Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA2185

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
06-06-2013
Zaaknummer
HD 200.099.451 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vernietiging besluit coöperatie wegens strijd met art. 2:8 BW. Lidmaatschap van een vereniging kan met zich meebrengen dat een lid of een minderheid van de leden van die vereniging zich geconfronteerd ziet met een voor haar nadelig besluit van de ledenvergadering. Uitvoering besluit door bestuur niet onrechtmatig tegenover vertrekkend lid, dat daarmee nog wel bijdraagt in kosten, maar de verwachte baten niet meer zal genieten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2013/1044
JOR 2013/267 met annotatie van mr. G.J.C. Rensen
OR-Updates.nl 2013-0210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.099.451/01

arrest van 4 juni 2013

in de zaak van

Maatschap [Maatschap],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. R. Teerink te Tilburg,

tegen

Coöperatie van Geitenhouders Amalthea U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.W. de Best te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 31 juli 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 224813/ HA ZA 10-1793 gewezen vonnis van 14 september 2011.

6. Het tussenarrest van 31 juli 2012

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de vordering van [maatschap] in het incident tot afgifte van bescheiden ex artikel 843a Rv afgewezen, [maatschap] veroordeeld in de kosten van het incident en de zaak naar de rol verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van Amalthea.

7. Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van antwoord met een productie;

- de akte van 20 november 2012 aan de zijde van [maatschap];

- de akte van 18 december 2012 aan de zijde van Amalthea.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd, waartoe Amalthea aanvullend heeft gefourneerd.

8. De beoordeling in de hoofdzaak

8.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten.

a) Amalthea is een coöperatieve vereniging van geitenhouders die tot doel heeft de stoffelijke belangen van haar leden te behartigen en in het bijzonder de rentabiliteit van de bedrijven van haar leden te bevorderen, voor zover deze belangen en bedrijfsactiviteiten betrekking hebben op de uitoefening van de geitenhouderij.

b) [maatschap] is in 2005 lid geworden van Amalthea en heeft haar lidmaatschap bij brief van 22 december 2008 opgezegd tegen 31 december 2009.

c) Amalthea verkoopt de melk van haar leden aan [AVD] BV (hierna: AVD), van welke onderneming Amalthea en ZLTO elk 50% van de aandelen houden. Tot de oprichting van AVD (in 2007) leverde Amalthea de melk van haar leden aan Campina.

d) De statuten van Amalthea kennen onder meer de volgende bepalingen:

“(…)

7. De verkrijging van het lidmaatschap brengt voor elk lid met zich mee de algehele onderwerping aan de statuten alsmede aan het huishoudelijk reglement en andere op grond van die statuten of dat reglement genomen besluiten.

(…)

12.1. Ten behoeve van een meer gelijkmatige verdeling van de kosten kan het Bestuur besluiten dat een gelijke omslag over de leden wordt geheven.

12.2. Indien bij of krachtens een besluit de in de statuten en bijbehorende reglementen omschreven rechten en plichten van een lid worden beperkt respectievelijk worden verzwaard dan wel krachtens een besluit de geldelijke rechten en verplichtingen van een lid worden beperkt danwel worden verzwaard, kan een lid de toepasselijkheid van die wijziging te zijnen aanzien niet ontgaan door opzegging van het lidmaatschap.

(…)

13.5. Voor de door de leden in enig jaar aan de coöperatie geleverde melk, zal worden uitgekeerd de opbrengst van deze melk en/of van de daaruit verkregen producten vermeerderd met eventuele andere exploitatiebaten – na aftrek van de exploitatielasten, zoals deze blijken uit een door het Bestuur op te stellen en door de Algemene Ledenvergadering vast te stellen exploitatierekening.

(…)

13.7. Op het aan de leden toekomende, ingevolge het bepaalde in de voorafgaande leden van dit artikel, zullen in de loop van het jaar voorschotbetalingen plaatsvinden. Het Bestuur bepaalt de wijze waarop dit gebeurt.

13.8. Blijkt na vaststelling van de in lid 5 bedoelde exploitatierekening over enig boekjaar dat de voorschotbetalingen:

a. lager zijn geweest dan het de leden, ingevolge het bepaalde in de leden 5-6 en 7 van dit artikel toekomende, dan zal het verschil aan de leden worden uitgekeerd;

b. hoger zijn geweest dan het de leden, ingevolge het bepaalde in de leden 5-6-7 en 9 van dit artikel toekomende, dan zijn de leden verplicht het aan hen teveel uitgekeerde aan de coöperatie te restitueren.

