Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA3091

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
11-00597
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:143, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 42 Wegenverkeerswet. Art 14a BPM. Het BKR (basiskentekenregister) is een basisregistratie en bevat zogenoemde authentieke gegevens, die verplicht moeten worden gebruikt door alle overheidsinstanties. De rijksbelastingdienst is dus verplicht het in het BKR opgenomen gegeven omtrent de datum van eerste toelating van de personenauto tot de openbare weg te gebruiken, ook als dit gegeven onjuist is. De rijksbelastingdienst kan zich alleen aan het verplichte gebruik onttrekken door aan de RDW te melden, dat het in het BKR opgenomen gegeven onjuist is. De wetgever heeft deze terugmeldplicht opgelegd om het BKR zuiver te houden. Nu de rijksbelastingdienst niet aan de RDW heeft gemeld dat het in het BKR opgenomen gegeven onjuist is, is de rijksbelastingdienst aan het onjuiste gegeven gebonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1748
V-N 2013/40.1.5
FutD 2013-1458
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00597

Uitspraak op het hoger beroep van

X B.V.,

gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de directeur van het onderdeel Belastingregio Belastingdienst/Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 juli 2011, nummer AWB 11/1660, in het geding tussen:

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen beschikking teruggaaf van belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij haar met dagtekening 1 juli 2010 ingediende verzoek (hierna: het verzoek) heeft belanghebbende verzocht om teruggaaf van belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) wegens export van een in Nederland geregistreerd motorrijtuig tot een bedrag van € 17.367. Bij beschikking met nummer 0000.000.00.00000 van 24 augustus 2010 (hierna: de beschikking) heeft de Inspecteur aan belanghebbende teruggaaf van BPM verleend tot een bedrag van € 8.001. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur eerst bij uitspraak op bezwaar van 4 januari 2011 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar afgewezen en vervolgens bij uitspraak op bezwaar van 23 februari 2011 het bezwaar en het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar afgewezen.

1.2. Belanghebbende is van deze laatste uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 302. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de beschikking gehandhaafd en vergoeding van proceskosten en griffierecht gelast.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 454. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 10 februari 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord bestuurder van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8. Van het onderzoek ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Het motorrijtuig van het merk B, het type C en met het identificatienummer ------- (hierna: de personenauto) is op 23 juni 2005 in Duitsland voor het eerst toegelaten tot de openbare weg. Volgens het Duitse kentekenbewijs van 11 juli 2008 is de personenauto voor het eerst toegelaten op de openbare weg op 23 juni 2005 en droeg de personenauto een Duits kenteken: XX-000X. De personenauto is begin juli 2009 door een particulier in Nederland ingevoerd. Deze particulier heeft op 9 juli 2009 aangifte gedaan voor de BPM. In deze aangifte is als datum eerste toelating tot de openbare weg vermeld: 23 juni 2005. In een, bij deze aangifte overgelegd, taxatierapport van A B.V. van 8 juli 2009 is als datum eerste toelating tot de openbare weg vermeld: 23 juni 2005. De door de vorenbedoelde particulier ten tijde van de registratie betaalde BPM bedroeg € 9.984. Na deze betaling is de personenauto op 17 juli 2009 door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) aangehouden register van opgegeven kentekens (hierna: het kentekenregister) ingeschreven met kenteken 00-XXX-0 (hierna: de kentekenregistratie)

2.2. Vanwege de kentekenregistratie heeft de rijksbelastingdienst de BPM die verschuldigd zou zijn als de auto op 23 juni 2005 nieuw en ongebruikt in Nederland zou zijn geregistreerd (hierna: bruto-BPM) voor de personenauto berekend op een bedrag van € 26.447. Op het ter zake van de kentekenregistratie verstrekte Nederlandse kentekenbewijs (hierna: het kentekenbewijs) staat vermeld als datum van eerste toelating van de personenauto 9 juli 2009 en als bruto-BPM voornoemd door de rijksbelastingdienst berekende bedrag van € 26.447.

2.3. In een later stadium heeft belanghebbende de personenauto bij een inruiltransactie verworven en is het kenteken op haar naam gesteld. Op 1 juli 2010 heeft belanghebbende deze tenaamstelling in het kentekenregister beëindigd wegens uitvoer van de personenauto uit Nederland en registratie in een andere lidstaat; zijnde Frankrijk (hierna: de uitvoertransactie). In Frankrijk is de personenauto in het Franse kentekenregister opgenomen met als datum eerste toelating tot de openbare weg: 9 juli 2009. Naar aanleiding van deze registratie is geen melding binnengekomen bij Eucaris, een internationaal registratiesysteem. Vanwege de uitvoertransactie heeft belanghebbende ingevolge artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) verzocht om teruggaaf van, de zogenoemde, rest-BPM.

