Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA2253

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
06-06-2013
Zaaknummer
HD 200.105.460
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2012:BV7397, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechthebbende op gebruik en bewoning van een woning op grond van art. 3:226 BW vertrekt uit de woning.

De eigenaar verhuurt de woning aan derden.

De rechthebbende ex art. 3:226 BW kan geen aanspraak maken op de huurpenningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.105.460/01

arrest van 4 juni 2013

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp,

tegen

1. [Geintimeerde sub 1.],

wonende te [woonplaats],

2. [Geintimeerde sub 2.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.M. Pals,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 april 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 11 januari 2012 tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerden – [geintimeerden] c.s. – als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 108261/HA ZA 11-285)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het comparitievonnis van 24 augustus 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen in conventie en tot het alsnog geheel of gedeeltelijk toewijzen van zijn vorderingen met veroordeling van [geintimeerden] c.s. in de kosten van beide instanties waaronder begrepen het salaris van de advocaat van [appellant].

2.2. Bij memorie van antwoord hebben [geintimeerden] c.s. de grief bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. Alleen [appellant] heeft daartoe de gedingstukken overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grief wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank heeft onder rechtsoverweging 2 van het vonnis waarvan beroep vastgesteld welke feiten tussen partijen vaststaan. Tegen die vaststelling zijn geen grieven aangevoerd zodat deze feiten ook het hof tot uitgangspunt dienen. Het gaat om de volgende feiten:

a) [appellant] is gehuwd geweest met [moeder van geintimeerden], de moeder van [geintimeerden] c.s., van 9 maart 2004 tot het overlijden van [moeder van geintimeerden] op 29 mei 2004.

b) [moeder van geintimeerden] heeft bij testament [geintimeerden] c.s. tot erfgenamen benoemd en aan [appellant] het beperkte recht van gebruik en bewoning van de woning gelegen aan [adres] te [plaatsnaam] (woning) gelegateerd.

c) Het gelegateerde recht is gevestigd en geleverd bij notariële akte afgifte legaat van 6 augustus 2004 en door middel van inschrijving van die akte in de openbare registers op 9 augustus 2004. In de akte afgifte legaat is onder andere het volgende opgenomen:

”6. De eigenaarslasten en belastingen, de kosten van onderhoud en reparaties van de onroerende zaak en inboedel, komen tijdens de duur van het recht geheel voor rekening van de gebruiker”

d) Ingevolge genoemde akte eindigt het recht van gebruik en bewoning per 24 mei 2014.

e) Bij schrijven van 15 augustus 2008 heeft [appellant] onder andere het volgende aan [geïntimeerden] c.s. meegedeeld:

”Via deze brief laat ik jullie weten dat ik binnenkort geen gebruik meer maak van het recht van bewoning van het pand [adres] te [plaatsnaam], zoals geregeld in het legaat bij het overlijden van jullie moeder.

Ik verlaat het pand binnen 1 jaar doch uiterlijk 31 augustus 2009….Tot en met de laatste maand van bewoning, uiterlijk zijnde 31 augustus 2009, zal ik de verplichting voortzetten tot het betalen van de eigenaars-kosten zoals vermeld in het legaat. Mocht ik de woning eerder verlaten dan vervalt de verplichting tot het betalen van de eigenaars-kosten op de eerste dag van de daarop volgende maand….

Mocht ik de woning, om welke reden dan ook, niet verlaten hebben op 31 augustus 2009, dan zal ik vanaf 1 september 2009 maandelijks een onkostenvergoeding betalen van € 1.600,00….

Mocht ik de woning, om welke reden dan ook niet verlaten na 31 augustus 2009, dan zal ik alle schade vergoeden welke ontstaat omdat de woning niet vrij beschikbaar komt.

Mochten jullie voornemens zijn het pand te verkopen dan stem ik toe dat de verkoper of diens aangewezen makelaar …. de woning kan bezichtigen.”

f) [appellant] heeft de woning in augustus 2008 verlaten.

g) Nadat [appellant] uit de woning is vertrokken hebben [geintimeerden] c.s. de woning meerdere periodes aan derden verhuurd.

