regel, naar het oordeel van het hof, ter waarborging van de verantwoordelijkheden en de bevoegdheden in een organisatie waar zogenaamde scanstraten worden gebruikt, dan wel in elk geval op grotere schaal wordt gescand. In deze is slechts één politieproces-verbaal gescand door één bepaalde en (zoals blijkt uit processen-verbaal) bekende opsporingsambtenaar. Nu derhalve de gehanteerde bevoegdheden, dat wil zeggen het scannen en de wijze van scannen de facto en in concreto kunnen worden getoetst, verbindt het hof geen consequenties aan de vaststelling dat niet is voldaan aan deze regel.

Ad iv.

Het hof stelt vast dat een elektronische handtekening ontbreekt. Blijkens de toelichting op het Besluit (pagina 34) dient de elektronische handtekening in dit verband ter waarborging van de controle op de leesbaarheid en de volledigheid door een tweede verbalisant. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 augustus 2013 blijkt dat verbalisant De Bruijn het originele dossier zelf heeft ingescand en daarna heeft afgegeven aan het openbaar ministerie. Voorts is het proces-verbaal – zoals reeds onder ad ii is overwogen – van een index voorzien en door de politie doorgenummerd. Nu het hof heeft vastgesteld dat deze indices overeenkomen met de daarachter gevoegde doorgenummerde processen-verbaal en andere geschriften en niet is gebleken dat pagina’s ontbreken of onvolledig zijn, is het verzuim van het ontbreken van een elektronische handtekening in zoverre voldoende hersteld.

Ad v.

Voorts blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 augustus 2013 dat zowel de gescande digitale documenten in het onderzoek [onderzoek 2] als van het onderzoek [onderzoek 1] en [onderzoek 3] door de verbalisant zijn opgeslagen in de afgeschermde omgeving (het hof begrijpt: digitale omgeving) van het onderzoeksteam High Impact Crime Team (HICT).

Het hof is van oordeel dat bedoelde elektronische afschriften van de originele processen-verbaal sinds 2010 zijn bewaard in een afgeschermde omgeving met een naar de stand van de techniek passend beveiligingsniveau. In die afgeschermde omgeving zijn de digitale afschriften dan uitsluitend toegankelijk voor personen die daarvoor zijn geautoriseerd. Mitsdien is tevens voldaan aan de eisen gesteld in artikel 7 van het Besluit.

Gelet op al het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat het digitale afschrift van de in het ongerede geraakte originele vijf mappen, een identieke weergave is van de originele papieren mappen, zodat aan dit afschrift dezelfde bewijskracht kan toekomen als aan het origineel. In zoverre is het verzuim hersteld.

Nu het verzuim is hersteld en niet is gebleken dat door deze gang van zaken een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijk procesrecht, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, verwerpt het hof het verweer van de raadsman voor zover strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de onder parketnummer 02-811728-10 ten laste gelegde feiten.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer van de raadsman.

Vrijspraak in de zaak met parketnummer 02-811728-10

Met de eerste rechter, de advocaat-generaal en de verdediging komt het hof tot het oordeel dat het bewijs tekort schiet dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in de zaak met parketnummer 02-811728-10 onder 2 primair ten laste gelegde, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijs in de zaak met parketnummer 02-811728-10: feit 1 primair (zaak [onderzoek 1])1

de vastgestelde feiten en omstandigheden

A.1.

[slachtoffer 1] heeft op 11 februari 2010 aangifte gedaan ter zake een gewapende overval. Hij heeft het navolgende verklaard.

Op 11 februari 2010, rond 14:45 uur was aangever samen met zijn zoon [getuige 1] aanwezig in de zaak [bedrijf], gelegen aan [adres] in Udenhout, gemeente Tilburg.
Zij zijn allebei werknemer van dat bedrijf. [bedrijf] is een in- en exportbedrijf van luiers en aanverwante artikelen.

Er kwam een man de zaak binnen. Die man had een groot, fors postuur en hij was dacht aangever wel 1.95 meter lang. De man droeg een zwartkleurige bivakmuts met gaten voor de ogen. Aangever was heel erg gefocust op het vuurwapen wat hij in een van zijn handen had. Het was een groot pistool. Aangever keek heel de tijd in het gat van de loop. Aangever kan niet zeggen of het een echt pistool was, maar in zijn beleving was het een echt vuurwapen. De zoon van aangever bevond zich op dat moment in het zithoekje, achter die man. Aangever zat achter een tafel op een stoel, nabij de kassa. De man riep: “geld!”. Hij maakte wilde bewegingen naar links en rechts met zijn pistool en bleef aangever volgen. Toen aangever niet reageerde, stak de man het pistool verder in zijn richting. Aangever zei toen dat er geen geld was. Daarop wilde de man de kassa openen maar dat lukte hem niet. Toen pakte hij de gehele kassa vast en hij rukte de stekker van de kassa uit het stopcontact. Met die kassa onder z’n armen rende hij het pand toen uit. Toen de man buiten was, hoorde aangever een geluid van een schot. Zijn zoon keek naar buiten en aangever hoorde dat zijn zoon een kenteken opnoemde. Aangever keek daarop ook naar buiten en zag een klein, grijs Japans autootje met schuine achterkant het terrein afrijden, rechtsaf de Brabantsehoek op. Aangever zag dat het kenteken overeen kwam met het kenteken wat zijn zoon genoemd had. Toen de auto weg was, is aangever naar buiten gelopen en hij rook toen een lucht die op hem overkwam als kruitdamp. Aangever denkt dat er ongeveer 400 tot 700 euro in de kassa zat. Op het moment dat die man het pistool op hem richtte was aangever heel erg bang. Aangever vreesde dat de man hem dood zou gaan schieten.2

A.2.

De zoon van aangever [slachtoffer 1], [getuige 1], heeft op 11 februari 2010 het navolgende verklaard.