2.4. Belanghebbende heeft voor deze teruggaaf het verzoek ingediend onder vermelding van een datum van eerste toelating (eerste ingebruikname) van 9 juli 2009 en een per saldo betaald bedrag aan BPM (berekend naar een datum van eerste registratie in Nederland van 17 juli 2009) van € 25.124. Ter bepaling van de teruggaaf heeft belanghebbende op dit, door haar berekende, per saldo betaald bedrag aan BPM een bedrag wegens afschrijving van € 7.757 in mindering gebracht en het bedrag van de teruggaaf berekend op € 17.367. Voor de indiening van het verzoek heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de gegevens vermeld in het kentekenregister, zoals ook opgenomen op het kentekenbewijs, en van de door haar geraadpleegde Autotelex Pro met RDW-gegevens.

2.5. De Inspecteur is bij de beschikking afgeweken van het verzoek door een datum van eerste toelating te hanteren van 23 juni 2005 en van die datum uit te gaan bij de bepaling van de afschrijvingsduur, alsmede van de op het kentekenbewijs vermelde bruto-BPM ten bedrage van € 26.447, hetgeen resulteert in een teruggaaf BPM van € 8.001. In dit verband heeft de Inspecteur naar voren gebracht dat uit door hem verricht onderzoek is gebleken dat in verband met de door de RDW verrichte kentekenregistratie een keuringsrapport is opgemaakt waarin als datum van eerste toelating 23 juni 2005 is vermeld en dat bij de kentekenregistratie de rijksbelastingdienst een bedrag van € 9.984 aan BPM heeft geheven.

2.6. Belanghebbende heeft bij per fax aan het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst (hierna: Belastingdienst/Limburg) verzonden brief van 20 september 2010, die volgens het overgelegde faxrapport op die dag succesvol is verzonden, bezwaar gemaakt tegen de beschikking en, nadat belanghebbende bij brief van 26 oktober 2010 bij de Belastingdienst/Limburg uitstel had verzocht voor de indiening van de gronden van het bezwaar, deze gronden bij de Inspecteur ingediend bij brief van 31 oktober 2010. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 januari 2011 de brief van 26 oktober 2010 aangemerkt als het bezwaarschrift, belanghebbende wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk in haar bezwaar verklaard, ambtshalve de teruggaaf gehandhaafd en het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar afgewezen.

2.7. Bij brief van 6 januari 2011 heeft belanghebbende de Inspecteur medegedeeld, dat zij bij haar brief van 20 september 2010 bezwaar heeft gemaakt, dat haar niet tegengeworpen kan worden dat de Belastingdienst/Limburg deze brief ten onrechte niet voor behandeling aan hem heeft doorgezonden en verzoekt zij, onder overlegging van een afschrift van genoemde brief en het onder 2.6 vermelde faxrapport, om het standpunt van de Inspecteur. In reactie hierop heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 4 februari 2011 medegedeeld dat tijdig bezwaar is gemaakt, dat de uitspraak op bezwaar van 4 januari 2011 als ingetrokken dient te worden beschouwd en dat een nieuwe uitspraak op bezwaar zal worden gedaan.

2.8. Vervolgens heeft de Inspecteur aan belanghebbende een geschrift van 23 februari 2011 verzonden met als aanhef 'Uitspraak bezwaarschrift BPM' (hierna, ook wel aangeduid als: tweede 'uitspraak op bezwaar'). In het geschrift van 23 februari 2011 verklaart de Inspecteur belanghebbende ontvankelijk in haar bezwaar, geeft hij een beoordeling van het bezwaar, die resulteert in een afwijzing van het bezwaar en wijst hij het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar af. Voorts wordt gewezen op de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen de beslissing van de Inspecteur en is in een bijlage 'In beroep gaan' een uitgebreide rechtsmiddelverwijzing opgenomen.

2.9. Belanghebbende heeft bij brief van 16 maart 2011 beroep ingesteld bij de Rechtbank onder bijvoeging van de beslissing vastgelegd in het geschrift van 23 februari 2011.

Relevante regelgeving en wetsgeschiedenis

2.10. Het kentekenregister is een basisregistratie (artikel 42, lid 1, van de WVW 1994).

2.11. In Kamerstukken II, 2002-2003, 26 387, nr. 18 (Brief van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de staatssecretaris van economische zaken, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 3 maart 2003) is het, voor zover te dezen van belang, volgende vermeld:

'[Hof: blz. 1]

Hierbij informeer ik u over de afronding van het programma Stroomlijning Basisgegevens, dat de afgelopen jaren één van de pijlers vormde van het overheidsinformatiebeleid (actieprogramma Elektronische Overheid, Kamerstukken II, 1998-1999, 26 387, nr. 1). Stroomlijning Basisgegevens is begin 2000 van start gegaan met een voorziene looptijd tot 1 januari 2003. Conform plan is in die periode een belangrijke impuls gegeven aan het op orde brengen van de gegevenshuishouding van de overheid middels de totstandkoming van een stelsel van zogenaamde authentieke gegevensregistraties.

(...)

[Hof: blz. 2]

Uitgangspunt voor het programma vormde de constatering dat bij nagenoeg alle vraagstukken waarvoor de overheid zich gesteld ziet, het kunnen beschikken over adequate gegevens een cruciale rol vervult:

(...)

[Hof: blz. 2]

Zogenaamde authentieke registraties voorzien daarin.

(...)

