Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA3332

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
12-00638
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is woonachtig in Nederland en krijgt een wettelijk pensioen uit Nederland en uit België. Op grond van Nikula-arrest dient het bedrag van de premies volksverzekeringen en de bijdrage zorgverzekeringswet beperkt te blijven tot het bedrag van het Nederlandse wettelijke pensioen. De Inspecteur is niet verplicht tot teruggave van de nominale premie die belanghebbende is verschuldigd aan de zorgverzekeraar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1749
PJ 2013/148
V-N 2013/48.13 met annotatie van Redactie
FutD 2013-1631
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00638

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda (hierna: de Rechtbank) van 16 augustus 2012, nummer AWB 11/4695 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest,

hierna: de Inspecteur,

inzake de hierna te vermelden aanslag en beschikking heffingsrente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.506 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.863, resulterend in een te betalen bedrag van € 2.067; hierna: de aanslag). Gelijktijdig met de aanslag is een beschikking heffingsrente vastgesteld tot een bedrag van € 98. Voorts is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 38.888.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak het bedrag van de aanslag verminderd met een bedrag van € 4.688 (excl. heffingsrente), bestaande uit € 3.088 aan premie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) en € 1.600 aan de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet. Voorts is daarbij de beschikking heffingsrente verminderd tot een te vergoeden bedrag van € 249.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd met het bedrag van de premie AWBZ, inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en premie Algemene Nabestaandenwet (hierna: Anw) tot een totaal bedrag van € 4.967, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, zich onbevoegd verklaard voor wat betreft de nominale premie voor de zorgverzekering, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 11 en de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze te vergoeden.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 115. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting zeven nadere stukken (voorzien van bijlagen) ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Daarnaast heeft belanghebbende een ordner aan het Hof gezonden. Bij brief van 16 april 2013 heeft het Hof de Inspecteur hiervan op de hoogte gesteld en hem medegedeeld dat deze ordner voor de Inspecteur ter inzage ligt op het Hof.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 22 april 2013 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende, geboren in 1941 met de Belgische nationaliteit, woont in het onderhavige jaar in Nederland. Belanghebbende heeft tot zijn pensioen in dienstbetrekking gewerkt bij een in België gevestigde werkgever.

2.2. Belanghebbende was in het onderhavige jaar in Nederland voor de ziektekosten verplicht verzekerd bij A. Daarnaast was belanghebbende vrijwillig aanvullend verzekerd voor medische kosten in België bij B (hospitalisatieverzekering).

2.3. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft belanghebbende op zijn verzoek met terugwerkende kracht tot 1 april 2007 ontheffing verleend van de verplichte verzekering ingevolge de Anw en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

2.4. In het onderhavige jaar ontving belanghebbende een bruto AOW-uitkering van € 350. Daarnaast ontving hij uit België van de Rijksdienst voor pensioenen een pensioen van bruto € 19.567 en een pensioen van C van bruto € 19.321. Belanghebbende heeft over 2008 een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ingediend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning komt, rekening houdend met een persoonsgebonden aftrek van € 3.732, uit op een bedrag van € 35.506. Daarnaast heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen aangegeven van € 7.863.

2.5. De Inspecteur heeft de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet over het onderhavige jaar overeenkomstig de aangiften vastgesteld. Daarbij is geen rekening gehouden met de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 18 juli 2006, C-50/05, zaak Nikula, Jurispr. 2006, I-07029 (hierna: het Nikula-arrest). Belanghebbende heeft tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt.

2.6. Bij de uitspraak op bezwaar van 11 mei 2011 heeft de Inspecteur een vermindering op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verleend van € 4.688 (exclusief heffingsrente), bestaande uit € 3.088 aan premie op grond van de AWBZ en € 1.600 aan de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet. De Inspecteur heeft daarbij de vermindering van de aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet verwerkt in de vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Bij uitspraak op bezwaar van 22 april 2011 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet ongegrond verklaard.