Op donderdag 11 februari 2010 omstreeks 14:40 uur zat [getuige 1] in de koffieruimte van het winkelgedeelte van het bedrijf [bedrijf], gevestigd aan [adres] te Udenhout. Omstreeks 14:45 à 14:50 uur hoorde [getuige 1] de buitendeur hard open gaan. Daarna werd de tussendeur tot de winkel hard open gegooid en stond een persoon binnen. Op het moment dat [getuige 1] de buitendeur hoorde heeft hij door het raam van de koffieruimte naar buiten gekeken en hij zag daar een klein model autootje staan licht van kleur. De auto stond met de neus richting de weg. Op het moment dat de persoon binnen in de winkel stond, begon deze al direct te roepen; “geld, geld, vlug, snel, geld”. De persoon sprak alleen met losse woorden, geen hele zinnen. [getuige 1] hoorde zijn vader enigszins paniekerig reageren waarop hij ongeveer 2 meter de winkel ingelopen is om deze persoon heen. Toen zag hij een vuurwapen in de hand van die persoon. Op dat moment was de persoon al met de kassa bezig. Op het moment dat de persoon met de kassa bezig was, hield hij ook nog het vuurwapen in de richting van zijn vader. Vervolgens liep de persoon naar buiten met de kassa. Hij zag de persoon nog bij de buitendeur staan toen getuige een knal hoorde. Vervolgens is de persoon aan de bijrijderszijde in de auto (het hof begrijpt: de eerdergenoemde kleine auto) gestapt. [getuige 1] zag dat er nog een persoon in de auto zat aan de bestuurderszijde. [getuige 1] heeft daarna het kenteken [kenteken] genoteerd en dit kenteken geroepen richting zijn vader. [getuige 1] zag dat het om een kleine grijze auto ging. Volgens [getuige 1] was de hiervoor genoemde persoon extreem fors in postuur en hij schatte hem op zeker 140 kilo en de lengte op ongeveer 1.90 a 2.00 meter.3

A.3.

Getuige [getuige 2] heeft op 11 februari 2010 het navolgende verklaard.

Op 11 februari 2010 reed [getuige 2] op zijn brommer over de Heusdensebaan in de

richting van Biezenmortel. Op de kruising Heusdensebaan / Gommelsestraat / Brabantsehoek kwam voor hem van links een kleine grijze personenauto aangereden. Deze

auto kwam vanuit het industrieterrein in Udenhout. Deze auto reed dus op de Brabantsehoek. De auto viel [getuige 2] op omdat deze auto erg hard reed. De grijze auto ging vervolgens linksaf het spoor over de Gommelsestraat in. Doordat de bestuurder erg hard reed viel de uitlaat van de auto er half onderuit. [getuige 2] reed dezelfde route als de grijze auto. Voorbij de kruising Gommelsestraat met de Winkelsestraat, kwam een rode auto, voor 99% zeker een rode Suzuki Alto, hem tegemoet rijden. Toen deze rode auto de grijze auto voorbij reed, remde de rode auto en keerde snel en reed achter de grijze auto aan. Kort daarna remden beide auto’s. De grijze auto parkeerde toen terug uit in zodat deze met de voorzijde richting de weg geparkeerd stond. De rode auto stopte en de bestuurder van de grijze auto stapte in de rode auto aan de passagierszijde. De bestuurder liet het portier van de grijze auto open staan. De rode Suzuki Alto is vervolgens weggereden richting café De Rustende Jager.4

A.4.

Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt het navolgende.

Op 11 februari 2010 omstreeks 15.30 uur trof een drietal verbalisanten op de Gommelsestraat te Tilburg een personenauto met kenteken [kenteken], geparkeerd met de neus in de richting van de weg en met de achterzijde tegen een hekwerk. Een verbalisant die eerder was gearriveerd, verbalisant Strackx, vertelde één van hen dat toen hij, Strackx, bij de auto arriveerde, zag dat de bestuurdersdeur van de auto openstond. Op de achterbank zag hij een zwarte kassalade liggen.5

A.5.

[getuige 3] heeft op 7 en 8 december 2010 het navolgende verklaard.

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben samen de overval in Udenhout op [bedrijf] gepleegd.

[getuige 3] was die dag bij [medeverdachte 1] thuis, het was in de ochtend. [getuige 3] was samen met [medeverdachte 1] en [verdachte] in de garage achter de woning aan [adres] in Tilburg. [medeverdachte 1] vroeg [getuige 3] om hem en [verdachte] in Oirschot af te zetten. Ze stapten met zijn drieën in een rode Suzuki Alto. Tijdens de rit naar Oirschot vertelde [medeverdachte 1] dat hij [bedrijf] in Udenhout wilde overvallen. Hij had geld nodig zei hij. [verdachte] zei dat hij mee wilde, hij had ook geld nodig. Vervolgens heeft [getuige 3] [medeverdachte 1] en [verdachte] in Oirschot afgezet. Daarna is [getuige 3] terug gereden naar Tilburg. In het begin van de middag belde [medeverdachte 1] [getuige 3] en vroeg of hij naar Udenhout wilde komen. [getuige 3] is vervolgens weer in de rode Suzuki Alto gestapt en naar Udenhout gereden. Onderweg belde [medeverdachte 1] [getuige 3] om te zeggen hoe hij precies moest rijden. Hij stuurde [getuige 3] naar een restaurant op het einde van de weg die langs het industrieterrein van Udenhout loopt. Op de parkeerplaats van dat restaurant zag [getuige 3] [verdachte] en [medeverdachte 1] staan, met een Nissan Micra. De Micra had een lichte kleur, het kenteken was makkelijk, iets van [kenteken] of zo. [medeverdachte 1] vroeg [getuige 3] even te wachten. [medeverdachte 1] en [verdachte] reden vervolgens in de Nissan Micra weg in de richting van Udenhout. [getuige 3] bleef op de parkeerplaats staan. Ongeveer 7 à 8 minuten later kreeg [getuige 3] een telefoontje van [verdachte]. Hij werd gebeld door [medeverdachte 1] met de telefoon van [verdachte]. [medeverdachte 1] zei: “Kom vlug onze kant uit want onze auto wil er mee uitscheiden.” [getuige 3] is vervolgens met de rode Suzuki Alto in de richting van Udenhout gereden. Op ongeveer de helft van de weg zag [getuige 3] ze stotterend rijden in de Nissan Micra. [getuige 3] is ze gepasseerd, is vervolgens gekeerd en is achter ze aan gaan rijden. Een stukje verder zette [verdachte] de auto aan de kant. [verdachte] zat achter het stuur en [medeverdachte 1] zat op de bijrijderstoel. [verdachte] is vervolgens uitgestapt en bij [getuige 3] in de rode Suzuki Alto op de achterbank ingestapt. [getuige 3] zag [medeverdachte 1] uitstappen en een tas pakken. [medeverdachte 1] stapte bij [getuige 3] in aan de bijrijderszijde en zette de tas tussen zijn benen. [getuige 3] zag dat de tas open was en dat er bovenop een vuurwapen lag. Ze lieten de Nissan Micra daar staan. [medeverdachte 1] zei toen tegen [getuige 3]: “Weg hier want ik heb net [bedrijf] gepakt.”

