Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA3464

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
20-004027-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van poging moord c.q. poging zware mishandeling c.q bedreiging. Het hof oordeelt dat het gedrag van verdachte ook naar uiterlijke verschijningsvorm niet dwingt tot de conclusie dat verdachte het opzet (ook in voorwaardelijke zin) had zichzelf met haar dochter te laten overrijden door een trein. Ten aanzien van de ten laste gelegde bedreiging van het kind overweegt het hof dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging noodzakelijk is dat de bedreigde weet heeft van de bedreiging. Dit laat zich niet goed voorstellen bij een baby van acht maanden oud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004027-12

Uitspraak : 17 juni 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 november 2012 in de strafzaak met parketnummer 01-825269-10 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [1984]

wonende [woonplaats].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van – kort gezegd – poging moord (primair), poging zware mishandeling (subsidiair) en bedreiging (meer subsidiair).

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat het ondergaan van een ambulante behandeling inhoudt

Namens verdachte is bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich wel met de vrijspraak verenigen, maar niet met alle onderdelen van de overwegingen van de rechtbank die tot die vrijspraak hebben geleid. Om redenen van leesbaarheid van dit arrest zal het vonnis worden vernietigd en zal het hof een volledig arrest opzetten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 20 april 2010 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachte rade) haar dochter [naam] (geboren [2009]) van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, - met een kinderwagen (met daarin [naam]) perron 2 van het centraal station Helmond is afgelopen (in de richting van Helmond-Oost) en/of - aan het eind van dat perron via een (metalen trap) zich met de kinderwagen (met daarin [naam]) van het perron naar het spoor begeven en/of - (terwijl een trein met aanzienlijke snelheid het station naderde over het spoor behorende bij perron 1) de kinderwagen op de bielzen van spoor 1 gezet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 20 april 2010 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar kind, althans een persoon genaamd [naam] (geboren op [2009]), opzettelijk (en met voorbedachte rade) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, - met een kinderwagen (met daarin [naam]) perron 2 van het centraal station Helmond is afgelopen (in de richting van Helmond-Oost) en/of - aan het eind van dat perron via een (metalen trap) zich met de kinderwagen (met daarin [naam]) van het perron naar het spoor begeven en/of - (terwijl een trein met aanzienlijke snelheid het station naderde over het spoor behorende bij perron 1) de kinderwagen op de bielzen van spoor 1 gezet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 20 april 2010 te Helmond [naam] (geboren [2009]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/is verdachte toen daar opzettelijk dreigend - met een kinderwagen (met daarin [naam]) perron 2 van het centraal station Helmond afgelopen (in de richting van Helmond-Oost) en/of - aan het eind van dat perron via een (metalen trap) zich met de kinderwagen (met daarin [naam]) van het perron naar het spoor begeven en/of - (terwijl een trein met aanzienlijke snelheid het station naderde over het spoor behorende bij perron 1) de kinderwagen op de bielzen van spoor 1 gezet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De raadsvrouwe heeft namens verdachte bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat op basis van het dossier niet bewezen kan worden dat verdachte het opzet had om op 20 april 2010 haar dochter van het leven te beroven, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel te bedreigen. Subsidiair heeft de raadsvrouwe bepleit dat voor zover het hof van oordeel is dat sprake is van opzettelijk handelen, er sprake is geweest van vrijwillige terugtred.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe – kort samengevat – aangevoerd dat het gedrag van verdachte, zoals waargenomen door de getuigen die ter plaatse waren, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet verenigbaar is met de lezing van verdachte van iemand die in gedachten verzonken is en plotseling ontwaakt uit deze gedachten, maar wijst op het opzettelijk zichzelf en haar dochter te willen doden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.

- Op 20 april 2010 rond 20.45 uur arriveerde verdachte met de trein op het station te Helmond. Zij stapte uit op perron 2 met haar ruim 8 maanden oude dochter [naam] in een kinderwagen. Zij liep naar rechts perron 2 helemaal af waar zij vervolgens met de kinderwagen via een metalen trap het perron af is gegaan en het spoorgedeelte is opgelopen. Dit wil zeggen dat zij gelijkvloers met de sporen liep in wat door de machinist [getuige 2] (dossierpagina 21) de spoorbak wordt genoemd. In deze spoorbak lopen drie sporen, goed te zien op de foto’s op dossierpagina 44. Vervolgens is verdachte over een afstand van circa 40 tot 50 meter met de kinderwagen tussen de op enige afstand van elkaar liggende sporen 1 en 2 in de richting van Venlo gelopen. Perron 2 ligt tussen de sporen 1 en 2.

(zie verklaring [getuige 1], dossierpag. 22 en 25, verklaring verdachte, dossierpag. 47, en verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 juni 2013).

- De [getuige 1], die op dat moment op perron 1 stond, zag verdachte in de ruimte tussen spoor 1 en spoor 2 lopen. Zij is toen over perron 1 richting verdachte gerend. Op enig moment zag [getuige 1] dat verdachte de kinderwagen dwars op spoor 1 reed. Zij heeft verdachte toen aangeroepen met de vraag wat zij aan het doen was. Op dat moment kwam er een trein aan die claxoneerde en verdachte zette haar kinderwagen en haar dochter op het perron en klom zelf ook het perron op. De trein kwam vlak voor verdachte tot stilstand. [getuige 1] hoorde dat verdachte tegen haar zei: “Ik weet niet wat ik aan het doen ben”. Verdachte was volgens [getuige 1] goed aanspreekbaar. Zij hoorde haar zeggen: “Ja, nu besef ik pas wat ik gedaan heb”.