(…)

19.1. Aan het Bestuur is opgedragen het bestuur en de leiding van de zaken der coöperatie op zich te nemen alsmede uitvoering te geven aan de besluiten van de Algemene Ledenvergadering.”

e) In verband met de negatieve exploitatieresultaten van AVD is AVD in 2009 in onderhandeling getreden met [groothandel] BV (hierna: [groothandel]), een groothandel die zich bezig houdt met de opslag, rijping, verpakking, verkoop en distributie van allerlei soorten kaas, waaronder geitenkaas, met het doel te gaan samenwerken om haar positie op de markt te versterken. In jet verslag van de algemene ledenvergadering van Amalthea (hierna: ALV) d.d. 15 december 2009 is daarover onder meer het volgende opgenomen:

“(…) De krachten van beide bedrijven worden gebundeld: AVD is goed in kaas maken en [groothandel]uniek in kaas afzetten. Er wordt gewerkt aan rendementsverbetering door de capaciteit van de fabriek volledig te benutten. AVD produceert kaas en verkoopt deze pekeldroog aan [groothandel]. Debiteuren, voorraad, opslag, rijpen, verpakken, marketing en vermarkten gaan naar [groothandel]. (…) AVD betaalt voor de krachtige marktpositie van [groothandel]een eenmalige inverdienvergoeding. De financiering is een lening, die de leden via inhouding op het melkgeld aflossen, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009. In de huiskamerbijeenkomsten is aangegeven dat dit over 2010 zou plaatsvinden. Dit is gewijzigd in 2009, omdat het succes van de samenwerking eind 2010 zichtbaar zal worden en het succes bij de leden moet liggen en niet bij de opzeggers. Het Bestuur acht de instemming van de leden voor een ingrijpende stap als de voorgenomen samenwerking zeer wenselijk. (…)”

f) Een overgrote meerderheid van de leden heeft in voornoemde algemene ledenvergadering van Amalthea vóór het voorgenomen besluit tot samenwerking met [groothandel]gestemd. Vervolgens heeft ook de Raad van Toezicht van Amalthea ingestemd.

g) Als gevolg van de door AVD aan [groothandel]te betalen inverdienvergoeding ter hoogte van € 1.700,000,=, is het door AVD aan Amalthea over 2009 definitief uit te betalen melkgeld met dat bedrag verminderd (omgezet in een vordering uit hoofde van geldlening). Door Amalthea is het bedrag pro rata doorbelast aan elk lid in de vorm van een renteloze lening, die bij beëindiging van het lidmaatschap direct opeisbaar is.

h) Een brief van Amalthea aan de rechtsbijstandverzekeraar van [maatschap] d.d. 7 mei 2010 luidt onder meer:

“(…)

Alle leden zijn verplicht pro rata parte bij te dragen in het verwachte bedrijfsresultaat over het jaar 2009. Het feit dat het lidmaatschap van de heer [maatschapslid 1.] per 1 januari 2010 is beëindigd, doet hieraan niets af. Hij was gedurende het jaar 2009 lid van Amalthea. (…)

Tijdens de algemene vergadering van Amalthea is gesproken over het omzetten van het terug te betalen bedrag aan melkgeld 2009 in een geldlening voor de bestaande leden van de coöperatie. Op deze geldlening dienen de bestaande leden af te lossen middels inhouding op het uit te betalen melkgeld voor melkleveranties vanaf 1 januari 2010. Gezien het feit dat de heer [maatschapslid 1.] zijn lidmaatschap bij Amalthea heeft opgezegd, geldt dit laatste uiteraard niet voor hem en komt hij niet in aanmerking voor het verkrijgen van een middels – verdere – melkleveranties af te lossen geldlening.

De consequentie van het bovenstaande is dat de heer [maatschapslid 1.] thans nog een restantschuld heeft van EUR 30.695.50 bij Amalthea. Wij zijn bereid om over de manier van aflossing van deze schuld met de heer [maatschapslid 1.] in overleg te treden.