[getuige 3] zag verder dat er bovenin de tas 2 bivakken zaten. Vervolgens zijn ze weggereden. Toen [verdachte] uit de Nissan Micra stapte, had hij een kassalade (het hof begrijpt telkens: een deel van een kassa) vast. Toen ze bij [getuige 3] in de auto zaten, heeft [verdachte] de kassalade aan [medeverdachte 1] gegeven. [medeverdachte 1] heeft het geld eruit gehaald en de kassalade uit de auto gegooid. Dat was vlak voor een restaurant. Daarna heeft hij het geld verdeeld tussen hem en [verdachte]. [getuige 3] heeft [medeverdachte 1] en [verdachte] afgezet op [adres] in Tilburg.

De volgende dag belde [getuige 4] [getuige 3] en vroeg hem: “Heeft [medeverdachte 1] Udenhout gedaan?”. [getuige 3] zei hem: “Ja”. [getuige 4] zei toen: “Ja ik zie hem hier op camera.” [getuige 4] vroeg [getuige 3] ook of [medeverdachte 1] geschoten had. Een week naderhand hoorde [getuige 3] van [verdachte] dat er inderdaad geschoten was.6

A.6.

[getuige 4] heeft op 11 november 2010 het volgende verklaard.

[getuige 4] weet wel iets van de overval op de luierzaak in Udenhout op 11 februari 2010. Twee weken geleden, op een zondag, tijdens het luchten in de gevangenis in Breda, heeft [medeverdachte 1] [getuige 4] verteld dat hij een overval op die luierzaak in Udenhout heeft gezet en er tijdens die overval per ongeluk een kogel is afgegaan.

[verdachte] heeft er volgens [getuige 4] ook mee te maken. [verdachte] zou in de auto hebben gewacht. Hij heeft ook gereden. [medeverdachte 1] is vervolgens alleen naar binnen gegaan. [medeverdachte 1] vertelde dat hij de kassa onder zijn arm heeft genomen en toen zou hij per ongeluk het geweer hebben af laten gaan. [verdachte] heeft ook tegen [medeverdachte 1] gezegd dat hij na het afgaan van het schot de man, de eigenaar van de zaak, heeft horen schreeuwen als een wijf.7

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

B.1.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte op 11 februari 2010 tezamen met medeverdachte [medeverdachte 1] de ten laste gelegde overval op het bedrijf [bedrijf] te Udenhout heeft gepleegd.

B.2.

De verdediging heeft betoogd, op dezelfde gronden als gebezigd voor het ontvankelijkheids-verweer, dat het ontbrekende gedeelte van het politieproces-verbaal wat betreft het onder dit feit ten laste gelegde, dat nadien opnieuw door de politie is aangeleverd, niet voor het bewijs mag worden gebezigd, zodat vrijspraak dient te volgen.

Het hof verwerpt dat verweer op dezelfde gronden als het ontvankelijkheidsverweer is verworpen.

B.3.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, heeft het hof geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 3] te twijfelen. Deze verklaring vindt op diverse onderdelen bevestiging in andere verklaringen en bevindingen, te weten:

( a) de verklaring van de eigenaar van de bij de overval gebruikte Nissan Micra, die bij zijn aangifte van diefstal heeft verklaard dat hij niet meer met de auto reed, omdat deze niet meer naar behoren reed8, hetgeen past in de verklaring van [getuige 3] dat hij werd gebeld met het verzoek [medeverdachte 1] en verdachte te komen halen “want onze auto wil er mee uitscheiden”;

( b) de verklaring van de getuige [getuige 2], die op 11 februari 2010 heeft gezien dat een kleine grijze personenauto op de Brabantsehoek te Udenhout reed, dat deze linksaf het spoor over de Gommelsestraat inreed, waarbij de uitlaat van de auto er half onderuit viel, dat hem voorbij de kruising Gommelsestraat met de Winkelsestraat een rode Suzuki Alto tegemoet kwam rijden, dat deze rode auto de grijze auto voorbij reed, remde, snel keerde en achter de grijze auto aan reed, dat kort daarna beide auto’s remden, dat de grijze auto parkeerde, de rode auto stopte en de bestuurder van de grijze auto in de rode auto stapte9, hetgeen de verklaring van [getuige 3] bevestigt omtrent de door hem in een rode Suzuli Alto gereden route met de bedoeling [medeverdachte 1] en verdachte, rijdend in een Nissan Micra, op te halen;

  • -

    c) de verklaringen van de aangever en diens zoon dat de overvaller een bivakmuts op had en een vuurwapen heeft getoond, hetgeen past in de verklaring van [getuige 3] dat [medeverdachte 1] na de overval een tas bij zich had waarin bivakken lagen en een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp;

  • -

    d) het aantreffen door verbalisanten van een deel van de kassa nabij Café [café], terwijl daar volgens hun bevindingen in de sneeuw geen rij- of schoensporen zichtbaar waren, zodat de kassa vermoedelijk uit het vluchtvoertuig was gegooid10, hetgeen de verklaring van [getuige 3] bevestigt dat [medeverdachte 1] vlak voor een restaurant de kassa uit de auto heeft gegooid.

B.4.

Dat naast verdachte ook [medeverdachte 1] daadwerkelijk als dader bij de overval betrokken is geweest en dat [medeverdachte 1], terwijl verdachte direct na overval de Nissan Micra bestuurde, als bijrijder in die Nissan Micra heeft gezeten, blijkt, naast genoemde bewijsmiddelen, onder meer nog uit de volgende feiten en omstandigheden.

- [medeverdachte 1] heeft tijdens een verhoor op 12 oktober 2010 verklaard al te zijn afgevallen, maar op dat moment nog 140 kilogram te wegen11, hetgeen steun biedt aan de hiervoor genoemde verklaring van getuige [getuige 1] (A.2) met betrekking tot de omvang van de persoon die het bedrijfspand van [bedrijf] is binnengegaan.

