Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA4016

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
21-06-2013
Zaaknummer
HV 200.125.014
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De enkele omstandigheid dat [appellant sub 1.] voorafgaand aan zijn verzoek om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling in gemeenschap van goederen is gehuwd met [appellante sub 2.] en door dit huwelijk hoofdelijk aansprakelijk is geworden voor de substantiële schuldenlast van [appellante sub 2.], is naar het oordeel van het hof, mede gelet op artikel 8 EVRM, waarin het recht op privé- familie- en gezinsleven is geregeld, geen grond om het verzoek van [appellant sub 1.] reeds op voorhand af te wijzen, omdat volgens de rechtbank [appellant sub 1.] door zijn huwelijk met [appellante sub 2.] zijn oorspronkelijke schuldeisers zou hebben benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 20 juni 2013

Zaaknummer: HV 200.125.014/01

Zaaknummers eerste aanleg: C01/258102 / FT RK 13/94 en C01/258105 / FT RK 13/95

in de zaak in hoger beroep van:

[Appellant sub 1.],

en

[Appellante sub 2.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [appellant sub 1.] respectievelijk [appellante sub 2.],

advocaat: mr. H. Sanli.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 27 maart 2013.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 april 2013, hebben appellanten ieder voor zich verzocht voormelde vonnissen te vernietigen en te bepalen dat de faillissementen worden opgeheven onder het gelijktijdig uitspreken van de schuldsaneringsregeling.

2.2. Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken, heeft het hof de beide zaken gevoegd behandeld.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 juni 2013.

Bij die gelegenheid zijn appellanten gehoord, bijgestaan door mr. Sanli;

Voorts is ter zitting verschenen mr. P.C.H.H. Kager, curator.

De beschermingsbewindvoerder, mr. F.H.H. Smeets is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 maart 2013;

- de brief met bijlagen van de advocaat van appellanten d.d. 30 mei 2013;

- de ter zitting overgelegde stukken, te weten: een brief van GGZ d.d. 11 juni 2013.

3. De beoordeling

3.1. Appellanten hebben de rechtbank verzocht hen toe te laten tot de schuldsaneringsregeling onder gelijktijdige opheffing van het op 20 december 2011 op eigen verzoek uitgesproken faillissement.

3.2. Bij vonnissen waarvan beroep zijn de verzoeken van appellanten afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe in beide zaken op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet aannemelijk is dat appellanten ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest, terwijl ten aanzien van [appellante sub 2.]is overwogen dat niet aannemelijk is dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

Appellanten kunnen zich met deze beslissingen niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

Het inleidende verzoekschrift

3.3. Uit de inhoud van de processtukken is het hof gebleken dat de beschermingsbewindvoerder als reactie op de zitting van de rechtbank d.d. 22 januari 2013, waarbij de opheffing van het faillissement van appellanten zou worden behandeld, namens appellanten de rechtbank heeft verzocht het faillissement om te zetten in de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Bij brief van 14 maart 2013 heeft de beschermingsbewindvoerder de verklaring ex artikel 285 Fw van appellanten aan het hof toegezonden.

Het hof stelt vast dat deze door de beschermingsbewindvoerder namens appellanten ondertekende verklaring niet voldoet aan het bepaalde in artikel 285 lid 1 Fw.

Zo ontbreekt in deze verklaring de schuldenlijst, waarin voor iedere afzonderlijke schuld gespecificeerd staat vermeld welke schuld het betreft, wat de aanleiding is geweest dat deze schuld is ontstaan, wanneer deze schuld is ontstaan en waarom deze schuld onbetaald is gebleven.

Dit brengt met zich dat door het hof feitelijk niet kan worden beoordeeld of appellanten ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden te goeder trouw zijn geweest, hetgeen op zichzelf beschouwd al voldoende grond vormt om het verzoek van appellanten af te wijzen.

De inhoudelijke beoordeling

3.4. In hun eerste grief stellen appellanten, met verwijzing naar vaste jurisprudentie (Hoge Raad 4 juni 2004, LJN: AO6933 en Hof Den Bosch 29 januari 2007, LJN: AZ8663) dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat [appellant sub 1.] lichtzinnig heeft gehandeld door in gemeenschap te huwen met [appellante sub 2.] en daarmee zijn oorspronkelijke schuldeisers heeft benadeeld. Volgens appellanten gaat de rechtbank niet uit van een individuele beoordeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling

3.4.1. Deze grief van appellanten slaagt. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 1.] voorafgaand aan zijn verzoek om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling in gemeenschap van goederen is gehuwd met [appellante sub 2.]en door dit huwelijk hoofdelijk aansprakelijk is geworden voor de substantiële schuldenlast van [appellante sub 2.], is naar het oordeel van het hof, mede gelet op artikel 8 EVRM, waarin het recht op privé- familie- en gezinsleven is geregeld, geen grond om het verzoek van [appellant sub 1.] reeds op voorhand af te wijzen, omdat volgens de rechtbank [appellant sub 1.] door zijn huwelijk met [appellante sub 2.]zijn oorspronkelijke schuldeisers zou hebben benadeeld.