[Hof: blz. 2]

Deze eenmalige gegevensverzameling resulteert in zogenaamde authentieke registraties, die overheidsbreed fungeren als unieke bron van gegevens, zoals de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens en de Kadastrale Registratie nu al in hoge mate fungeren als unieke bron van persoons- en onroerende zakengegevens. Doel van het programma Stroomlijning Basisgegevens was het geven van een onomkeerbare impuls aan de totstandkoming van authentieke registraties binnen de overheid. Centraal daarbij stonden de zogenaamde basisgegevens, die kunnen worden beschouwd als de spil van de gegevenshuishouding van de overheid, t.w. personen, bedrijven, gebouwen, onroerende zaken, geografische basiskaarten en adressen. Als zodanig is het programma Stroomlijning Basisgegevens per 1 januari 2003 met succes afgerond.

(...)

[Hof: blz. 3]

- overige gegevensregistraties: als beschreven in bijgevoegde bijlage (1) en overigens conform de in het Besluit Informatievoorziening Rijksdienst vastgelegde coördinerende taakverdeling.

(...)

[Hof: blz. 10]

Ontwikkelingen binnen het V&W-domein

De kentekenregistratie die door de RDW wordt gevoerd, fungeert in de praktijk reeds in hoge mate als een authentieke registratie. Het basiskentekenregister (BKR) is binnen de overheid de gezaghebbende bron waar het gegevens betreft omtrent het kenteken, het voertuig en de persoonsgegevens van de houder van het voertuig. Ook juridisch is het BKR op belangrijke punten al geregeld als ware het een authentieke registratie. Het vervolgtraject is het wettelijk verankeren van het BKR als een authentieke registratie zoals in het programma Stroomlijning Basisgegevens bedoeld.

(...)

[Hof: blz. 12]

Definitie van het begrip Authentieke Registratie en overzicht van daaraan gestelde eisen

Een authentieke registratie is gedefinieerd als "een kwalitatief hoogwaardig en met expliciete garanties voor de borging van die kwaliteit omkleed bestand van, gezien het geheel van wettelijke taken, vitale en/of veelvuldig en om uiteenlopende redenen benodigde gegevens over personen, instellingen, zaken, verrichtingen of gebeurtenissen, dat bij wet als de enig officieel erkende registratie voor de betreffende gegevens is aangemerkt en dat in het gehele land verplicht wordt gebruikt door alle overheidsinstanties, alsook zo mogelijk door private organisaties, tenzij het gebruik om zwaarwegende redenen zoals privacybescherming expliciet is uitgesloten" (Kamerstukken II, 2001-2002, 26 387, nr. 11).

(...)

1.3 De authentieke registratie wordt verplicht gebruikt door de hele overheid

De authentieke registratie wordt verplicht gebruikt door de hele overheid en de als authentiek aangewezen gegevens kunnen in de werkprocessen zonder nader onderzoek gebruikt worden. Om het effect te bereiken dat (a) burgers en bedrijven nog slechts eenmaal gegevens hoeven aan te leveren, (b) de kwaliteit van de registratie inderdaad "hors categorie" is en (c) de uitwisseling van gegevens tussen overheden gestroomlijnd wordt, is het gebruik van authentieke registraties - indien beschikbaar - verplicht voor alle publieke en private instanties die uitvoering geven aan publieke taken. Het is derhalve niet toegestaan gegevens die reeds binnen een authentieke registratie aanwezig zijn, opnieuw te verzamelen. Daarop zijn geen uitzonderingen, tenzij om zwaarwegende redenen als privacybescherming. Dit betekent eveneens dat een afnemer de aangewezen gegevens uit de authentieke registratie zonder nader onderzoek kan gebruiken in zijn werkproces. Wanneer een burger constateert dat zijn gegevens onjuist zijn opgenomen (en hem b.v. om die reden een bepaalde voorziening wordt ontzegd), dan moet deze naar de authentieke registratie om het betreffende gegeven te laten wijzigen.'.

2.12. Het op pagina 10 van de onder 2.11 vermelde brief van 3 maart 2003 wettelijk verankeren van het BKR als een authentieke registratie is geregeld in de wet 'Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het aanmerken van het kentekenregister als basisregistratie alsmede in verband met de herziening van de gegevensverstrekking uit het kentekenregister en enkele andere wijzigingen'; wet van 13 maart 2008, Stb. 2008, 99.

2.13. In deze wet worden, naast de wijziging van de artikelen 2 (strekking basisregistratie), 4b (fietsenregister) en 4q (aanpassen terminologie), de artikelen 42 tot en met 45 vervangen door de artikelen 41a tot en met 45a in verband met het kentekenregister als basisregistratie.

2.14. In artikel 2, lid 3, onderdeel c, van de WVW 1994, is expliciet opgenomen dat de regels van deze wet ook strekken tot het gebruik en de waarborging van de juistheid van de registers die ingevolge deze wet worden bijgehouden; zie MvT, Tweede Kamer, 2007-2008, 31 219, nr. 3, blz. 26.

2.15. In artikel 41a, lid 1, van de WVW 1994 zijn enige begrippen omschreven. In onderdeel b is beschreven dat onder basisregistratie wordt verstaan een verzameling gegevens waarvan bij wet is bepaald dat deze authentieke gegevens bevat en in onderdeel c dat een authentiek gegeven een in een basisregistratie opgenomen gegeven dat bij of krachtens wet als authentiek is aangemerkt.