(zie verklaring [getuige 1], dossierpag. 23, 25 en bij de rechter-commissaris d.d. 6 juni 2012)

- De machinist van de trein die het station naderde op het moment dat verdachte het spoor overstak, de [getuige 2], verklaarde dat hij in de verte iets op het spoor zag en daarom besloot om de noodremprocedure in te zetten. Dichterbij gekomen zag [getuige 2] een vrouw met een kinderwagen op het spoor staan. De trein kwam vervolgens ongeveer tien meter voor deze vrouw tot stilstand. [getuige 2] zag toen dat de vrouw en de kinderwagen uit de spoorbak werden geholpen.

(zie dossierpag. 21 en verklaring [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 6 juni 2012).

Het hof acht op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen en waarnemingen omtrent het gedrag van verdachte onvoldoende duidelijk geworden wat de reden is geweest dat verdachte op 20 april 2010 niet op een normale wijze het station heeft verlaten maar vanaf perron 2 tussen de spoorbanen is gaan lopen en zichzelf en haar dochter in een zeer gevaarlijke situatie heeft gebracht door vlak voor aankomst van de trein de rails over te steken.

Verdachte heeft zelf verklaard dat zij die dag diep in gedachten verzonken was en niet weet wat ze heeft gedaan. Terwijl ze feitelijk vanaf perron 2 spoor 1 had moeten oversteken naar perron 1, en dan naar rechts had moeten lopen over perron 1 naar de busplaats, is ze meteen bij het uitstappen op perron 2 de andere kant naar het eind van het perron gelopen en heeft daar het perron via een ijzeren open trap verlaten en daarbij de kinderwagen van het perron getild. Deze handelingen heeft ze volgens haar verklaring niet bewust verricht omdat ze deze ook had moeten verrichten als ze het station via perron 1 in de richting van de bussen had verlaten. Op enig moment is zij – aldus haar verklaring – tot besef gekomen dat ze zich op een zeer vreemde plaats bevond en is toen – in paniek – zo snel mogelijk haar dochter en zichzelf in veiligheid gaan brengen door met de kinderwagen over spoor 1 naar perron 1 te gaan en uit de spoorbak te klimmen. [getuige 1] heeft daarbij geholpen met de kinderwagen omhoog tillen.

Het hof is van oordeel dat verdachte gevaarlijk en onverantwoordelijk heeft gehandeld. Dit impliceert op zichzelf echter niet dat verdachte de bedoeling had zichzelf en/of haar dochter van het leven te beroven. Het hof oordeelt dat hetgeen door de getuigen is waargenomen omtrent het gedrag van verdachte en hetgeen overigens uit het dossier naar voren komt onvoldoende uitsluit dat de verklaring van verdachte juist is en dat verdachte inderdaad, zich plotseling realiserend dat ze zich op een zeer gevaarlijke plek bevond, zichzelf en haar dochter zo snel mogelijk in veiligheid heeft willen brengen door het spoor via de kortste weg te verlaten en daarbij de aankomende trein niet heeft waargenomen.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat het gedrag van verdachte ook naar uiterlijke verschijningsvorm niet dwingt tot de conclusie dat verdachte het opzet (ook in voorwaardelijke zin) had zichzelf met haar dochter te laten overrijden door een trein.

Een contra-indicatie tegen het veronderstellen van zulk opzet is dat de verdachte haar kind op het perron heeft gezet voordat de trein tot stilstand kwam. Dit laatste blijkt uit de verklaring van [getuige 1], die over perron 1 naar de plaats is gerend waar de verdachte in de spoorbak stond: “Toen ik op dezelfde hoogte was als de vrouw, terwijl zij op de rails stond en ik dus op het perron, riep ik tegen de vrouw: ‘Wat ben jij godverdomme aan het doen?’ Op dat moment was de trein ongeveer tien meter van de vrouw en het kind vandaan. De vrouw zette haar kinderwagen met haar kind erin op het perron. Ik hoorde dat de trein claxonneerde. Ondertussen was de trein, tot op een afstand van ongeveer drie meter van de plaats waar de vrouw op de rails stond, in eerste instantie met haar kind, tot stilstand gekomen.” (dossierpagina 23).

Nu het hof niet bewezen acht dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had haar kind te laten overrijden door een trein, wordt de verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van meer subsidiair ten laste gelegde (bedreiging van het kind) overweegt het hof dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging noodzakelijk is dat de bedreigde weet heeft van de bedreiging. De kern van het misdrijf bedreiging is immers het de ander vrees aanjagen. Dit laat zich niet goed voorstellen bij een baby van acht maanden oud. Hieruit vloeit tevens voort dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte het opzet had haar kind te bedreigen.

Derhalve zal de verdachte ook van deze tenlastelegging worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 17 juni 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.