Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA4038

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
21-06-2013
Zaaknummer
HD 200.104.928 T2
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schuldbekentenis, deskundigenonderzoek naar handtekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.104.928/01

arrest van 18 juni 2013

in de zaak van

[de zoon],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. R.P.V.W. Willems te Helmond,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. S. Kissels te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 22 mei 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder zaak-/rolnummer 213283/HA ZA 10-1373 gewezen vonnis van 14 december 2011 tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – [geintimeerde] – als eiser.

5.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 22 mei 2012 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- de dagvaarding in hoger beroep

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met producties.

De comparitie na aanbrengen heeft niet plaatsgevonden en partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg (waarbij wordt overwogen dat het tussenvonnis van de rechtbank van 15 september 2010 en het tussenarrest van 22 mei 2012 alleen zijn overgelegd door [geintimeerde]).

6. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7. De beoordeling

7.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

7.1.1. [geintimeerde] is de vader van [appellant] (partijen hierna te noemen: respectievelijk de vader en de zoon).

7.1.2. De zoon heeft een geldbedrag van de vader ontvangen.

7.1.3. Een door de vader overgelegd, handgeschreven, stuk (prod. 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) luidt als volgt:

“Hierbij verklaart ondergetekende, [appellant] geboren [geboortedatum] 1986, te [geboorteplaats] (Etiopie) schuldig te zijn aan (hof: volgt onleesbare, doorgestreepte letter) [geintimeerde] (vader van [appellant])

een bedrag groot Euro 10.000 zegge = tienduizend Euro =

Ondergetekende [appellant] verklaart bij deze het bedrag in maandelijkse termijnen van minimaal Euro 250.= af te lossen en verklaart hierbij mede indien mogelijk het maandelijks bedrag zoveel als mogelijk in hogere bedragen af te lossen

Opgemaakt te [plaatsnaam]

20 januari 2007

schuldenaar: schuldeiser:

[appellant] [geintimeerde]

(hof: volgt een handtekening) (hof: volgt de handtekening van de vader)

datum: 20 0102007 datum: [plaatsnaam] 20010”

7.1.4. Bij deurwaardersexploot van 13 november 2007 (prod. 2 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft de vader van de zoon betaling van een bedrag van € 10.000,-- gevorderd. Daarbij werd vermeld dat de zoon dit bedrag zou aflossen in termijnen van minimaal € 250,-- per maand en dat hij daarmee ernstig in gebreke was gebleven.

7.1.5. Partijen hebben vervolgens tot en met 2010 (via hun advocaten) gecorrespondeerd over de door de vader gestelde vordering jegens de zoon.

7.2. In eerste aanleg heeft de vader gevorderd dat de zoon zou worden veroordeeld tot betaling van de volgende bedragen: € 6.900,-- (hoofdsom), € 847,13 (rente), € 913,92 (buitengerechtelijke kosten), € 7,-- (verschotten GBA), te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. Hieraan heeft de vader, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat hij € 10.000,-- aan de zoon heeft verstrekt en dat hij met de zoon is overeengekomen dat de zoon dit in maandelijkse termijnen van € 250,-- zou terugbetalen. Volgens de vader heeft de zoon niet aan zijn aflossingsverplichtingen voldaan en is er in totaal slechts € 3.100,-- afgelost, zodat hij als hoofdsom het resterende openstaande bedrag vordert.

7.3. Nadat de zoon verweer heeft gevoerd, heeft de rechtbank de vordering van de vader toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen, dat de zoon de vordering van de vader onvoldoende heeft betwist.

7.4. De grieven zijn gericht tegen de toewijzing door de rechtbank van de vordering van de vader en tegen de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel is gebaseerd. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

7.5. De vader onderbouwt zijn vordering als volgt. Hij stelt dat hij voor de zoon, die nog in Ethiopië woonde, geld ter beschikking heeft gesteld voor een vliegticket naar Nederland en voor bepaalde kosten in Nederland. Volgens de vader zijn de zoon en hij vervolgens overeengekomen dat de zoon € 10.000,-- aan de vader zou terugbetalen in maandelijkse termijnen van € 250,-- en hebben zij dit vastgelegd in het onder 7.1.3. genoemde stuk. De vader stelt dat er later nog enkele betalingsregelingen zijn getroffen en dat de zoon in totaal € 3.100,-- als volgt heeft terugbetaald: twee keer € 250,-- (via de bank), eenmaal € 2.000,-- en eenmaal € 600,--. Ter onderbouwing van de gestelde betaling van tweemaal € 250,-- legt de vader kopieën over van bankafschriften uit september en november 2007.