4.2. [appellant] vorderde in eerste aanleg in conventie, samengevat:

- voor recht te verklaren dat [appellant] nog onverminderd aanspraak kan maken op het recht van gebruik en bewoning van de woning [adres] te [plaatsnaam];

- voor recht te verklaren dat [geintimeerden] c.s. jegens [appellant] onrechtmatig handelen door het in gebruik en bewoning geven van de voormelde woning aan een derde/derden;

- [geintimeerden] c.s. te veroordelen het gebruik en de bewoning door derden te doen eindigen en de woning aan [appellant] ter beschikking te stellen op verbeurte van een dwangsom;

- [geintimeerden] c.s. te veroordelen de van derden ontvangen huurpenningen c.q. gebruiksvergoedingen met wettelijke rente aan [appellant] te betalen;

- [geintimeerden] c.s. te veroordelen de door [appellant] met betrekking tot de hier bedoelde woning betaalde hypotheekrente vanaf 2004 alsmede de vanaf 2009 betaalde aanslagen gemeentelijke heffingen vermeerderd met wettelijke rente aan [appellant] te betalen;

- [geintimeerden] c.s. te veroordelen in de proceskosten.

[geintimeerden] c.s. vorderden in eerste aanleg in (voorwaardelijke) reconventie (samengevat):

- veroordeling van [appellant] om mee te werken aan het opmaken van een notariële akte houdende beëindiging van het recht van gebruik en bewoning met betrekking tot de hier bedoelde woning en mee te werken aan de inschrijving van die akte in de kadastrale registers;

- te bepalen dat bij gebreke van medewerking door [appellant] aan het voorgaande, het vonnis van de rechtbank in plaats van het opmaken, ondertekenen en inschrijven van de notariële akte zal komen;

- veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.3. De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de vorderingen in conventie afgewezen en de vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie toegewezen. [appellant] is zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld.

4.4. [appellant] kan zich met het voormelde vonnis, voor zover gewezen in conventie, niet verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen. Voor zover [geintimeerden] c.s. bij memorie van antwoord verzoeken om verbetering of aanvulling van het in het vonnis in (voorwaardelijke) reconventie opgenomen dictum kan het hof daartegen geen concrete grief ontwaren en daarin geen incidenteel hoger beroep lezen. Het hoger beroep is beperkt tot in het bestreden vonnis in conventie vervatte beslissingen. In het petitum van zijn memorie van grieven vordert [appellant] weliswaar dat zijn vorderingen alsnog geheel of gedeeltelijk zullen worden toegewezen, maar uit de inhoud van zijn grief blijkt dat het hoger beroep verder beperkt is tot de afwijzing door de rechtbank van zijn vorderingen om [geintimeerden] c.s. te veroordelen de van derden ontvangen huurpenningen c.q. gebruiksvergoedingen met wettelijke rente aan [appellant] te betalen en om [geintimeerden] c.s. te veroordelen de door [appellant] met betrekking tot de hier bedoelde woning betaalde hypotheekrente vanaf 2004 alsmede de vanaf 2009 betaalde aanslagen gemeentelijke heffingen vermeerderd met wettelijke rente aan [appellant] te betalen.

4.5. Aan zijn vordering tot betaling van de door [geintimeerden] c.s. van derden ontvangen huurpenningen c.q. gebruiksvergoedingen legt [appellant] ten grondslag dat zijn recht van gebruik en bewoning met betrekking tot voormelde woning voortduurt zolang niet is voldaan aan de formele vereisten voor beëindiging als bedoeld in de artikelen 3:98 en 3:89 BW, namelijk beëindiging bij notariële akte, gevolgd door de inschrijving in de kadastrale registers. Volgens [appellant] heeft hij tot het moment van de formele beëindiging recht op de vruchten van de hier bedoelde woning, te weten de door [geintimeerden] c.s. van derden ontvangen huurpenningen c.q. gebruiksvergoedingen. [appellant] stelt dat uit zijn schriftelijke verklaring d.d. 5 augustus 2008, hiervoor weergegeven onder 4.1 sub e), niet kan worden afgeleid dat hij afstand heeft gedaan van de huurpenningen c.q. gebruiksvergoedingen.