(…)”

i) [maatschap] weigert de door Amalthea als gevolg van het einde van het lidmaatschap gevorderde bijdrage in het bedrijfsresultaat over 2009 te voldoen.

8.2. [maatschap] heeft Amalthea in rechte betrokken.

[maatschap] heeft gevorderd:

1. het besluit van het bestuur van Amalthea om a) een samenwerking met [groothandel] aan te gaan, b) [groothandel] in dat kader een (inverdien)vergoeding van € 1.700.000,-- te betalen, c) de (inverdien)vergoeding middels inhouding op het melkgeld door alle leden (opzeggende en blijvende) te laten voldoen, te vernietigen, althans het besluit in een door de rechtbank in goede justitie te bepalen omvang te vernietigen, en Amalthea te veroordelen om deze vernietiging te gehengen en te gedogen;

2. het besluit tot goedkeuring van de jaarrekening 2009, in het bijzonder de vordering op de leden en de schuld aan de groepsmaatschappij betreffende de samenwerking met [groothandel] te vernietigen;

3. te verklaren voor recht dat [maatschap] niet gehouden is € 34.108,80 te voldoen ter zake van de samenwerking met [groothandel];

4. Amalthea jegens [maatschap] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.413,30, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2010, althans vanaf 8 mei 2010, althans vanaf de dag van verzuim, tot aan de dag der algehele voldoening;

5. Amalthea te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente over de proceskosten als die kosten niet binnen veertien dagen na vonniswijzing zijn betaald.

In reconventie heeft Amalthea gevorderd [maatschap] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 30.606,09, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2010, althans vanaf 16 juli 2010, althans vanaf 18 augustus 2010, althans vanaf de datum van indiening van de conclusie van eis in reconventie tot het moment van algehele voldoening,

alsmede een bedrag van € 1.158,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de conclusie van eis in reconventie tot de dag der algehele voldoening, een en ander met veroordeling van [maatschap] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 15e dag na vonniswijzing.

8.3. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [maatschap] (in reconventie) afgewezen, kort gezegd, wegens gebrek aan belang. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat waar Amalthea is gedagvaard, slechts aan de orde kunnen zijn de door een orgaan van Amalthea met betrekking tot bovengenoemde onderwerpen genomen besluiten.

Het besluit tot samenwerking als zodanig is niet een besluit is geweest van het bestuur van Amalthea, maar van het bestuur van AVD (en het bestuur van OBIV BV).

Daar waar [maatschap] bij haar vordering tot vernietiging van het besluit kennelijk beoogt de met [groothandel] aangegane samenwerking ongedaan te maken, althans het als gevolg daarvan door AVD via het in 2009 te betalen melkgeld doorbelasten van het bedrag van € 1.700.000,-- aan (de leden van) Amalthea, moet worden geconcludeerd dat een vernietiging van het besluit van de ALV niet van invloed is op de samenwerkingsovereenkomst tussen AVD enerzijds en [groothandel] anderzijds. Die overeenkomst zou bij een eventuele vernietiging van meergenoemd besluit van de ALV in stand blijven. Nu vernietiging van het besluit van de ALV het uiteindelijk door [maatschap] beoogde resultaat niet dichterbij brengt, ontbreekt aan de zijde van [maatschap] een redelijk belang bij haar vordering tot vernietiging van dat besluit (vgl. Hoge Raad 19 mei 1989, LJN: AD0783). In dat licht komt de rechtbank dan ook niet toe aan toetsing van dat besluit aan de redelijkheid en billijkheid. Voor de andere voor vernietiging voorgedragen besluiten geldt hetzelfde, zo oordeelde de rechtbank. De vorderingen van Amalthea (in conventie) heeft de rechtbank toegewezen.

8.4. Met de grieven is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd. Hierna zal daarom alleen waar nodig worden ingegaan op individuele grieven.

8.5. In eerste aanleg heeft [maatschap] primair aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken jegens elkaar in acht moeten nemen (artikel 2:8 BW). Subsidiair heeft [maatschap] aangevoerd dat de besluiten jegens [maatschap] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (artikel 6:248 lid 2 BW).

In hoger beroep heeft [maatschap] meer subsidiair onder grief 4 de grondslagen van haar vorderingen 3. en 4. aangevuld en het standpunt ingenomen dat Amalthea tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld (artikel 6:162 BW) door de inverdienvergoeding (volledig) ten laste van het resultaat van 2009 te brengen.