- Op een kort na de overval in de genoemde Nissan Micra gevonden aansteker is een spoor aangetroffen waarvan het DNA-profiel een match heeft opgeleverd met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] met als berekende frequentie: kleiner dan één op één miljard.12

- Kort na de overval werd op het rechterportier van bedoelde Nissan Micra een dactyloscopisch spoor aangetroffen dat identiek is aan de afdruk van de linkerhandpalm, voorkomende op het dactyloscopisch signalement van [medeverdachte 1].13

B.5.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte de overval op [bedrijf] in nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte 1] begaan. Verdachte dient derhalve als medepleger van die overval te worden aangemerkt. Uit het voorgaande stelt het hof namelijk vast dat:

  • -

    [medeverdachte 1] op 11 februari 2010 voorafgaande aan de overval te Udenhout in het bijzijn van verdachte en [getuige 3] het voornemen tot die overval uitgesproken en dat verdachte op dat moment heeft gezegd dat hij mee wilde doen omdat hij geld nodig had;

  • -

    verdachte en [medeverdachte 1] samen in een kort tevoren gestolen auto naar [bedrijf] gereden zijn;

  • -

    [medeverdachte 1] degene is geweest die het bedrijfspand van [bedrijf] is binnengegaan en aldaar de complete kassa heeft weggenomen onder bedreiging van aangever [slachtoffer 1] met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp;

  • -

    verdachte direct na de overval, nadat [medeverdachte 1] daarin op de bijrijdersstoel had plaatsgenomen, de als vluchtauto gebruikte Nissan Micra heeft bestuurd;

  • -

    [medeverdachte 1] met de telefoon van verdachte na de overval [getuige 3] heeft gebeld dat hij, [getuige 3], naar hen (het hof begrijpt: verdachte en [medeverdachte 1]) moest komen, omdat zij problemen hadden met hun auto;

  • -

    verdachte en [medeverdachte 1] bij [getuige 3] in de auto zijn gestapt, waarbij verdachte een deel van de kassa heeft meegenomen;

  • -

    verdachte tijdens de autorit met [getuige 3] de kassa aan [medeverdachte 1] heeft gegeven, die vervolgens het geld eruit heeft gehaald en heeft verdeeld tussen hemzelf en verdachte.

Bewijs in de zaak met parketnummer 02-811728-10: feit 2 subsidiair (zaak [onderzoek 2])14

de vastgestelde feiten en omstandigheden

C.1

[slachtoffer 2] heeft op 12 oktober 2009 aangifte gedaan ter zake diefstal van een Ford Escort met kenteken [kenteken]. Hij heeft het navolgende verklaard.

Aangever is eigenaar van genoemde auto. Op donderdag 8 oktober 2009 omstreeks 20.30 uur parkeerde aangever zijn auto op de weg [adres] te Tilburg, ter hoogte van huisnummer [huisnummer]. De personenauto stond geparkeerd op het parkeerterrein recht voor de deur. Aangever had zijn auto deugdelijk afgesloten en in goede orde achtergelaten. Op zaterdag 10 oktober 2009 omstreeks 16.00 uur kwam aangever thuis. Hij zag de auto niet meer staan. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen

van het feit.

Bij de diefstal werd weggenomen:

Object : Personenauto

Merk/type : Ford Escort Laser 1

Kleur : Groen

Land : Nederland

Kenteken : [kenteken]

Chassisnummer : [chassisnummer]

Bouwjaar : 199415

C.2.

[getuige 3] heeft op 15 oktober 2010 het navolgende verklaard.

Over die Ford Escort kan [getuige 3] het volgende vertellen. [verdachte] is een jongen die [getuige 3] kent. [getuige 3] sprak met [verdachte] over die overval (het hof begrijpt: de overval op 24 oktober 2009 een op slijterij/drankengroothandel, gevestigd aan de [adres] te Oisterwijk). [getuige 3] zei dat [medeverdachte 1] die overval had gepleegd. [verdachte] zei toen meteen dat het wel met die Ford Escort gedaan zou zijn. [getuige 3] hoorde [verdachte] zeggen dat hij een Ford Escort “gejoept” had. [verdachte] bedoelde dat hij die Ford Escort had gestolen. [getuige 3] hoorde [verdachte] vervolgens zeggen dat [verdachte] geld voor die diefstal van die Ford had gehad. [verdachte] vertelde dat hij voor [medeverdachte 1] een auto had gepikt. [medeverdachte 1] moest namelijk een gepikte auto hebben.16

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

D.1.

De verdediging heeft betoogd, op dezelfde gronden als gebezigd voor het ontvankelijkheids-verweer, dat het ontbrekende gedeelte van het politieproces-verbaal wat betreft het onder dit feit ten laste gelegde, dat nadien opnieuw door de politie is aangeleverd, niet voor het bewijs mag worden gebezigd, zodat vrijspraak dient te volgen.

Het hof verwerpt dat verweer op dezelfde gronden als het ontvankelijkheidsverweer is verworpen.

D.2.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte in de periode van 8 oktober 2009 tot en met 10 oktober 2009 een (buiten medeweten van verdachte bij de onder 2 primair ten laste gelegde overval gebruikte) Ford met kenteken [kenteken] heeft gestolen.

Bewijs in de zaak met parketnummer 02-811322-11: feiten 1, 2, 4, 7 en 817

de vastgestelde feiten en omstandigheden

Feit 1

E.1.

[aangever 1] heeft op 22 september 2009 namens [voetbalvereniging 1] aangifte gedaan ter zake een inbraak. Hij heeft het navolgende verklaard.

De inbraak werd gepleegd tussen zondag 20 september 2009 te 20.30 uur en dinsdag 22 september 2009 te 06.30 uur op [adres], binnen de gemeente

Eersel, in de sportkantine van [voetbalvereniging 1]. Bij de hoofdingang van de kantine zag aangever dat de dubbele deur was opengebroken. Van een wand van de kantine was een LCD-televisie weggenomen. Ook zag aangever dat het wisselgeld was weggenomen. Dit is een bedrag tussen de 200 en 250 Euro.18

E.2.

Uit een proces-verbaal sporenonderzoek blijkt het volgende.

Op woensdag 23 september 2009 te 09.00 uur, werd door verbalisant Van Aalst als forensisch onderzoeker een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een inbraak sportcomplex. Het onderzoek is verricht in een sportcomplex aan [adres] te [plaats], binnen de gemeente Eersel.

Tijdens het onderzoek aan de buitenzijde van de kantine zag ik dat de hoofdingang braakschade vertoonde. Ik zag dat er met een breekvoorwerp in de sluitnaad van de deur was gewrikt. De achtergebleven indruksporen zaten ter hoogte van het slot.

Tijdens het onderzoek in de bijkeuken zag de verbalisant dat er een aangebroken flesje frisdrank op een vriezer stond. Verbalisant heeft het flesje bemonsterd met een wattenstaafje met gedemineraliseerd water. Het monster heeft verbalisant veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van het SIN-nummer AAAT9645NL.19

E.3.

Verdachte heeft op 8 juni 2011 het volgende verklaard.