7.6. De zoon betwist dat hij met de vader is overeengekomen dat hij € 10.000,-- zou terugbetalen aan de vader. Hij betwist onder meer dat hij eerder genoemd stuk heeft ondertekend en dat hij bedragen heeft (terug)betaald aan de vader. Verder beroept hij zich, naar het hof begrijpt, op misleiding, bedrog of bedreiging. Ook voert hij aan, dat hij weliswaar een bedrag van de vader in ontvangst heeft genomen maar dat hij dit om niet van de vader heeft gekregen en dat het aanzienlijk lager was dan € 10.000,--.

7.7.1. Het hof overweegt als volgt. Het meest relevante bewijsmiddel waarop de vader zich beroept, is het onder 7.1.3. geciteerde stuk, dat door het hof wordt aangemerkt als een schuldbekentenis (hierna: de schuldbekentenis). Voor alle duidelijkheid overweegt het hof dat de schuldbekentenis vrije bewijskracht heeft, nu gesteld noch gebleken is dat de schuldbekentenis (of de vermelding van de geldsom in letters) geheel door de zoon is geschreven, zoals bedoeld in artikel 158 lid 1 Rv.

7.7.2. Nu de zoon de echtheid van de op de schuldbekentenis onder zijn naam geplaatste handtekening stellig heeft betwist, dient eerst te worden vastgesteld of de bewuste handtekening is geplaatst door de zoon. Hiertoe acht het hof een deskundigenonderzoek van deze handtekening geboden, zoals hierna onder 7.10. tot en met 7.12. aan de orde komt. In zoverre slaagt grief 3.

7.8. Indien het hof op grond van het deskundigenonderzoek tot het oordeel komt dat de handtekening onder de naam van de zoon niet door de zoon is geplaatst, zal de vader worden toegelaten tot bewijslevering, omtrent de door hem in nr. 9 van de dagvaarding in eerste aanleg gestelde mondelinge overeenkomst met de zoon over terugbetaling van een bedrag van € 10.000,--.

7.9.1. Indien het hof op grond van het deskundigenonderzoek tot het oordeel komt dat de zoon de schuldbekentenis heeft ondertekend, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd omdat de overige door de zoon aangevoerde verweren dan niet slagen. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

7.9.2. De zoon heeft in de conclusie van antwoord (nr. 2) naar voren gebracht dat hij zijn verweren kenbaar heeft gemaakt in een brief van zijn raadsman van 22 november 2007. Deze brief heeft hij niet overgelegd. Vervolgens heeft de zoon aangegeven dat hij volstaat met een verwijzing naar punt 6 van de dagvaarding, waarin de vader (onder verwijzing naar genoemde brief van 22 november 2007) als verweren van de zoon noemt: misleiding, bedrog of bedreiging. De zoon zelf heeft verder ook in hoger beroep geen enkele stelling naar voren gebracht over bijvoorbeeld datum, tijdstip, gang van zaken of gevolgen van de misleiding, het bedrog of de bedreiging. Derhalve heeft de zoon niet aan zijn stelplicht voldaan, zodat op dit punt niet aan bewijslevering wordt toegekomen en deze verweren falen.

7.9.3. Indien blijkt dat de zoon de schuldbekentenis heeft ondertekend, is zijn stelling dat hij van de vader om niet een bedrag heeft ontvangen dat aanzienlijk minder bedroeg dan € 10.000,--, een onvoldoende betwisting tegenover de aldus onderbouwde vordering van de vader.