In hoger beroep heeft [maatschap] verder bij memorie van antwoord onder randnummers 17 en 20 haar vordering 1 (zie onder 8.2.) nader geconcretiseerd. Zij voert aan dat zij daarmee niet bedoeld heeft de vernietiging te vorderen van het besluit van de ALV om het bestuur te machtigen om de samenwerking van AVD met [groothandel]te realiseren, maar het besluit (de besluiten) van het bestuur van Amalthea om als aandeelhouder van AVD in te stemmen met de samenwerking tussen AVD en [groothandel]en het daarbij betalen van de inverdienvergoeding en het ten laste van het resultaat van 2009 brengen van die vergoeding, zo begrijpt het hof haar stellingen.

8.6. Afgezien van de vraag of [maatschap] belang heeft bij de door haar ingestelde vordering tot vernietiging van genoemde besluiten (welke vraag door de rechtbank ontkennend is beantwoord), oordeelt het hof ten aanzien van vorderingen 1 en 2 van [maatschap] als volgt.

Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is (onder meer) vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist (art. 2:15 BW). Artikel 2:8 BW geeft in lid 1 een gedragsregel: een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig tegenover elkaar gedragen naar wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. De rechterlijke toetsing van besluiten aan de redelijkheid en billijkheid kan slechts een marginale toetsing zijn. Toetsingsmaatstaf is de vraag of het orgaan bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

8.7. De redelijkheid en billijkheid in de relatie tussen het bestuur en de ledenvergadering als organen van Amalthea enerzijds en [maatschap] als lid van Amalthea anderzijds, wordt mede ingevuld door het feit dat het lidmaatschap van een vereniging met zich mee kan brengen dat een lid of een minderheid van de leden van die vereniging zich geconfronteerd ziet met een voor haar nadelig besluit van de ledenvergadering. Dit is inherent aan het democratische karakter van de vereniging. Dat karakter brengt bovendien met zich mee dat de minderheid van de leden zich in beginsel heeft te voegen naar het besluit, ook als zij zich hierin niet kan vinden. Het enkele feit dat de ledenvergadering voorbij gaat aan de mogelijkheid dat de opzeggende leden, zoals in dit geval [maatschap], door het besluit benadeeld worden (wat door Amalthea wordt bestreden) nu zij door de beëindiging van het lidmaatschap niet meer de voordelen zullen genieten, betekent niet dat het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

Ook het enkele feit dat in de huiskamerbijeenkomsten nog de indruk is gewekt dat de inverdienvergoeding ten laste van 2010 zou worden gebracht, maakt niet dat het besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid is genomen. Ten behoeve van de besluitvorming in de ledenvergadering is door het bestuur aangegeven dat de inverdienvergoeding ten laste van 2009 zou worden gebracht in plaats van ten laste van 2010 “omdat het succes van de samenwerking eind 2010 zichtbaar zal worden en het succes bij de leden moet liggen en niet bij de opzeggers”. Met inachtneming van die mededeling heeft de ledenvergadering het besluit genomen.

Daaraan doet niet af dat [maatschap] niet naar de ledenvergadering is gekomen en niet heeft meegestemd, omdat zij er vanuit ging dat de samenwerking voor haar geen nadelige gevolgen zou hebben. Nog afgezien van de vraag of [maatschap] daar vanuit mocht gaan (Amalthea heeft weersproken in de huiskamerbijeenkomsten een dergelijke mededeling aan leden te hebben gedaan), is gesteld noch gebleken dat het besluit niet met meerderheid van stemmen zou zijn genomen indien [maatschap] wel op de ledenvergadering zou zijn verschenen.

8.8. Anders dan [maatschap] aanvoert, heeft het bestuur van Amalthea niet het besluit genomen om in de aandeelhoudersvergadering van AVD in te stemmen met de samenwerking, de inverdienvergoeding en het ten laste van het resultaat van 2009 brengen van die vergoeding. Het bestuur van Amalthea heeft uitvoering gegeven aan het rechtsgeldig genomen besluit van de ALV daartoe. Het ten laste van het resultaat van 2009 brengen van die vergoeding is ook een gevolg van voornoemd besluit van de ALV.