Aangaande de inbraak bij voetbalvereniging [voetbalvereniging 1] te [plaats] tussen 20 en 22 september 2009 kan verdachte het volgende zeggen. Verdachte is daar geweest. Hij was samen met [getuige 4] en [medeverdachte 3]. Het idee om een inbraak te plegen in die kantine kwam van [medeverdachte 3] en [getuige 4]. Zij hadden geld nodig en wisten dat daar geld te halen was. Omdat verdachte ook extra geld nodig had, is hij meegegaan. Ze hadden een breekijzer bij zich. Verdachte is op zoek gegaan naar geld. Verdachte dacht dat hij het geld in het magazijn had gevonden. Verdachte dacht rond de tweehonderd euro. Ze hebben het geld met zijn drieën eerlijk gedeeld. Het kan zijn dat verdachte daar tijdens de inbraak iets gedronken heeft.20

Feit 2

F.1.

[aangever 2] heeft op 29 september 2009 namens [voetbalvereniging 2] aangifte gedaan ter zake een inbraak. Hij heeft het navolgende verklaard.

De inbraak werd gepleegd tussen maandag 28 september 2009 te 23.59 uur en dinsdag 29 september 2009 te 03.30 op [adres], binnen de gemeente Bergeijk.

Gisteren, maandag 28 september 2009 rond 24.00 uur, hadden ze de kantine van hun voetbalvereniging verlaten. Alles was toen nog heel en intact. Vandaag 29 september 2009 rond 03.45 uur werd aangever gebeld door de politie met de mededeling dat er ingebroken was in hun kantine. Aangever is toen direct gaan kijken en zag dat de toegangsdeur van de kantine opengebroken was. In het magazijn is een leeg gedronken flesje Jupiler achtergelaten. Dit is niet door aangever zo daar achtergelaten. Het dopje van deze fles ligt op de bar, terwijl dit bij het verlaten van de kantine niet het geval was.

Niemand heeft toestemming gekregen deze goederen weg te nemen en zich deze toe te eigenen. Niemand heeft toestemming gekregen schade aan het pand of andere eigendommen toe te brengen.

Bij de inbraak werden de volgende goederen weggenomen:

- Object : Drank

Aantal/eenheid : 1 Fles

Merk/type : Bacardi

- Object : Frisdrank

Merk/type : Extran

- Object : Snoep

Aantal/eenheid : 1 Doos

Merk/type : Bounty

- Object : Snoep

Aantal/eenheid : 1 Doos

Merk/type : Dove Melkchocolade

- Object : Televisie

Aantal/eenheid : 1 Stuk

Merk/type : Lg 321g2100

- Object : Televisie

Aantal/eenheid : 1 Stuk

Merk/type : Lg 421f65

- Object : Videocamera

Aantal/eenheid : 1 Stuk

  • -

    Geld : EUR 400.00

  • -

    Geld : EUR 100.00

  • -

    Object : Beeldscherm

Aantal/eenheid : 1 Stuk

Merk/type : Hp Widescreen Tft

Eigenaar gestolen goederen : voetbalvereniging [voetbalvereniging 2]21

F.2.

Uit een proces-verbaal sporenonderzoek blijkt het volgende.

Op dinsdag 29 september 2009 te 09.00 uur, werd door verbalisant Hamers als forensisch onderzoeker een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een inbraak sportcomplex. Het onderzoek is verricht in een sportcomplex aan [adres] te [plaats], binnen de gemeente Bergeijk.

Tijdens het ingestelde onderzoek werd door verbalisant het navolgende gezien.

De dubbele deur rechts in de voorgevel vertoonde braakschade. Er was met breekvoorwerpen in de sluitnaad gestoken.

Op de bar stond onder meer een leeg flesje van het merk Fristi staan. In de voorraadruimte stond een leeg flesje bier van het merk Jupiler. Verbalisant heeft deze flesjes bemonsterd met een wattenstaafje en gedemineraliseerd water. De bemonsteringen heeft verbalisant veiliggesteld en gewaarmerkt met de Spoor Identificatie Nummers (SIN) AAAH3414NL (flesje Fristi) en AAAH3412NL (flesje Jupiler).22

Feit 4

G.1.

[aangever 3] heeft op 4 oktober 2009 namens [voetbalvereniging 3] aangifte gedaan ter zake diefstal door middel van braak uit een sportkantine. Hij heeft het navolgende verklaard.

De diefstal met braak werd gepleegd tussen zaterdag 3 oktober 2009 te 18.00 uur en zondag 4 oktober 2009 te 11.45 uur op [adres], binnen de gemeente Bladel. Op zaterdag 3 oktober 2009, omstreeks 18.00 uur was er nog iemand in de sportkantine geweest. Alles was toen intact en afgesloten achtergelaten. Zondag 4 oktober 2009, omstreeks 11.45 uur hoorde aangever van een lid van de vereniging dat er in de sportkantine ingebroken was. Aangever is naar de kantine gegaan en hij zag dat de achterdeur opengebroken was. Hij zag dat de deur ter hoogte van het slot geforceerd was. Hij zag dat de flatscreen-TV weggenomen was die sinds een week in de kantine hangt. Het betrof een TV van het merk Samsung. Deze behoorde in eigendom toe een [voetbalvereniging 3]. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.23

G.2.

Uit een proces-verbaal bevindingen en een proces-verbaal veiligstellen en aantreffen DNA-spoor blijkt het volgende.

Naar aanleiding van een inbraak in een sportkantine op het adres [adres] te [plaats] op zondag 4 oktober 2009 hoorde verbalisant Soetens hoorde van aangever dat de daders een drietal flesjes uit de koelkast hadden genomen en hadden leeggedronken. Deze drie flesjes zijn door verbalisant Soetens veiliggesteld. De drankflesjes waren leeg. In het laboratorium van de FTO heeft verbalisant Agterberg op maandag 26 oktober (het hof begrijpt: 2009) de schroefdraad op de hals van het flesje van het merk Extran met een wattenstaafje en gedemineraliseerd water bemonsterd. Het monster werd door verbalisant Agterberg voorzien van Spoor Identificatie Nummer AAAH3476NL.24

Feit 7

H.1.

[aangever 4] heeft op 7 oktober 2009 namens voetbalvereniging [voetbalvereniging 4] aangifte gedaan ter zake inbraak in een sportkantine. Hij heeft het navolgende verklaard.