2.16. In artikel 42, lid 1, van de WVW 1994 is de verankering van het kentekenregister als een basisregistratie geregeld. In het derde lid van dat artikel 42 is opgenomen dat in het kentekenregister worden verwerkt gegevens omtrent motorrijtuigen waarvoor een kenteken is opgegeven en de tenaamstelling van die kentekens. Het vierde lid van dat artikel 42 betreft de doeleinden voor de vastlegging van deze gegevens: (waaronder, onderdeel b) voor een goede uitvoering van het bepaalde bij of krachtens, onder andere, de Wet BPM.

2.17. In artikel 42a, lid 1, van de WVW 1994 zijn de gegevens in het kentekenregister onderverdeeld naar authentieke en niet-authentieke en gevoelige en niet-gevoelige gegevens. In het tweede lid worden als authentieke gegevens aangemerkt de gegevens die verplicht op het kentekenbewijs zijn opgenomen, dan wel op grond van een wettelijke bepaling als authentiek zijn aangemerkt.

2.18. Uit de Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, Publicatieblad Nr. L 138 van 01/06/1999

blz. 0057 - 0065 (hierna: de Richtlijn) volgt uit bijlage II, onderdeel V, onder (B) dat op het kentekenbewijs de datum van eerste inschrijving van het voertuig moet worden vermeld (vergelijk bijlage I, onderdeel V, onder (B)). Uit het bepaalde in artikel 42a, lid 2, aanhef, onderdeel a van de WVW 1994 volgt dat de datum van eerste inschrijving van het voertuig een authentiek gegeven is.

2.19. Artikel 43 van de WVW 1994 vormt de basis voor de verstrekking van gegevens uit het kentekenregister. In artikel 43, lid 1, van de WVW 1994 is de verstrekking van gegevens aan overheidsorganen opgenomen. In de MvT is hierover vermeld:

'Het gaat daarbij om alle gegevens die in het kentekenregister zijn opgenomen, dus zowel authentieke en niet-authentieke, als gevoelige en niet-gevoelige gegevens. Wel is het uiteraard zo dat de authentieke gegevens in dit kader een bijzondere positie innemen, gezien het feit dat overheidsorganen gehouden zijn deze gegevens uit het kentekenregister te betrekken.'

MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 219, nr. 3, blz. 28.

2.20. In genoemde MvT is bij artikel 43b van de WVW 1994 vermeld:

'In het stelsel van basisregistraties is een van de leidende beginselen het verplichte gebruik door overheidsorganen van de in de basisregistraties opgenomen gegevens. Het eerste lid van het onderhavige artikel regelt dit verplichte gebruik van de gegevens in het kentekenregister. (...) Het tweede lid bevat de uitzonderingen die gelden ten aanzien van verplicht gebruik, namelijk ingeval het overheidsorgaan een melding doet als bedoeld in artikel 43c, eerste lid of ingeval het betrokken gegeven reeds in onderzoek is geplaatst ingevolge artikel 43c, derde lid. (...) Tot slot geldt het verplicht gebruik niet indien een goede vervulling van de publieke taak wordt belet door onverkorte toepassing van het eerste lid. Hierbij kan men denken aan aanslagen die door de Belastingdienst worden opgelegd daarbij bewust niet gebruikmakend van de in het kentekenregister opgenomen authentieke gegevens. Hierbij kan het gaan om in het kentekenregister opgenomen gegevens die onjuist zijn opgegeven door geregistreerden, zoals het gegeven dat de auto op benzine rijdt, terwijl de Belastingdienst onderbouwde vermoedens heeft dat het om rijden op gas of diesel gaat. (...)'

MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 219, nr. 3, blz. 29.

2.21. In genoemde MvT bij artikel 43c van de WVW 1994 opgenomen:

'Dit artikel betreft de <terugmelding> die een overheidsorgaan aan de leverancier van de gegevens, i.c. de RDW, moet doen indien dit orgaan gerede twijfel heeft over de juistheid van een verstrekt authentiek gegeven (eerste lid). (...) Indien de melding betrekking heeft op een authentiek gegeven dat op grond van de WVW 1994 als authentiek is aangewezen, dan plaatst de RDW in het register een aantekening bij het betrokken gegeven, dat dit in onderzoek is. De betrokken afnemer wordt hiervan op de hoogte gesteld. Hiermee wordt het verplicht gebruik opgeheven (zie artikel 43b, tweede lid, onderdeel a). (...) Wijziging van een authentiek gegeven naar aanleiding van een melding wordt onverwijld aan de betrokkene medegedeeld. (...)

De aantekening dat een gegeven in onderzoek is wordt pas verwijderd nadat het besluit tot al dan niet wijzigen van het gegeven onherroepelijk is geworden. (...) Overigens kan de RDW de inhoud van enkele authentieke gegevens niet zelf bepalen of eenzijdig wijzigen. (...) Een vergelijkbare situatie doet zich voor bij gegevens als het BPM-bedrag (...). Voor de inhoud van deze gegevens is de Belastingdienst verantwoordelijk.'

MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 219, nr. 3, blz. 30.

En voorts:

'Aangezien de bovengenoemde terugmeldplicht een beperkt karakter heeft in die zin dat zij alleen betrekking heeft op authentieke gegevens ten aanzien waarvan twijfels bestaan over de juistheid daarvan, is er voor gekozen om de hierboven vermelde voorziening zoals opgenomen in het huidige artikel 43, derde lid, van de WVW 1994, in aanvulling op de eigenlijke terugmeldplicht te handhaven (het voorgestelde artikel 43f). Reden daarvoor is dat het van belang wordt geacht dat instanties als de politie, justitie en de Belastingdienst ook in andere gevallen mededeling doen aan het kentekenregister van relevante feiten. Dit is van groot belang voor de zuiverheid van het register.'

MvT, Tweede Kamer, jaar 2007-2008, 31 219, nr. 3, blz. 5.

2.22. In de genoemde MvT is verder opgenomen:

'Al met al zijn de in het kentekenregister opgenomen gegevens van een zodanige kwaliteit dat het register de basis kan vormen voor de uitvoering en handhaving van de aan de registratie verbonden wettelijke verplichtingen zoals de belastingplicht de (...) MRB en de (...) BPM (...), (...) WAM en de APK-plicht.'

MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 219, nr. 3, blz. 6.

2.23. In de MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 219, nr. 3, blz. 8, is de eventuele aansprakelijkheid betreffende de gegevensverstrekking uit het register beschreven.

De RDW heeft een zekere verantwoordelijkheid voor de gegevensverstrekking als beheerder van en verwerker in het register. Die verantwoordelijkheid kan op een bepaald moment worden vertaald in een vorm van aansprakelijkheid en eventueel schadeplichtigheid uit onzorgvuldig handelen in het algemeen. Indien de RDW onzorgvuldig handelt (...), en door dit handelen een persoon schade lijdt, is de RDW mogelijk schadeplichtig.

2.24. De wet van 13 maart 2008, 31 219, met uitzondering van artikel 43b van die wet, is bij Besluit van 19 juni 2008 in werking getreden met ingang van 1 juli 2008, Stb 2008, nr. 235. Bij Besluit van 8 juni 2009 is artikel 43b van die wet, 31 219, per 1 januari 2010 in werking getreden, Stb. 2009, nr. 258.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de Inspecteur bij de berekening van de teruggaaf BPM gebonden aan de in het

BKR opgenomen gegeven dat de datum van de eerste toelating van de personenauto

tot de openbare weg 9 juli 2009 is?

II. Zo vraag I ontkennend moet worden beantwoord: Kan belanghebbende voor de

berekening van deze teruggaaf het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen aan

het in het BKR opgenomen gegeven dat de datum van de eerste toelating van de

personenauto tot de openbare weg 9 juli 2009 is?

III. Indien vragen I en II ontkennend moeten worden beantwoord: Heeft de Rechtbank

dan toch terecht aan belanghebbende een vergoeding van de kosten van het bij de

Rechtbank ingestelde beroep wegens de vernietiging van de uitspraak op bezwaar

toegekend?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot verlening van een teruggaaf van € 17.367. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, ongegrondverklaring van het beroep en geen veroordeling tot vergoeding van kosten van het beroep.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1. De Rechtbank heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid van het door belanghebbende ingestelde beroep en het door haar gemaakte bezwaar als volgt overwogen (hierin wordt de Inspecteur aangeduid als de inspecteur en de Rechtbank als de rechtbank):

'Ambtshalve: de ontvankelijkheid van het beroepschrift

(...)

2.2. De inspecteur heeft zowel op 4 januari 2011 als op 23 februari 2011 uitspraak gedaan op het bezwaar van belanghebbende. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet bevoegd is een uitspraak op bezwaar te laten vervallen en vervolgens wederom uitspraak op bezwaar te doen. Het doen van een tweede uitspraak op bezwaar ontbeert een wettelijke grondslag en kan niet anders worden opgevat dan als een ambtshalve genomen besluit waartegen geen bezwaar en beroep mogelijk is. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep laat de rechtbank deze tweede 'uitspraak op bezwaar' dan ook buiten beschouwing.

2.3. Belanghebbende heeft met dagtekening 6 januari 2011 gereageerd op de uitspraak op bezwaar van 4 januari 2011. De rechtbank merkt deze schriftelijke reactie aan als een beroepschrift. Uit deze brief blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat belanghebbende zich niet konden vinden in de uitspraak op bezwaar van 4 januari 2011 (hierna: de uitspraak op bezwaar). Nu de brief van 6 januari 2011 is verzonden binnen 6 weken na de uitspraak op bezwaar is het beroep tijdig ingediend en ontvankelijk.

De ontvankelijkheid van het bezwaarschrift

2.4. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vangt op grond van artikel 22j van de AWR aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de aanslag dan wel beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking. In een dergelijk geval vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag waarop de aanslag is bekendgemaakt. De onderhavige beschikking is gedagtekend 24 augustus 2010. Aangezien bij de rechtbank geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken betreffende een latere bekendmaking van de aanslag, gaat de rechtbank ervan uit, dat de bezwaartermijn is aangevangen met ingang van 24 [Hof: lees 25] augustus 2010.

