Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA2969

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
HD 200.068.997
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Facturen inzake inlening door vof onbetaald gebleven. In hoger beroep zaak tegen ene vennoot na faillissement geroyeerd. Andere vennoot is in hoger beroep niet verschenen (verstek).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.068.997/01

arrest van 11 juni 2013

in de zaak van

DAXXA Uitzendorganisatie B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. R.H. Steensma te Rotterdam,

tegen

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in hoger beroep niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 maart 2010 (met rectificaties d.d. 1 april 2010, 15 juli 2010, 10 september 2010 en 12 mei 2011) ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, gewezen vonnis van 23 december 2009 tussen appellante – Daxxa – als eiseres en geïntimeerde – [geintimeerde] – als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 559176/CV/09-5954)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, alsmede naar het op 14 oktober 2009 gewezen tussenvonnis waarbij een comparitie van partijen is bepaald.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- het tegen [geintimeerde] verleende verstek;

- de memorie van grieven met producties A tot en met I;

- de door Daxxa ten behoeve van het (niet gehouden ) pleidooi overgelegde producties J tot en met M.

De zaak is naar de rol verwezen voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.2. Daxxa heeft [geintimeerde] en [beherend vennoot van LBR] bij dagvaarding d.d. 3 augustus 2009 in rechte betrokken teneinde betaling van facturen te bewerkstelligen.

Na tussenvonnis van 14 oktober 2009 en een gehouden comparitie van partijen d.d. 26 november 2009 heeft de kantonrechter de vordering van Daxxa tot betaling van € 4.867,74, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2009, als onvoldoende gemotiveerd (feitelijk) onderbouwd afgewezen.

4.3. Daxxa heeft tegen bedoeld eindvonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Daarbij zijn [geintimeerde] en [beherend vennoot van LBR] gedagvaard.

Tegen [geintimeerde], die in hoger beroep niet is verschenen, is op 24 mei 2011 verstek verleend.

Bij memorie van grieven, houdende één grief, heeft Daxxa geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en dat het hof, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, [geintimeerde] en [beherend vennoot van LBR] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van € 4.867,74, te vermeerderen met de contractuele rente ad 1% per maand, althans de wettelijke handelsrente, vanaf 2 juli 2009, met veroordeling van [geintimeerde] en [beherend vennoot van LBR] in de proceskosten van beide instanties.

Alleen [beherend vennoot van LBR] heeft bij memorie van antwoord de grief bestreden.

De op verzoek van Daxxa geagendeerde pleidooizitting (d.d. 13 maart 2013) is niet gehouden, omdat [beherend vennoot van LBR] inmiddels failliet verklaard was. Ten aanzien van [beherend vennoot van LBR] is vervolgens de zaak geroyeerd door het hof.

4.4. Daxxa heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij in opdracht en voor rekening van de venootschap onder firma, L.B.R. Projecten V.O.F. (hierna: LBR) en haar beherende vennoten diensten heeft geleverd voor een totaalbedrag van € 2.999,63, waarvoor zij aan LBR vier facturen (nr. [factuur sub 1.] d.d. 08-12-2005, nr. [factuur sub 2.] d.d. 16-12-2005, nr. [factuur sub 3.] d.d. 23-12-2005 en nr. [factuur sub 4.] d.d. 31-12-2005) heeft toegestuurd.

De facturen zijn door [geintimeerde] en [beherend vennoot van LBR] zonder protest behouden, maar niet betaald, zodat volgens Daxxa sprake is van een toerekenbare tekortkoming jegens haar.

Daxxa stelt dat [geintimeerde], als (mede) beherend vennoot van LBR, hoofdelijk aansprakelijk is inzake verbintenissen aangegaan voor en door de vennootschap.

Daxxa maakt aanspraak op de, bij de toepasselijke algemene voorwaarden van de Nederlandse vereniging van uitzend- en bemiddelingsbedrijven overeengekomen, contractuele rente van 1% per (gedeelte van een) maand.

Daxxa heeft haar vordering ter incasso uit handen gegeven aan incasso.com, aan wie zij daardoor buitengerechtelijke kosten verschuldigd is geworden. Op vergoeding van deze kosten stelt zij recht te hebben zowel op basis van de toepasselijke algemene voorwaarden als op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW.

4.5. De grief van Daxxa komt er op neer dat zij haar vordering in hoger beroep alsnog nader feitelijk heeft onderbouwd. Het hoger beroep kan er mede toe dienen om in de procedure in eerste aanleg gemaakte misslagen te herstellen. Deze grief kan dus in de beoordeling worden betrokken.

4.6. Het hof oordeelt als volgt.

4.7. Daxxa heeft ten aanzien van de gestelde onderliggende overeenkomst(en) en de facturen de navolgende (nadere) gegevens verschaft:

-In een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel (productie 2 bij inleidende dagvaarding) staat als ingangsdatum van de statutaire naam L.B.R. Projecten V.O.F., 5 augustus 2005 en als einddatum 11 januari 2006 vermeld. Ingangs- en einddatum van de handelsnaam zijn 5 augustus 2005 en 1 augustus 2006. De functionarissen/vennoten van deze rechtspersoon zijn de heer [geintimeerde] en de heer [beherend vennoot van LBR] (hierna [beherend vennoot van LBR]) geweest, beiden onbeperkt bevoegd. Beiden zijn per 1 januari 2006 uit functie getreden.