4.6. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Door [appellant] is niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank in het vonnis waarvan beroep dat [geintimeerden] c.s. op grond van de inhoud van de schriftelijke verklaring van [appellant] d.d. 15 augustus 2008 en op grond van de overige omstandigheden, genoemd onder 4.5 van het vonnis, er op mochten vertrouwen dat [appellant] met zijn schriftelijke verklaring afstand deed van zijn recht van gebruik en bewoning en dat de woning zonder beperkingen ter vrije beschikking van [geintimeerden] c.s. stond, waaronder begrepen het recht om de woning aan derden te verhuren. Voorts staat als onweersproken vast dat [geintimeerden] c.s. met voormelde afstand hebben ingestemd. Op grond van het voorgaande stond het [geintimeerden] c.s. vrij om de woning aan derden te verhuren en kan die verhuur jegens [appellant] niet als onrechtmatig worden aangemerkt. De omstandigheid dat (nog) geen formele beëindiging bij notariële akte, zoals bedoeld in de artikelen 3:98 en 3:89 BW had plaatsgevonden, doet aan het voorgaande niet af.

4.7. Van belang is verder dat het recht van gebruik en bewoning, geregeld in artikel 3:226 BW, van een beperktere strekking is dan het vruchtgebruik als geregeld in de artikelen 3:201 e.v. BW. De aanspraak van [appellant] op basis van artikel 3:226 BW gaat niet verder dan dat hij gerechtigd is om de woning persoonlijk (eventueel met zijn gezin) te bewonen. [appellant] kan aan artikel 3:226 BW geen aanspraak ontlenen op huuropbrengsten die door [geintimeerden] c.s. - na het vrijkomen van de woning – zijn gerealiseerd. Voor een dergelijke aanspraak zou een nadere overeenkomst tussen [appellant] en [geintimeerden] c.s. nodig zijn; niet gesteld of gebleken is dat een dergelijke nadere overeenkomst is gesloten.

4.8. [appellant] legt aan zijn vordering tot terugbetaling van de door hem vanaf 2004 (tot augustus 2008) betaalde hypotheekrente ter zake van de woning [adres] te [plaatsnaam] ten grondslag dat hypotheekrente niet valt onder het begrip eigenaarslasten als bedoeld in punt 6 op blad 2 van de notariële akte tot afgifte van het legaat d.d. 6 augustus 2004. Hij stelt dat de door hem betaalde hypotheekrente onverschuldigd is betaald en door [geintimeerden] c.s. terugbetaald moet worden.

4.9 Naar het oordeel van het hof faalt ook dit onderdeel van de grief van [appellant]. In het maatschappelijk verkeer worden ook hypotheeklasten tot de eigenaarslasten gerekend. Dat partijen in de onderhavige zaak eveneens hiervan zijn uitgegaan volgt uit het feit dat [appellant] ter uitvoering van punt 6 van de notariële akte de hypotheekrente vanaf 2004 tot aan zijn vertrek uit de woning in augustus 2008 zonder enig voorbehoud heeft betaald. Dat partijen desondanks beoogd zouden hebben iets anders overeen te komen, namelijk dat de hypotheekrente door [geintimeerden] c.s. diende te worden betaald, is door [appellant] in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd.

4.10. Tussen partijen staat vast dat de gemeentelijke belastingen vanaf 2009, voor zover deze door [appellant] waren voldaan, door [geintimeerden] c.s. aan [appellant] zijn vergoed, zodat er geen plaats is voor een veroordeling van [geintimeerden] c.s. op dit punt.

4.11. De conclusie is dat de grief van [appellant] op alle onderdelen faalt en dat het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, moet worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [geintimeerden] c.s. op € 894,- voor salaris advocaat en op € 291,- voor verschotten;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 juni 2013.