2.5. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken, de bezwaartermijn eindigt derhalve op 5 oktober 2010. Tot de stukken van het geding behoort een afschrift van een fax die is gericht aan de inspecteur waarin belanghebbende bezwaar aantekent tegen de beschikking. Deze fax is gedagtekend 20 september 2010 en blijkens het overgelegde faxrapport op die dag succesvol verzonden. Gelet op het voormelde heeft belanghebbende tijdig bezwaar aangetekend en is haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is in zoverre reeds gegrond.'

4.2. Partijen hebben in hoger beroep geen stellingen aangevoerd ter bestrijding van deze oordelen, noch ter onderbouwing dat deze oordelen heroverweging behoeven. Het is het Hof verder niet gebleken dat deze oordelen op onjuiste feiten en omstandigheden zijn gebaseerd. Het Hof sluit zich aan bij de conclusies van de Rechtbank dat het bezwaar en het beroep tijdig zijn ingesteld en ontvankelijk, en maakt die tot de zijne.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie kan niet tweemaal uitspraak op bezwaar kan worden gedaan (zie Hoge Raad 20 januari 2012, nr. 10/02678, LJN: BT1516). De tweede uitspraak op bezwaar van 23 februari 2011 - waardoor belanghebbende op het verkeerde been is gezet, omdat zij eerst naar aanleiding van die uitspraak zich tot de Rechtbank heeft gewend - is dan ook ten onrechte gedaan. Het Hof zal, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, deze vernietigen.

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.4. Belanghebbende heeft in de onder 1.6 vermelde pleitnota haar stellingen aldus gepreciseerd dat ingevolge artikel 43b van de WVW 1994 de Inspecteur bij de vervulling van zijn publieke taak, in de onderhavige situatie betreffende het geven van een beschikking teruggaaf BPM, behoudens de uitzonderingen van artikel 43b, lid 2, van de WVW 1994, dient uit te gaan van de in het BKR opgenomen gegevens. Dit betekent dat bij het geven van de beschikking moet worden uitgegaan van een eerste toelating van 9 juli 2009. Hieraan voegt belanghebbende toe, dat de Inspecteur heeft nagelaten de gegevens waarover hij bij het geven van de beschikking twijfel uit, in een eerder stadium te melden aan de bevoegde instantie, zijnde de RDW. Naar de mening van belanghebbende had de Inspecteur van de onjuiste datum van eerste toelating in het BKR kennis kunnen nemen bij de heffing van BPM in juli 2009, immers op dat moment is het kenteken al afgegeven en had de Inspecteur de onjuiste datering van 9 juli 2009 moeten melden aan de RDW. Belanghebbende stelt geen kennis te kunnen hebben gehad van de daadwerkelijk ten tijde van invoer betaalde BPM van € 9.984, zich voor de teruggaaf op de gegevens van het BKR te mogen en kunnen beroepen en meent niet verplicht te zijn voor de juistheid van die gegevens - telefonisch - navraag te doen bij de Inspecteur. Belanghebbende heeft met de gegevens uit het BKR de teruggaaf BPM vanwege de uitvoertransactie berekend op een bedrag van € 17.367 en bestrijdt dat eventuele in de onderhavige situatie optredende omissies op haar zijn af te wentelen.

4.5. Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat de personenauto een lage kilometerstand, passend bij een motorrijtuig van een jaar oud, had, dat bij een motorrijtuig van het merk B het bouwjaar niet uit het identificatienummer is af te leiden, dat in het modeltype B C geen verandering was doorgevoerd, dat uit het herrekende bruto BPM-bedrag niet onomstotelijk valt op te maken dat de personenauto voor een fors lager bedrag is ingevoerd dan volgens de geldende prijslijst, dat de personenauto is doorverkocht aan een professionele handelaar in Frankrijk en dat de personenauto in het Franse kentekenregister ook is ingeschreven met een datum van eerste toelating van 9 juli 2009 en dat in het internationaal registratiesysteem Eucaris, waarin dergelijke data worden opgenomen vanwege fraude-preventie, geen melding is gekomen bij het opnemen in het Franse kentekenregister. Voorts heeft belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting verklaard dat (de betreffende verkoper namens) belanghebbende in verband met de uitvoertransactie telefonisch contact heeft opgenomen met de Inspecteur, waarbij alleen het bedrag aan bruto-BPM door de Inspecteur is doorgegeven en het netto-bedrag (zijnde de bij invoer betaalde BPM ad € 9.984) niet is doorgegeven.