7.9.4. Tenslotte wordt onvoldoende duidelijk wat de strekking is van de verwijzingen door de zoon naar de ondersteuning door familieleden (conclusie van antwoord nr. 4 en tweede deel grief 3 in samenhang met de productie bij de memorie van grieven). Laatstgenoemde, voor het eerst in hoger beroep overgelegde, productie bestaat onder meer uit een Nederlandstalig stuk. Daarin is vermeld dat het een door een tolk/vertaler opgestelde vertaling is van een bijgevoegd stuk in de Amhaarse taal. In het Nederlandstalige stuk is vermeld dat het gaat om een Verzoeningsovereenkomst van 2 maart 2008 van de Familieraad, betreffende de rechtszaak tussen vader en zoon [geïntimeerde] en zijn zoon [appellant]. Voor zover de zoon beoogt te betogen, dat uit dit stuk zou blijken dat de vader geen vordering (meer) heeft op de zoon, geldt het volgende. Nog daargelaten dat de vader in de memorie van antwoord de echtheid van (zijn handtekening onder) genoemde verzoeningsovereenkomst betwist, had het op de weg van de zoon gelegen specifiek en gemotiveerd aan te geven hoe dit document zijn betwisting van de vordering van de vader onderbouwt. De enkele stelling dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn bewijsaanbod in de nrs. 6 en 7 van de conclusie van antwoord en dat zijn familieleden bereid zijn te getuigen over de echtheid en inhoud van bedoelde verzoeningsovereenkomst, is daartoe onvoldoende. Daar komt nog bij dat zonder nadere toelichting, die in het geheel ontbreekt, niet valt in te zien in hoeverre een document uit maart 2008 betreffende een rechtszaak tussen de vader en de zoon betrekking kan hebben op de onderhavige procedure die is begonnen met de dagvaarding in eerste aanleg van 1 juni 2010. Dit, terwijl ook overigens niet blijkt dat dit document betrekking heeft op het onderhavige geschil.

(Voor zover de zoon overigens beoogt te betogen dat uit de handtekening van de zoon onder het document in de Amhaarse taal zou blijken, dat de gestelde handtekening van de zoon onder de schuldbekentenis niet van hem is, geldt dat het aan de deskundige is om te bepalen welke documenten hij betrekt bij zijn onderzoek.)

7.9.5. Gelet op al het voorgaande, geldt dat indien het hof tot het oordeel komt dat de zoon de schuldbekentenis heeft ondertekend, de zoon de aldus onderbouwde vordering van de vader onvoldoende heeft betwist. In dat geval heeft de rechtbank terecht de vordering van de vader toegewezen en zal het bestreden vonnis dan ook bekrachtigd worden.

7.10. Voor het hierboven al aangekondigde onderzoek naar de gestelde handtekening van de zoon onder de schuldbekentenis, is het hof voornemens aan een te benoemen handschriftdeskundige de volgende vragen voor te leggen:

1.Kunt u aangeven of de handtekening op de schuldbekentenis onder “[appellant]” door de zoon geplaatst is?

2.Met welke mate van waarschijnlijkheid kunt u dit aangeven?

3.Hebt u overigens nog opmerkingen die voor deze zaak van belang zijn?

7.11. Partijen kunnen zich bij akte uitlaten -bij voorkeur eensluidend- over de persoon van de te benoemen deskundige. Indien partijen zich niet uitlaten over de persoon van de deskundige, is het hof voornemens drs. P.L. Zevenbergen te [woonplaats] te benoemen. Ook hierover kunnen partijen zich uitlaten.

Voorts kunnen partijen bij akte suggesties doen over de aan de deskundige voor te leggen vragen.

7.12. Het hof is voornemens de kosten van de deskundige voorlopig ten laste van de vader te brengen, aangezien op hem de bewijslast van de echtheid van de handtekening op de schuldbekentenis rust.

7.13. Tenslotte wordt aan partijen nog het volgende in overweging gegeven. De oorspronkelijk door het hof gelaste comparitie na aanbrengen heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden omdat de vader liet weten wegens een ziekenhuisopname langdurig niet in staat te zijn deze bij te wonen. Indien beide partijen het in dit stadium wenselijk achten dat ter beproeving van een minnelijke regeling en ter voorkoming van de kosten van een handschriftdeskundige alsnog een schikkingscomparitie wordt gehouden, kunnen zij dit kenbaar maken op de in het dictum genoemde roldatum. Een eenparig verzoek tot het gelasten van een dergelijke comparitie (voorzien van de verhinderdata van beide partijen en hun advocaten voor de maanden september t/m november 2013), zal het hof inwilligen.

7.14. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

9. De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 16 juli 2013:

-voor akte aan de zijde van de vader, uitsluitend met de hiervoor onder rechtsoverweging 7.11. vermelde doeleinden, waarna de zoon in de gelegenheid wordt gesteld bij antwoordakte te reageren;

ofwel:

-voor een eenparig verzoek van partijen aan het hof als bedoeld in rechtsoverweging 7.13., tot het houden van een schikkingscomparitie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, P.M. Arnoldus-Smit en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 juni 2013.