Artikel 8 EVRM luidt:

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

3.4.2. Het hof is voorts van oordeel dat de rechtbank de verzoeken van [appellant sub 1.] en [appellante sub 2.]om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling afzonderlijk had moeten beoordelen, anders gezegd de rechtbank had moeten onderzoeken of zowel aan de zijde van [appellant sub 1.] als aan de zijde van [appellante sub 2.]sprake is van zodanige feiten en omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het verzoek van [appellant sub 1.] dan wel het verzoek van [appellante sub 2.]en/of beide om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling op grond van het limitatief bepaalde in artikel 288 Fw moet worden afgewezen.

3.5. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.5.1. Met betrekking tot de belastingschuld van appellanten van in totaal € 7.708,-- is het hof van oordeel dat appellanten ten aanzien van het ontstaan van deze schuld, als gevolg van door appellanten en onrechte ontvangen kinderopvangtoeslagen gedurende de jaren 2009, 2010 en 2012, niet te goeder trouw zijn geweest.

Los van het waarheidsgehalte van de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gegeven verklaring van appellanten, dat zij diverse keren de belastingdienst telefonisch hebben bericht dat de kinderopvangtoeslag moest worden stopgezet en waarbij de belastingdienst bij die gelegenheid zou hebben toegezegd dat gevolg zou worden gegeven aan het verzoek van appellanten, vaststaat dat appellanten de door hen ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslagen niet hebben gereserveerd maar hebben verbruikt, waardoor uiteindelijk de belastingschuld is blijven bestaan. Het ontstaan en onbetaald laten van deze belastingschuld vormt naar het oordeel van het hof voldoende grond om het verzoek van appellanten om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling af te wijzen.

Gelet hierop hoeven de overige schulden van appellanten, waaronder de nieuwe ontstane schulden aan onder andere NUON en United Energy Works, dan ook geen nadere bespreking meer.

3.6. De rechtbank heeft ten aanzien van [appellante sub 2.] daarnaast overwogen dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat zij de uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.6.1. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellante sub 2.]desgevraagd verklaard dat zij nog steeds cursussen volgt voor haar borderline persoonlijkheidsproblematiek en dat na afloop van zes sessies van de cursus met betrekking tot haar persoonlijkheidsproblematiek een evaluatie zal plaatsvinden en een nieuw vervolgbehandelplan zal worden opgesteld.

Het hof is van oordeel dat, zolang het behandeltraject van [appellante sub 2.]met betrekking tot haar persoonlijke problematiek nog niet is afgerond en [appellante sub 2.]nog niet voldoende stabiel is en in staat is inkomsten uit arbeid te genereren, zij op dit moment niet in staat moet wordt geacht gedurende een periode van in beginsel drie jaar de schuldsaneringsregeling met alle daarbij komende op haar rustende kernverplichtingen naar behoren te doorlopen en succesvol af te ronden.

3.7. Voor zover het hof van oordeel mocht zijn dat appellanten ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend niet goeder trouw zijn geweest, hebben appellanten een beroep gedaan op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

Appellanten hebben daarbij aangevoerd dat zij voldoende maatregelen hebben genomen waarmee zij hun problematiek onder controle hebben, nu zowel sprake is van beschermingsbewind als maatschappelijke begeleiding. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellante sub 2.]voor haar situatie aangevoerd dat zij onder begeleiding van GGZ cursussen volgt voor haar persoonlijkheidsstoornis.

3.7.1. Het hof is van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is dat appellanten de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen (artikel 288 lid 3 Fw).

In dit verband overweegt het hof dat artikel 288 lid 3 Fw aan de wet is toegevoegd in het bijzonder met het oog op personen met verslavingsproblemen en/of psychosociale problemen die de omstandigheden die bepalend waren voor het ontstaan en onbetaald laten van de schulden, onder controle hebben gekregen, hetgeen zal moeten blijken uit door de schuldenaar getroffen, objectiveerbare maatregelen (K. 29 942, nr. 24, blz. 3).

Wil een beroep op artikel 288 lid 3 Fw slagen, dan zal in het algemeen vereist zijn dat de betrokken schuldenaar van een zekere (persoonlijke) ontwikkeling blijk geeft die zich uitbetaalt in het feit dat hij de situatie die hem in financiële problemen heeft gebracht onder controle heeft (vgl de conclusie van A-G Timmerman vóór Hoge Raad 27 april 2012, LJN:BW 4208). Naar het oordeel van het hof bevatten de gedingstukken dienaangaande zowel ten aanzien van [appellant sub 1.] als [appellante sub 2.]onvoldoende gegevens.

3.8. Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat, nu niet voldoende aannemelijk is geworden dat appellanten ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest, niet voldoende aannemelijk is dat [appellante sub 2.]in staat is de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, terwijl eveneens niet voldoende aannemelijk is geworden dat appelanten de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle hebben gekregen (artikel 288 lid 3 Fw), de vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A.G.M. Waaijers, L.Th.L.G. Pellis en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2013.