4.6. De Inspecteur bestrijdt dat hij in de onderhavige situatie gebonden is aan in het BKR opgenomen gegevens, omdat de onjuiste registratie niet door of namens de Inspecteur heeft plaatsgevonden. Voorts betoogt de Inspecteur dat belanghebbende, in de persoon van haar bestuurder, als ervaren handelaar in gebruikte auto's het verschil in ouderdom van een auto van één jaar of van vijf jaar ziet, dan wel degelijk dient te zien, alsmede dat bij de onderhavige deskundigheid belanghebbende zich niet vergist in zo'n leeftijdsverschil als gevolg van een onjuiste vastlegging in het BKR. De Inspecteur erkent het belang van het recht op teruggaaf van de rest-BPM, dat is immers van directe invloed op de hoogte van de te bedingen verkoopprijs bij een uitvoertransactie. In het verzoek om teruggaaf van rest-BPM is, aldus de Inspecteur, zelfs expliciet opgenomen dat in situaties als de onderhavige telefonisch bij de rijksbelastingdienst naar bepaalde bedragen kan worden geïnformeerd, hetgeen dagelijks meerdere keren gebeurt, aldus de Inspecteur. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de Inspecteur verklaard, dat het bedrag aan netto-BPM in zijn systeem te zien is en dat het in de regel wordt doorgegeven.

4.7. Het Hof overweegt als volgt.

4.8. Het Hof stelt voorop dat bij de heffing van BPM de registratie in het BKR, alsmede het afgeven van kentekenbewijzen, een belangrijke functie vervult, zie artikel 2 van de Wet BPM. In artikel 1, lid 2, van de Wet BPM is de belasting verschuldigd ter zake van de registratie van een motorrijtuig in het BKR. Ingevolge artikel 14a, lid 1, van de Wet BPM kan teruggaaf van belasting worden verleend indien de tenaamstelling van het kenteken van een motorrijtuig in het BKR wordt beëindigd.

4.9. Het BKR is per 1 juli 2008, zie onder 2.12 en 2.24, een basisregistratie. Dit betekent, zoals onder 2.11 is vermeld, dat het BKR als de enig officieel erkende registratie voor de betreffende gegevens is aangemerkt en in het gehele land verplicht wordt gebruikt door alle overheidsinstanties. Vaststaat dat de op het kentekenbewijs (en in het BKR) vermelde datum van eerste toelating van 9 juli 2009 een authentiek gegeven is, zie onder 2.18.

4.10. Voorts is een van de doeleinden voor de vastlegging van de authentieke gegevens, zie onder 2.16, een goede uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Wet BPM en zijn overheidsorganen, waaronder de rijksbelastingdienst, gehouden de authentieke gegevens uit het kentekenregister te betrekken, zie onder 2.19 en 2.20.

4.11. Tevens geldt dat een overheidsorgaan, zoals de rijksbelastingdienst, aan de leverancier van de gegevens, i.c. de RDW, een terugmelding moet doen indien dit orgaan gerede twijfel heeft over de juistheid van een verstrekt authentiek gegeven en dat dit overheidsorgaan door de terugmelding het verplichte gebruik van het gegeven kan opheffen, zie onder 2.21.

4.12. Gelet op hetgeen hierboven onder 4.8 tot en met 4.11 is overwogen is het Hof van oordeel, dat de Inspecteur voor de teruggaaf van BPM in het onderhavige geval gebonden is aan de op het kentekenbewijs (en in het BKR) vermelde datum van eerste toelating van 9 juli 2009. Deze datum is een authentiek gegeven, dat door de Inspecteur verplicht moet worden gebruikt (artikel 43b, lid 1, van de WVW 1994). Dit verplichte gebruik doet zich niet voor als aan de RDW - op voorgeschreven wijze (artikel 8 van het Kentekenreglement) - wordt teruggemeld dat het geregistreerde authentieke gegeven onjuist is. Nu belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat de Inspecteur nagelaten heeft aan de RDW te melden dat de datum van eerste toelating van 9 juli 2009 onjuist is, is de Inspecteur hieraan gebonden.

4.13. Anders dan de Inspecteur stelt kan belanghebbende niet worden tegengeworpen dat belanghebbende telefonisch contact had moeten opnemen met de Inspecteur. Het BKR is door de wetgever bestempeld tot een basisregistratie, waarvan iedere belastingplichtige mag aannemen dat die basisregistratie juist en zuiver is en bindend voor de rijksbelastingdienst.

4.14. Het Hof is voorts van oordeel dat een goede vervulling van de publieke taak van de rijksbelastingdienst door het onverkorte verplichte gebruik van de in het BKR geregistreerde (onjuiste) datum van eerste toelating van 9 juli 2009 niet wordt belet (artikel 43b, lid 2, aanhef, onderdeel d van de WVW 1994). De wetgever heeft de basisregistratie in het leven geroepen als registratie die dient te gelden voor de gehele overheid en de wetgever heeft voor de juistheid en de zuiverheid voor (andere) overheidsorganen de verplichting in het leven geroepen om onjuistheden terug te melden aan het registrerende overheidsorgaan. Tot de publieke taak van de rijksbelastingdienst behoort dan ook de taak om onjuiste registraties van authentieke gegevens in het BKR aan de RDW te melden, zodat indien de rijksbelastingdienst deze terugmelding achterwege laat deze dienst de mogelijkheid verspeelt zich te beroepen op een goede vervulling van de publieke taak om af te wijken van het in het BKR geregistreerde (onjuiste) gegeven (zie onder 2.20).

