Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA3891

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
12-00723
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, woonachtig in Frankrijk, heeft in 2009 uit Nederland een lijfrente-uitkering ontvangen van X Levensverzekeringsmaatschappij, welke lijfrente-uitkering verkregen is door het afstorten in de jaren tachtig van de vorige eeuw van het bedrag van de schadeloosstelling inzake een onterecht verleend ontslag uit een Nederlandse dienstbetrekking.

In geschil is het antwoord op de vraag of de lijfrente-uitkering behoort tot het NiNbi 2009 (“Niet in Nederland belastbaar inkomen”). Het Hof beantwoordt die vraag, evenals de Rechtbank, bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1509
V-N 2013/51.20.15
FutD 2013-1650
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00723

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y (Frankrijk),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 21 september 2012, nummer AWB 12/1703, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingregio van de Belastingdienst/Limburg, werkeenheid Buitenland van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 31 januari 2012 is ten name van belanghebbende de beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen (hierna: het NiNbi) vastgesteld naar een wereldinkomen van € 142.325 en een NiNbi van € 134.983, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 115. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 25 april 2013 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende is niet verschenen, waarvan hij voor de zitting het Hof kennis heeft gegeven.

1.6. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende, geboren 28 juli 1943, heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is op 16 juni 2003 met zijn echtgenote uit de Gemeentelijke Basisadministratie uitgeschreven als geëmigreerd naar Frankrijk. In 2009 woonde hij het hele jaar in Frankrijk.

2.2. Belanghebbende heeft in 2009 een AOW-uitkering en pensioenuitkeringen van het A, B en C genoten. Daarnaast heeft hij blijkens de "FIBASE" (Renseignement Informatie Systeem van de Belastingdienst), waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort, in 2009 uit Nederland een uitkering van € 107.301 ontvangen van D (hierna: de uitkering), welke uitkering verkregen is door het afstorten van het bedrag van de schadeloosstelling inzake een onterecht verleend ontslag uit een Nederlandse dienstbetrekking in de jaren tachtig van de vorige eeuw.

2.3. Voor de inkomstenbelasting is belanghebbende voor het onderhavige jaar buitenlands belastingplichtig.

2.4. Belanghebbende heeft het aan hem door de Inspecteur op 15 september 2010 toegezonden Formulier Opgaaf wereldinkomen 2009 ingevuld en ondertekend teruggezonden. In dat formulier, door de Inspecteur ontvangen op 25 februari 2011, heeft belanghebbende geen melding gemaakt van de uitkering.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de uitkering behoort tot het NiNbi 2009.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft de Inspecteur hieraan niets toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en verlaging van het NiNbi 2009 tot een bedrag van € 27.682. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt in hoger beroep, dat het bedrag van € 107.301 ten onrechte tot zijn NiNbi inkomen is gerekend, omdat dat bedrag inkomen, noch uitkering is. Hij stelt voorts dat hij voor dat bedrag nooit een arbeidsprestatie heeft verricht en dat het bedrag nog steeds op een geblokkeerde rekening staat. Tot slot wijst belanghebbende op het feit, dat de uitkering in 2008 en na 2009 ook niet in zijn NiNbi is begrepen.

4.2. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van de stamrechtovereenkomst, gesloten tussen belanghebbende en zijn toenmalige werkgever (hierna: de stamrechtovereenkomst), waarin is bepaald, dat belanghebbendes toenmalige werkgever aan belanghebbende als vergoeding voor de schade, ontstaan door de beëindiging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, een schadeloosstelling van fl. 200.000 toekent in de vorm van een stamrecht, zijnde een recht op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 32, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting1964 en artikel 11, letter e, van de Uitvoeringsbeschikking loonbelasting 1972. Het bedrag van fl. 200.000, dat blijkens de stamrechtovereenkomst onder meer toegekend is voor de vermindering van de pensioenopbouw, is door de werkgever gestort bij een door belanghebbende aangewezen verzekeringsmaatschappij ter voldoening aan de hiervoor genoemde verplichting van de werkgever.

4.3. D is, naar de Inspecteur stelt en belanghebbende niet heeft weersproken, tussen 1 september 2007 en 1 september 2009 overgegaan tot het uitbetalen van de uitkering, welke uitkering zijn oorsprong vindt in de onder 4.2 aangehaalde stamrechtovereenkomst. Over de uitkering heeft D geen loonbelasting ingehouden. De Inspecteur wijst er op, dat nu de uitkering ter zake van een vroegere dienstbetrekking wordt uitbetaald, de heffingsbevoegdheid toegewezen is aan de woonstaat, Frankrijk.

4.4. Zoals de Rechtbank in zijn uitspraak heeft overwogen, kwalificeert de uitkering op grond van het bepaalde in artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001, in verbinding met artikel 10, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964, als loon en is de uitkering, gelet op het bepaalde in artikel 8a, lid 2, letter b, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, derhalve terecht gerekend tot belanghebbendes NiNbi 2009.

4.5. Voor zover belanghebbende stelt, dat het bedrag van € 107.301 niet tot zijn inkomen mag worden gerekend, omdat het nog steeds op een geblokkeerde rekening zou staan, kan het Hof die stelling, als onvoldoende onderbouwd, niet volgen. Gelet op de gegevens uit de "FIBASE" is het bedrag aan belanghebbende in 2009 ter beschikking gesteld en van enige blokkering, in de zin dat belanghebbende geen beschikkingsvrijheid zou hebben om het geld van de rekening te halen, is niet gebleken.

4.6. Voor zover belanghebbende stelt dat de uitkering niet tot zijn inkomen behoort, omdat hij daarvoor nooit een arbeidsprestatie heeft verricht, kan het Hof die stelling evenmin volgen. Volgens de vaste jurisprudentie behoren ontslaguitkeringen, waarvoor geen werk is verricht, tot het inkomen uit dienstbetrekking, nu zij hun oorsprong vinden in die dienstbetrekking.

4.7. Voor zover belanghebbende wijst op het gegeven dat de uitkering in 2008 en na 2009 door de Inspecteur niet tot zijn NiNbi is gerekend, overweegt het Hof als volgt.

De Inspecteur heeft gesteld dat de uitkering door belanghebbende in 2008 - zoals ook in 2009 - niet is aangegeven en dat de Inspecteur dit per abuis niet heeft gecorrigeerd. Van een bewuste standpuntbepaling met betrekking tot de fiscale kwalificatie van de uitkering door de Inspecteur, waaraan belanghebbende een rechtens te honoreren vertrouwen zou mogen ontlenen dat de uitkering ook in 2009 buiten het NiNbi zou blijven, is naar het oordeel van het Hof niet gebleken. Het enkele volgen van belanghebbendes opgave over het jaar 2008 is daartoe onvoldoende. Met betrekking tot de jaren na 2009 wijst de Inspecteur er terecht op, dat de uitkering in die jaren niet meer is uitbetaald, zodat zij ook niet tot belanghebbendes inkomen over die jaren behoorde.

Slotsom

4.8. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond, en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 7 juni 2013 door J. Swinkels, voorzitter, P. Fortuin en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.