-Als productie D1 bij memorie van grieven heeft Daxxa overgelegd een mail d.d. 22 november 2005 te 13:58 uur waarin een zekere [Y.] (van Daxxa) aan een zekere [Z.](van Daxxa) vraagt om voor LBR een inleenovereenkomst te maken betreffende [B.] met onder meer als verdere informatie: 'voor 23 euro per uur uitgeleend aan [E.] en [F.]…duur van het project onbepaald, met opzegtermijn van 2 werkdagen…overleggen wat te doen met overuren'.

-Als productie A heeft Daxxa in het geding gebracht (een kopie van) een aan LBR geadresseerde brief van Daxxa d.d. 22 november 2005, waarbij als bijlagen zijn gevoegd een inleenovereenkomst nr. 22110502 en een arbo-checklist nr. 22110502. Het betreft een noch door Daxxa, noch door (of namens) LBR ondertekend exemplaar.

-Als productie D2 is overgelegd een interne mail van [Y.] aan [Z.]d.d. 5 december 2005 te 16:37 uur met als onderwerp: LBR projecten, waarin het onder meer gaat over verhuur van [A.] (het hof leest: [B.]) door LBR projecten aan [E.], het al dan niet in rekening brengen van overuren en het door [Y.] kunnen kortsluiten van een en ander met [beherend vennoot van LBR] van LBR projecten.

-Als producties E1, E3, E5, E7 en E9 zijn zgn. "Daxxa werkbriefjes" overgelegd, die door werknemer en opdrachtgevers zijn getekend. Deze betreffen telkens de werknemer [B.] en respectievelijk de weeknrs. 47 tot en met 51. In E1 en E3 staat [C.] & [D.] te ([woonplaats A.]/) [woonplaats B.] en in E5, E7 en E9 staat (naast voornoemde opdrachtgever) [E.] & [F.] te [woonplaats B.] als opdrachtgever vermeld. De projectomschrijving is steeds (ook) 'grondwerk algemeen'.

Per werkbriefje is een '=duplicaat=' van een factuur gevoegd (producties E2 -factuurnr. [factuur sub 5.] d.d. 1 december 2005 ad € 720,12- , E4 -factuurnr. [factuur sub 1.] d.d. 8 december 2005 ad € 1.035,00-, E6 -factuurnr. [factuur sub 2.] d.d. 16 december 2005 ad € 920,00-, E8 -factuurnr. [factuur sub 3.] d.d. 23 december 2005 ad € 1.001,13- en E10 -factuurnr. [factuur sub 4.] d.d. 31 december 2005 ad € 1.039,75-) die voor wat betreft de weeknummers, de vermelde uitzendkracht en het aantal gewerkte (over)uren aansluiten bij de gegevens uit bedoelde werkbriefjes. Deze facturen zijn telkens geadresseerd aan LBR.

-Als productie K is in het geding gebracht een schriftelijke verklaring, ondertekend door een zekere heer [G.]. Deze houdt in: "Hierbij verklaar ik [G.] dat dhr. [B.] onder andere in de weken 46 tot en met 51 2005 werkzaam is geweest voor LBR Projecten via DAXXA. LBR projecten verhuurde het personeel van DAXXA door aan haar opdrachtgevers, o.a. [E.] & [F.]. Desgewenst ben ik bereid deze verklaring onder ede te herhalen. Aldus naar waarheid opgemaakt d.d. 05-03-2013".

-De producties F en G bij memorie van grieven zijn afschriften van een in ieder geval ook per fax (met verzend controle rapport 'result ok') namens Daxxa door [Z.] aan LBR verzonden brief d.d. 6 februari 2005 (het hof neemt aan dat dit 2006 moet zijn en een verschrijving betreft), inhoudende een 2e herinnering met betrekking tot een overzicht van de openstaande facturen waarvan de factuurgegevens corresponderen met de hiervoor vermelde factuurnummers, factuurdata (met uitzondering van de factuurdatum van factuurnr. [factuur sub 4.]) en factuurbedragen (met uitzondering van het factuurbedrag van factuurnr. [factuur sub 1.]).

-Blijkens een (kennelijk op het origineel handgeschreven) aantekening op factuurnr. [factuur sub 5.] is het bedrag van € 720,12 op 28 februari 2006 betaald. Productie L is een kopie van een rekeningafschrift van de Rabobankrekening van Daxxa houdende betaling door LBR aan Daxxa van een bedrag van € 720,12 onder vermelding van 'factuur [factuur sub 5.]'.