4.15. Hetgeen in de wetsgeschiedenis is vermeld, zie laatste volzin onder 2.20, doet aan het overwogene onder 4.14 niet af. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat in het BKR een onjuiste registratie heeft plaatsgevonden van de datum van eerste toelating (9 juli 2009) door een fout van de RDW. Op het Duitse kentekenbewijs van 11 juli 2008 stond de juiste datum van eerste toelating vermeld, namelijk 23 juni 2005. Het is aannemelijk dat voor de afgifte van het Nederlandse kentekenbewijs dit Duitse kentekenbewijs door de persoon die toentertijd in juli 2009 de personenauto in het BKR heeft laten registreren (hierna: de geregistreerde) aan de RDW is afgegeven, omdat in artikel 5, lid 2 van de Richtlijn en artikel 25b van het Kentekenreglement is bepaald dat bij invoer in Nederland alleen een kentekenbewijs wordt afgegeven als het buitenlands kentekenbewijs wordt ingeleverd. De in de wetsgeschiedenis vermelde mogelijkheid dat de rijksbelastingdienst niet gehouden is om het in het BKR opgenomen authentieke (onjuiste) gegeven te gebruiken, als de geregistreerde onjuiste gegevens heeft verstrekt, doet zich hier dan ook niet voor. Overigens daargelaten de vraag of die, onder 2.20 vermelde, in de wetsgeschiedenis voor de rijksbelastingdienst genoemde inbreuk op het systeem van basisregistraties, kort geschreven: geen verplicht gebruik van onjuist gegeven ook als niet wordt teruggemeld, niet in de wet zelf had moeten worden opgenomen.

4.16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het gelijk met betrekking tot het antwoord op vraag I aan de zijde van belanghebbende. Vraag I dient bevestigend te worden beantwoord. In dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de teruggaaf BPM berekend moet worden op een bedrag van € 17.367. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.

Vraag II

4.17. Gelet op de beantwoording van vraag I behoeft vraag II geen beantwoording meer.

Vraag III

4.18. Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag I behoeft vraag III evenmin beantwoording meer. Ten overvloede overweegt het Hof evenwel als volgt.

4.19. De Inspecteur is van mening dat de Rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld in de vergoeding van de proceskosten van belanghebbende en voert daartoe het volgende aan. De Rechtbank heeft miskend dat de veroordeling moet betreffen een vergoeding van kosten die een partij heeft moeten maken om in rechte haar gelijk te krijgen of te behouden, aldus de Inspecteur. In de onderhavige procedure is daarvan geen sprake, nu belanghebbende wat betreft het materiële geschilpunt door de Rechtbank niet in het gelijk is gesteld. Het formele geschilpunt, de ontvankelijkheid van het bezwaar, was immers tussen partijen reeds voor het indienen van het beroep bij de Rechtbank door belanghebbende, naar het Hof begrijpt bij het doen van de tweede uitspraak op bezwaar, niet meer in geschil, aldus de Inspecteur. Belanghebbende bestrijdt dat haar ten onrechte een proceskostenvergoeding is verleend. Tussen partijen is de berekeningswijze van de proceskosten niet in geschil.

4.20. Het Hof kan de Inspecteur in zijn stelling niet volgen en wijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2012, nr. 10/02678, LJN: BT1516, waarin is overwogen:

'3.3.1. (...) Het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, brengt mee dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt. Dit betekent dat een nadere beslissing die de inspecteur - zonder tussenkomst van de rechter - neemt met betrekking tot de belastingaanslag waartegen bezwaar is gemaakt, niet is aan te merken als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, lid 2, Awb beroep kan worden ingesteld.'.

4.21. Gelet op dit arrest betreft belanghebbendes beroep en hoger beroep de uitspraak op bezwaar van 4 januari 2011, waarin zij, naar tussen partijen niet in geschil is, ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Zoals overwogen onder 4.3, en mede gelet op het onder 4.3 en 4.20 bedoelde arrest, kon de Inspecteur niet zelf zijn onjuiste uitspraak op bezwaar van 4 januari 2011 ongedaan maken. Voor deze ongedaanmaking moest belanghebbende zich wenden tot de Rechtbank. Nu belanghebbende kosten heeft moeten maken om deze niet-ontvankelijkverklaring door de Rechtbank ongedaan te laten maken heeft de Rechtbank de Inspecteur terecht veroordeeld in een vergoeding van de proceskosten.

Slotsom

4.22. Gelet op al vorenoverwogene dient de uitspraak van de Rechtbank te worden vernietigd. Mitsdien is het hoger beroep van belanghebbende gegrond evenals het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren, de uitspraken van de Inspecteur inzake de teruggaaf vernietigen en de teruggaaf vaststellen op een bedrag van € 17.367.

Ten aanzien van het griffierecht

4.23. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 454 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.24. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep en van het incidentele hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.25. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 3 (punten) x € 472 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.416.

4.26. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht, de kosten van het bezwaar en de proceskosten,

- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur van 23 februari 2011,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur van 4 januari 2011,

- verklaart het bezwaar ontvankelijk,

- wijzigt de beschikking, in dier voege dat een teruggaaf wordt verleend van € 17.367,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 454 vergoedt, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.416.

Aldus gedaan op: 30 mei 2013 door P. Fortuin, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en P.A.M. Pijnenburg, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.