Bij de voetbalvereniging [voetbalvereniging 4], gevestigd aan [adres] te [plaats], is een sportkantine in gebruik. Het betreft een vrijstaande sportkantine die in eigendom toebehoort aan de voetbalvereniging. Op dinsdag 6 oktober 2009, omstreeks 24.00 uur werd de kantine rondom afgesloten met slot en sleutel en in goede staat achtergelaten. Op woensdag 7 oktober 2009 omstreeks 08.00 uur werd aangever gebeld met de mededeling dat er was ingebroken in de kantine van de voetbalvereniging. Toen hij ter plaatse kwam, zag aangever dat de buitendeur geforceerd was. Kennelijk heeft men die opengebroken om zodoende toegang te krijgen tot de kantine.

Uit de brandkast heeft men vervolgens een geldbedrag van ongeveer driehonderd euro weggenomen. Men heeft het kassageld en de poule-la gevonden. Daar werd een bedrag van respectievelijk twee- en driehonderd euro weggenomen. Daarnaast heeft men flessen frisdrank gepakt waaruit werd gedronken.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Bij de inbraak werden nog de volgende goederen weggenomen:

- Object : Microfoon

Merk/type : Shure Pgx24sm58

Bijzonderheden : Draadloze microfoon

- Object : Alcohol

Aantal/eenheid : 6 Flessen

Bijzonderheden : Diverse flessen sterke drank

- Object : Frisdrank

Aantal/eenheid : 1 Krat

Merk/type : Coca Cola

- Object : Snoep

Aantal/eenheid : 9 Dozen

Bijzonderheden : Verschillende dozen snoep/candybars

Eigenaar gestolen goederen: Voetbalvereniging [voetbalvereniging 4].25

H.2.

Uit een proces-verbaal sporenonderzoek blijkt het volgende.

Op woensdag 7 oktober 2009 omstreeks 10.30 uur, werd door verbalisant Oomes als forensisch onderzoeker een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een inbraak in een clubgebouw van voetbalclub [voetbalvereniging 4] Het onderzoek is verricht in een vrijstaand gebouw namelijk het clubgebouw van voetbalclub [voetbalvereniging 4] aan het [adres] te [plaats]. In de linker zijgevel van de uitbouw waarachter de vergaderruimte was gelegen, werd gewrikt in de sluitnaad van de dubbele

deuren met behulp van een onbekend breekvoorwerp. Hierdoor konden de dubbele deuren van de vergaderruimte worden geopend en kon het clubgebouw door de dader(s) worden betreden. Op de bar in de kantine werd een aangebroken Fristi-flesje aangetroffen

dat volgens benadeelde daar door de dader(s) moet zijn neergezet omdat niemand van de voetbalclub deze Fristi-fles daar had geplaatst. Deze Fristi-fles werd met een wattenstaafje bemonsterd op mogelijke aanwezigheid van biologische sporen (DNA). Dit biologische spoor werd gewaarmerkt met SIN AAAH7163NL.26

Feit 8

I.1.

[aangever 5] heeft op 8 december 2009 namens voetbalvereniging [voetbalvereniging 5] aangifte gedaan ter zake inbraak in een sportkantine. Hij heeft het navolgende verklaard.

De inbraak werd gepleegd tussen maandag 7 december 2009 te 21.30 uur en dinsdag

8 december 2009 te 09.30 uur op [adres]. Gisteravond omstreeks 21:30 uur waren de laatste mensen van het terrein vertrokken. Op dat moment was alles heel en intact en was de kantine afgesloten. Vanmorgen omstreeks 10:00 uur werd aangever gebeld door de werklui die bezig zijn met de verbouwing. Zij hadden omstreeks 09:30 uur ontdekt dat de achterdeur geforceerd was.

Nadat aangever ter plaatse was gekomen zag hij dat het kastje van het elektrische rolluik van de achterdeur afgebroken was. Hij zag dat het rolluik geopend was en dat de achterliggende deur geforceerd was met een koevoet. De koevoet lag nog bij de deur. Er was ongeveer 60 euro ontvreemd. Dit geldbedrag was eigendom van [voetbalvereniging 5]. Op de bar stond een colafles. Hieruit is gedronken door de dader of daders. Deze fles was afkomstig uit een kast onder de bar. Uit de koelvitrine achter de bar werden twee flesjes Extran weggenomen. Deze flesjes vonden ze later geopend en gedeeltelijk leeggedronken terug in de bestuurskamer en op de bar in de kantine. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.27

I.2.

Uit een proces-verbaal sporenonderzoek blijkt het volgende.

Op woensdag 9 december 2009 te 12.00 uur, werd door verbalisant Van de Ven als forensisch onderzoeker een forensisch onderzoek naar sporen verricht in verband met een inbraak sportcomplex. Het onderzoek is verricht in een sportkantine op het adres, [adres]. De nachtschoot (het hof begrijpt: de schoot van het nachtslot) van de deur in de rechter zijgevel was afgebroken. De bedieningskast, welke rechts naast de deur op de buitenmuur bevestigd was, was vernield. Het metalen afdekplaatje waarin het cilinderslot zat, was vernield en gedemonteerd. In de bestuurskamer stonden drie frisdrankflesjes. Deze waren volgens informatie door de plaatselijke politie veiliggesteld en waren achter de bar aangetroffen. Twee van deze flesjes werden door de verbalisant middels een wattenstaafje, bemonsterd, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAAT9128NL (Extran) en AABA4569NL (Cola).28

Feit 1, 2, 4, 7 en 8

J.1.

Uit een rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van verdachte, opgemaakt door het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 18 april 2011, blijkt het navolgende.

Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAM8215NL van de verdachte [verdachte]

[verdachte], geboren op [1988] te [geboorteplaats], is DNA-onderzoek verricht. Van het DNA in het referentiemonster wangslijmvlies RAAM8215NL is een DNA-profiel verkregen dat op 15 april 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor

strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze

vergelijking zijn matches gevonden. Deze matchende DNA-profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut geregistreerd onder DNA-profielcluster 13184.

Het DNA in het sporenmateriaal met de identiteitszegels:
- AAAT9645NL#01 (hof: zie bewijsmiddel E.2.),

- AAAH3414NL#01 (hof: zie bewijsmiddel F.2.),

- AAAH3476NL#01 (hof: zie bewijsmiddel G.2.),

- AAAH7163NL#01 (hof: zie bewijsmiddel H.2.),

- AABA4569NL#01 (hof: zie bewijsmiddel I.2.),

uit DNA-profielcluster 13184 kan afkomstig zijn van [verdachte].

De berekende frequentie van het DNA-profiel van het DNA in het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, is telkens kleiner dan één op één miljard.29

Feit 2 en 8

K.1.

Uit een rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van medeverdachte [medeverdachte 1], opgemaakt door het Nederlands Forensisch Instituut op 1 februari 2011, blijkt het navolgende.

Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAP9605NL van de verdachte [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1], geboren op [1987] te [geboorteplaats], is DNA-onderzoek verricht. Van het DNA in het referentiemonster wangslijmvlies RAAP9605NL is een DNA-profiel verkregen dat op 19 januari 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn matches gevonden. Deze matchende DNA-profielen zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut geregistreerd onder DNA-profielcluster 13877. Het DNA in het sporenmateriaal met de identiteitszegels:

- AAAH3412NL#01 (hof: zie bewijsmiddel F.2.) en

- AAAT9128NL#01 (hof: zie bewijsmiddel I.2.),
uit DNA-profielcluster 13877, kan afkomstig zijn van [medeverdachte 1]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het DNA In het sporenmateriaal, ofwel de kans dat liet DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, is telkens kleiner dan één op één miljard.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

L.1.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2, 4, 7 en 8 ten laste gelegde inbraken.

L.2.

Verdachte heeft bekend dat hij de inbraak onder 1 heeft begaan. Voor de stelling van de raadsman dat verdachte ondanks het feit dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan die inbraak, een bekennende verklaring heeft afgelegd om medeverdachte [medeverdachte 4] een hak te zetten, heeft hof het geen enkele aanwijzing aangetroffen, terwijl verdachte ter terechtzitting in hoger beroep wederom zonder voorbehoud heeft bekend dit feit tezamen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] te hebben begaan. Deze bekennende verklaring wordt bovendien bevestigd door een match met de hoogst mogelijke bewijswaarde van het DNA-profiel van verdachte met een DNA-profiel van een bemonstering (AAAT9645NL#01) afkomstig van een aangebroken flesje frisdrank dat na de inbraak werd aangetroffen op de vriezer in de bijkeuken en dat werd veiliggesteld bij het sporenonderzoek in de sportkantine van [voetbalvereniging 1] te [plaats] naar aanleiding van de ten laste gelegde inbraak (zie het onder E.1. genoemde proces-verbaal sporen onderzoek en het onder J.1. vermelde rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een verdachte).

Het verweer van de raadsman wordt in zoverre dan ook verworpen.

L.3.

Evenals bij de inbraak bij voetbalvereniging [voetbalvereniging 1] te [plaats] zijn bij het sporenonderzoek naar aanleiding van de onder 2, 4, 7 en 8 ten laste gelegde inbraken bij sportkantines van voetbalverenigingen op flesjes (fris)drank sporen gevonden waarvan het DNA-profiel een match met de hoogst mogelijke bewijswaarde heeft opgeleverd met het DNA-profiel van verdachte. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat verschillende van de flesjes met daarop sporen met een DNA-profiel matchend met dat van verdachte, afkomstig waren uit dezelfde sportkantines als waar de flesjes zijn gevonden en dat deze zijn genuttigd tussen het moment dat respectievelijke sportkantines voor de inbraken voor het laatst werden afgesloten en het moment dat de inbraken werden ontdekt.

Het voorgaande leidt het hof tot een – door verdachte weerlegbaar – vermoeden dat verdachte de inhoud van deze flesjes heeft genuttigd gedurende de ten laste gelegde inbraken en dat hij zich aan die inbraken ook schuldig heeft gemaakt. De verdachte heeft echter geen enkele aannemelijke verklaring gegeven voor het aantreffen van de flesjes.

Voor de niet onderbouwde stelling van de raadsman dat de flesjes daar mogelijk zijn neergelegd door een ander lid van de vriendengroep uit Tilburg waartoe verdachte behoorde noch voor de mogelijkheid dat deze aldaar op een andere wijze buiten verdachte om terecht zijn gekomen, heeft het hof aanwijzingen in het dossier aangetroffen. Het hof acht die stelling dan ook niet aannemelijk.

Daarentegen zijn in het sporenonderzoek in de inbraken onder 2 en 8 op dergelijke flesjes ook sporen aangetroffen met een DNA-profiel die een match met de hoogst mogelijke bewijswaarde hebben opgeleverd met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte 1], met wie verdachte, zoals hiervoor overwogen, ook de in de zaak met parketnummer 02-811728-10 onder 1 primair ten laste gelegde overval heeft gepleegd, hetgeen meebrengt dat het hof verdachte ten aanzien van die feiten als medepleger aanmerkt.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parket-nummer 02-811728-10 onder 1 primair en 2 subsidiair en in de zaak met parketnummer

02-811322-11 onder 1, 2, 4, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

In de zaak met parketnummer 02-811728-10:

1.
hij op 11 februari 2010 te Udenhout, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kassa, toebehorende aan [bedrijf], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat zijn mededader

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op die [slachtoffer 1] en

- die [slachtoffer 1] dreigend heeft toegevoegd: "geld" en/of "Geld, geld, vlug, snel, geld".

2.

hij in de periode van 8 oktober 2009 t/m 10 oktober 2009 te Tilburg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Ford, kenteken [kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer 2];

In de zaak met parketnummer 02-811322-11

1.
hij in de periode van 20 september 2009 t/m 22 september 2009 te [plaats], gemeente Eersel, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sportkantine (gelegen aan [adres]) heeft weggenomen een televisietoestel en een geldbedrag, toebehorende aan Voetbalvereniging [voetbalvereniging 1], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2.
hij in de periode van 28 september 2009 t/m 29 september 2009 te [plaats], gemeente Bergeijk, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sportkantine (gelegen aan [adres]) heeft weggenomen levensmiddelen en televisietoestellen en een videocamera en een geldbedrag van circa 500 Euro en een TFT-beeldscherm, toebehorende aan [voetbalvereniging 2], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

4.


hij in de periode van 03 oktober 2009 t/m 04 oktober 2009 te [plaats], gemeente Bladel, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sportkantine (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een televisietoestel, toebehorende aan [voetbalvereniging 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

7.
hij op 7 oktober 2009 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sportkantine (gelegen aan [adres]) heeft weggenomen geldbedragen en een draadloze microfoon en levensmiddelen, toebehorende aan voetbalvereniging [voetbalvereniging 4], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

8.
hij omstreeks 7 december 2009 t/m 08 december 2009 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een sportkantine (gelegen aan [adres]) heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [voetbalvereniging 5], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

In de zaak met parketnummer 02-811728-10

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

In de zaak met parketnummer 02-811322-11

Het onder 1, 2 en 8 bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 4 en 7 bewezen verklaarde levert telkens op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich in de eerste plaats samen met een mededader schuldig gemaakt aan een overval op een bedrijf te Udenhout. Daarbij is door de mededader een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond aan het slachtoffer [slachtoffer 1], dat op enig moment ook is afgegaan. Het slachtoffer vreesde dat hij zou worden doodgeschoten. De zoon van het slachtoffer is van dit alles getuige geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten als het onderhavige ook lange tijd nadien nog te kampen hebben met gevoelens van angst en onveiligheid. Het hof rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan.