-In als producties H en I bij memorie van grieven overgelegde (met producties F en G vergelijkbare) kopieën van een fax (met verzend controle rapport 'result ok') d.d. 17 maart 2006 staan als openstaande facturen nog vermeld de factuurnummers [factuur sub 1.], [factuur sub 2.], [factuur sub 3.] en [factuur sub 4.]. Op een als productie J overgelegd afschrift van deze fax/brief staat een ondertekende aantekening "Ik erken deze vordering en tracht deze te voldoen in wekelijkse termijnen van 500,- vanaf heden. [beherend vennoot van LBR] 30-03-2006".

-Blijkens een (kennelijk op de originelen handgeschreven) aantekening op factuurnr. [factuur sub 1.] is van het bedrag ad € 1.035,00 op 11-10-2006 € 1.000,00 betaald. Productie M is een kopie van een afschrift van de Rabobankrekening van Daxxa houdende betaling door LBR aan Daxxa van een bedrag van € 1.000,00 onder vermelding van 'gedeelte betaling facturen'.

-Als productie 1 bij inleidende dagvaarding is een door Daxxa gegeven incasso-opdracht betreffende LBR als debiteur d.d. 9 september 2008 overgelegd. Hierin gaat het om de factuurnrs. [factuur sub 4.], [factuur sub 1.], [factuur sub 2.] en [factuur sub 3.] met als openstaande bedragen respectievelijk € 1.039,75, € 38,75, € 920,00 en

€ 1.001,13.

-Uit productie 4 bij inleidende dagvaarding komt het volgende naar voren: Bij brief van 10 september 2008 aan LBR heeft incasso.com namens Daxxa een brief opgesteld waarin aanspraak wordt gemaakt op betaling van vier openstaande facturen ad totaal € 4.035,25, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 712,24. Vervolgens zijn een herhaald verzoek tot betaling d.d. 17 september 2008 en een sommatie/ingebrekestelling d.d. 24 september 2008 opgesteld, telkens bij brief van incasso.com aan LBR. Daarna zijn nog brieven betreffende 'ingebrekestelling vordering' d.d. 3 april 2009 aan zowel [geintimeerde] als [beherend vennoot van LBR] opgemaakt.

4.8. Naar het oordeel van het hof heeft Daxxa met alle onder 4.7. genoemde stukken de aan haar vordering ten grondslag liggende overeenkomst(en) met LBR en desbetreffende facturen alsmede de buitengerechtelijke werkzaamheden thans voldoende feitelijk onderbouwd.

De grief van Daxxa slaagt. Het slagen van de grief brengt mee dat het hof de in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde verweren die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, opnieuw dient te beoordelen.

In zijn mondeling antwoord in eerste aanleg heeft [geintimeerde] slechts aangegeven dat hij niet (zelf) de overeenkomsten is aangegaan. Bij comparitie van partijen in eerste aanleg heeft hij zich er op beroepen niets van Daxxa te weten, dat hij eigenlijk niets met deze zaak te maken heeft en dat het tussen anderen onderling is geregeld. Voor het overige is zijnerzijds geen verweer gevoerd.

Bij deze stand van zaken heeft [geintimeerde] naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd betwist dat Daxxa in opdracht en voor rekening van LBR de betreffende diensten heeft geleverd .

[geintimeerde] is als voormalig (mede) beherend vennoot van LBR (met [beherend vennoot van LBR] hoofdelijk) verbonden voor de nakoming van deze verbintenissen die door LBR (in 2005) zijn aangegaan. Het verweer van [geintimeerde] dat hij in ieder geval niet zelf de overeenkomst met Daxxa voor LBR is aangegaan, doet daaraan niet af.

Een en ander brengt mee dat de hoofdvordering van Daxxa en de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ad € 553,52 in hoger beroep het hof, op basis van de optelsom van de factuurbedragen uit de producties E4, E6, E8 en E10 en rekening houdend met het terzake factuurnr. [factuur sub 1.] reeds betaalde bedrag van € 1.000,00, tot een bedrag van € 2.995,88, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschillende deelbedragen vanaf datum dagvaarding in eerste aanleg, toewijsbaar zijn.

Voor toewijzing van de contractuele rente dan wel handelsrente en/of toewijzing van rente vanaf vervaldata acht het hof onvoldoende grond. Hiervoor is het door Daxxa gestelde, de inhoud van de producties B en C en hetgeen inzake de vervaldata is aangevoerd naar het oordeel van het hof onvoldoende.

[geintimeerde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

4.9. De slotsom is dat het (gedeeltelijk) slagen van de grief mee brengt dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat het hof, opnieuw rechtdoende, [geintimeerde] hoofdelijk zal veroordelen aan Daxxa te betalen een bedrag van € 3.549,40 (2.995,88 + 553,52), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2009, met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geintimeerde] hoofdelijk, dat wil zeggen dat hij zal zijn bevrijd wanneer en voor zover [beherend vennoot van LBR] heeft betaald, om aan Daxxa te betalen een bedrag van € 3.549,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2009;

veroordeelt [geintimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Daxxa worden begroot op € 294,25,-- aan verschotten en op € 200,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 336,89 aan verschotten en op € 632,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en M. Breur en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 juni 2013.