2.7. De onder 2.6 vermelde vermindering is als volgt berekend:

Geheven AWBZ-premie 3.838

Af: Heffingskorting 750

3.088

IAB Zvw (inhouding) 26

IAB Zvw (aanslag) 1.574

1.600

Nominale premie 1.200

Zorgtoeslag 0

1.200

Totaal ziektekostenpremie 5.888

NL wettelijk pensioen 350

Verschil 5.538

Te verlenen vermindering 4.688

2.8. De Rechtbank heeft - in navolging van het nadere standpunt van de Inspecteur - de premie Anw vastgesteld op nihil in verband met de ontheffing met terugwerkende kracht tot 1 april 2007 van de verplichte verzekering ingevolge de Anw en de AKW, die de Sociale Verzekeringsbank bij beschikkingen van 9 juli 2010 heeft verleend. Deze vermindering is vastgesteld op € 279.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag. Dient de aanslag verder te worden verminderd met een bedrag van € 850, bestaande uit de door belanghebbende betaalde nominale premie voor de zorgverzekering, verminderd met de bruto AOW-uitkering?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De Nederlandse overheid geeft onvoldoende gevolg aan het Nikula-arrest. De Nederlandse Staat is veroordeeld om alles aan mij terug te betalen en hoe zij dit voor elkaar krijgt, regardeert mij niet. Het gaat om het deel van de nominale premie dat ik aan A verschuldigd was. Over de periode vanaf 1 april 2011 heb ik alles teruggekregen van A. A heeft in reactie op mijn brief van 25 november 2010 geantwoord dat ik bij het College van Zorgverzekeraars moest zijn.

Ik heb de afgelopen jaren veel correspondentie moeten voeren met de Belastingdienst. De door mij overgelegde ordner geeft daarvan een goed beeld. Dat is ook de reden dat ik deze ordner heb overgelegd. Nu dit beeld bij uw Hof duidelijk is, heb ik geen behoefte om deze ordner tot de gedingstukken te laten behoren en neem deze terug.

De Inspecteur

De Belastingdienst is gereorganiseerd. Ik zal binnen een week een afschrift van de nieuwe mandatering opsturen.

De zorgverzekeraar is geen onderdeel van de Nederlandse Staat. Ik heb zelf geen contact gehad met A.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en - naar het Hof begrijpt - vermindering van de aanslag met een bedrag van € 5.817 (€ 5.538 + € 279). De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Overweging vooraf

4.1. De Inspecteur heeft uit praktische overweging de vermindering van de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet, die bij aanslag met aanslagnummer 000.00.000.W.86 is opgelegd, in de aanslag verwerkt. Hoewel een vermindering van de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in principe voor de hand ligt, ziet het Hof geen reden om zich hiertegen te verzetten, nu belanghebbende met de praktische benadering akkoord is gegaan. Het Hof zal de Inspecteur hierin volgen.

Ten aanzien van het geschil

4.2. Belanghebbende is inwoner van Nederland en op grond van artikel 13 van de Anw, artikel 6 van de AKW en artikel 5 van de AWBZ in Nederland verzekerd voor deze verzekeringen. Op grond van artikel 6 van de Wet financiering sociale verzekering is belanghebbende premieplichtig voor deze volksverzekeringen.

4.3. Belanghebbende geniet zowel wettelijk pensioen uit Nederland als uit België. Op grond van artikel 27 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 (hierna: de Verordening) is belanghebbende onderworpen aan de sociale verzekeringsbepalingen van Nederland. Op grond van artikel 33, eerste lid, van de Verordening is Nederland gemachtigd om bijdragen of premies te heffen volgens haar eigen wettelijke regels.

4.4. In het Nikula-arrest heeft het HvJ EU echter geoordeeld dat het bedrag van de bijdragen of premies niet hoger mag zijn dan het bedrag van de door de organen van de lidstaat van de woonplaats uitgekeerde pensioenen (punt 32).

4.5. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij Besluit van 26 januari 2010, nr. DGB2010/529M, Stcrt. 2010, 1525, aangegeven op welke wijze met het Nikula-arrest rekening dient te worden gehouden. In dit besluit is aangegeven dat het gezamenlijke bedrag van de premie AWBZ, de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet, de verschuldigde nominale premie aan de zorgverzekeraar verminderd met de toegekende zorgtoeslag, niet meer mag bedragen dan het bruto-bedrag van het uitbetaalde Nederlandse wettelijke pensioen.

4.6. In overeenstemming met dit besluit heeft de Inspecteur de vermindering voor belanghebbende berekend zoals weergegeven in 2.7. Daarmee heeft de Inspecteur de volledige premies en bijdragen voor de ziektekosten zoals deze zijn begrepen in de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet naar nihil teruggebracht. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aldus een juiste uitvoering heeft gegeven aan het Nikula-arrest.

4.7. Het Hof begrijpt belanghebbendes standpunt aldus dat hij van mening is dat de Inspecteur ook het verschil tussen de nominale premie die is betaald aan de zorgverzekeraar van € 1.200 en de bruto AOW-uitkering van € 350, zijnde € 850, dient terug te betalen door middel van een vermindering van de aanslag.

4.8. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de nominale premie geen onderdeel uitmaakt van de aanslag dan wel de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet. Deze nominale premie is belanghebbende verschuldigd aan de zorgverzekeraar, in casu A. Een geschil over de hoogte van deze premie dient belanghebbende voor te leggen aan de civiele rechter. De belastingrechter is niet bevoegd hierover te oordelen. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat zij onbevoegd is voor wat betreft de nominale premie voor de zorgverzekering.

4.9. Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Slotsom

4.10. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond, en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 7 juni 2013 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J.W.J. Huige en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.