Voorts heeft verdachte zich in de vijf daaraan voorafgaande maanden schuldig gemaakt aan de diefstal van een auto en aan vijf inbraken in sportkantines, waarbij in een aantal gevallen een enorme ravage is aangericht en eigendommen van de getroffen voetbalverenigingen klaarblijkelijk met opzet zijn vernield dan wel beschadigd onder meer door deze van kwetsende teksten te voorzien. Kennelijk ziet verdachte niet hoezeer dergelijke diefstallen, naast de financiële schade en ergernis, een gevoel van onveiligheid bij de slachtoffers teweeg kunnen brengen.

Bij de strafoplegging heeft het hof daarnaast rekening gehouden met:

  • -

    de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen;

  • -

    de inhoud van het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 november 2013, waaruit blijkt dat hij na de bewezen verklaarde feiten met de strafrechter in aanraking is gekomen terzake van gekwalificeerde diefstallen zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor langere duur met zich brengt.

Het hof is van oordeel dat bij een overval op een bedrijf onder bedreiging met geweld, naar de toen geldende maatstaven een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren in beginsel als passend kan worden beschouwd. Voorts acht het hof voor een diefstal van een auto dan wel een inbraak in een kantine een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken in beginsel passend.

In het onderhavige geval is naar het oordeel van het hof evenwel sprake van strafverzwarende omstandigheden:

  • -

    nu er bij de overval een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) is getoond dat ook daadwerkelijk is afgegaan en de omstandigheid dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Hierbij houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de rol van de verdachte in het geheel een kleinere is geweest dan die van de mededader;

  • -

    de omvang van de (ook nodeloos aangebrachte) schade bij de inbraken en het feit dat verdachte in ieder geval een aantal van deze inbraken tezamen en in vereniging met een ander dan wel anderen heeft gepleegd.

Alles overziende acht het hof, met de eerste rechter en de advocaat-generaal, oplegging van de gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.371,00. De benadeelde partij is in diens vordering bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn (het in de strafzaak met parketnummer 02-811728-10 onder 2 primair ten laste gelegde), geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in zijn vordering niet worden ontvangen.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.179,55. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes in de strafzaak met parketnummer

02-811322-11 onder 4 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De benadeelde partij [benadeelde partij 5]

De benadeelde partij [benadeelde partij 5] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.010,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 5] als gevolg van verdachtes in de strafzaak met parketnummer

02-811322-11 onder 7 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-811728-10 onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het:

- in de zaak met parketnummer 02-811728-10 onder 1 primair en 2 subsidiair en

- in de zaak met parketnummer 02-811322-11 onder 1, 2, 4, 7 en 8 ten laste gelegde

heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 02-811728-10 onder 1 primair en 2 subsidiair en in de zaak met parketnummer 02-811322-11 onder 1, 2, 4, 7 en 8 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-811322-11 onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.179,55 (duizend honderdnegenenzeventig euro en vijfenvijftig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 1.179,55 (duizend honderdnegenenzeventig euro en vijfenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-811322-11 onder 7 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.010,00 (duizend tien euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5], een bedrag te betalen van € 1.010,00 (duizend tien euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. A.J.T.M. Franken- van Zinnicq Bergmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Nieuwendijk, griffier,

en op 5 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.J.T.M. Franken- van Zinnicq Bergmann is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s houdende ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal, opgenomen in het doorgenummerde dossier van de Politie Midden- en West-Brabant, Divisie Recherche Zware Criminaliteit, BDRT, proces-verbaalnummer PL205A10010-29288080, sluitingsdatum 13 december 2010, p. 1-718.

2 Proces-verbaal aangifte van [naam], p. 58-63.

3 Proces-verbaal verhoor getuige [naam], p. 64-67.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [naam], p. 68-69.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 93-94.

6 Processen-verbaal verhoor verdachte [naam], p. 440-454.

7 Proces-verbaal verhoor verdachte [naam], p. 246.

8 Proces-verbaal van aangifte van [naam], p. 99-101.

9 Proces-verbaal verhoor getuige [naam], p. 68-69.

10 Proces-verbaal bevindingen, p. 96-97.

11 Proces-verbaal verdachte [naam], p. 144 van het onder voetnoot 11 genoemde dossier.

12 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 116A-116C; een rapport van het NFI d.d. 25 mei 2010 ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in Udenhout op 11 februari 2010’, met bijlagen, p. 128-133; een rapport van het NFI d.d. 1 februari 2011 ‘DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een verdachte”, met bijlage, gevoegd als bijlage bij de memo van de officier van justitie mr. P.W.P. Emmen d.d. 6 juli 2011.

13 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 116A-116C; een proces-verbaal van een vergelijkend dactyloscopisch onderzoek van het FTO d.d. 21 december 2010, gevoegd als bijlage bij de memo van de officier van justitie mr. P.W.P. Emmen d.d. 6 juli 2011.

14 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s houdende ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal, opgenomen in het doorgenummerde dossier van de Politie Midden- en West-Brabant, Divisie Recherche Zware Criminaliteit, BDRT, proces-verbaalnummer PL205A10002-29196921, sluitingsdatum 22 november 2010, p. 1-879.

15 Proces-verbaal aangifte van [naam], p. 300-303.

16 Proces-verbaal verhoor getuige [naam], p. 151-155.

17 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s houdende ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal, opgenomen in het doorgenummerde dossier van de Politie Midden- en West-Brabant, Divisie Recherche Zware Criminaliteit, HCIT, proces-verbaalnummer 27042011.1300.A, sluitingsdatum 1 juni 2011, p. 1-171.

18 Proces-verbaal aangifte van [naam], met bijlage, p. 56-60.

19 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 67-70.

20 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 162-166.

21 Proces-verbaal aangifte van [naam], met bijlage, p. 73-79.

22 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 88-91.

23 Proces-verbaal aangifte van [naam], met bijlage, p. 96-100.

24 Proces-verbaal bevindingen, p. 114; Proces-verbaal veiligstellen en aantreffen DNA-spoor, p. 116.

25 Proces-verbaal aangifte van [naam], met bijlagen, p. 130-138.

26 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 141-145.

27 Proces-verbaal aangifte van [naam], met bijlage, p. 146-150.

28 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 151-154.

29 Rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een verdachte, met bijlage, p. 47-51.