8.9. Op grond van het voorgaande is ook het hof van oordeel dat de vorderingen 1 en 2 van [maatschap] moeten worden afgewezen.

8.10. Met grief 4 klaagt [maatschap] dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de subsidiaire grondslag die zij voor haar vorderingen heeft aangevoerd. Het hof constateert dat [maatschap] subsidiair enkel gesteld heeft dat voornoemde besluiten tegenover [maatschap] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW, zonder concreet te onderbouwen op welke tussen partijen geldende overeenkomst zij het oog heeft en welke tussen partijen geldende regel door de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid terzijde zou moeten worden gesteld. Daarmee heeft [maatschap] haar subsidiaire grondslag onvoldoende (concreet) onderbouwd. De grief faalt om die reden.

8.11. Meer subsidiair stelt [maatschap] dat Amalthea jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door de inverdienvergoeding ten laste van het resultaat van 2009 te brengen. [maatschap] stelt dat Amalthea daarmee heeft gehandeld (a) in strijd met een wettelijke plicht, te weten in strijd met het bepaalde in artikel 2:384 lid 2 BW (voorzichtigheidsbeginsel) nu de samenwerking tussen AVD en [groothandel]pas in 2010 een aanvang nam en (b) in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid nu zij de inverdienvergoeding bewust ten laste van het resultaat van 2009 heeft laten brengen om zo de opzeggers te laten betalen voor het succes van de blijvende leden, en in strijd met een tijdens een huiskamerbijeenkomst aan [maatschap] gedane mededeling dat de samenwerking voor haar geen gevolgen zou hebben.

8.12. Het hof overweegt het volgende.

Niet Amalthea, maar AVD heeft de samenwerkingsovereenkomst met [groothandel]gesloten en het bedrag van € 1.700.000 ten laste van haar exploitatieresultaat in 2009 gebracht. Zo er al in strijd met artikel artikel 2:384 lid 2 BW is gehandeld (wat door Amalthea wordt betwist), dan kan dat slechts door AVD zijn gebeurd. Dat kan Amalthea niet als onrechtmatig handelen tegenover [maatschap] worden verweten.

Daarnaast staat vast dat het bedrijfsresultaat van AVD over (enig jaar, in dit geval) 2009 de hoogte van de melkprijs in dat jaar bepaalt. Zoals de rechtbank met recht overwoog (r.o. 3.3.5 van het bestreden vonnis) en door [maatschap] niet is bestreden, volgt dit uit de systematiek als vastgelegd in de statuten van Amalthea. Verder heeft de ALV ingestemd met het door AVD aangaan van de samenwerkingsovereenkomst met [groothandel]en het door AVD ten laste van de exploitatie van 2009 brengen van de inverdienvergoeding. Weliswaar wekt de hiervoor onder 8.7. geciteerde zin uit het verslag van de ALV de indruk dat daarbij bewust overwogen is ook de opzeggende leden mee te laten betalen aan de inverdienvergoeding, maar dat neemt niet weg dat het besluit door de ALV met die wetenschap rechtsgeldig is genomen. Zoals hiervoor (r.o. 8.7) al overwogen volgt uit het democratisch karakter van de vereniging dat de minderheid van de leden zich in beginsel heeft te voegen naar een besluit van de meerderheid, ook als opzeggende leden daarmee zullen meebetalen aan iets waarvan zij geen profijt zullen hebben. Het bestuur van Amalthea handelt conform haar statutaire plicht en daarom tegenover [maatschap] in beginsel niet onrechtmatig (of in strijd met de redelijkheid en billijkheid) indien zij een dergelijk, aan de ledenvergadering voorgelegd en door deze van instemming voorzien, besluit uitvoert.

8.13. [maatschap] heeft aangevoerd en te bewijzen aangeboden (MvG, randnummer 46), dat Amalthea haar tijdens de door haar bijgewoonde huiskamerbijeenkomst expliciet heeft meegedeeld dat de samenwerking geen gevolgen voor [maatschap] zou hebben. Amalthea heeft het doen van een dergelijke mededeling bestreden, maar zelfs als [maatschap] haar stelling zou bewijzen, rechtvaardigt dat enkele feit in het licht van het voorgaande - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet de conclusie dat Amalthea tegenover [maatschap] in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid heeft gehandeld door, ondanks eerder mededelingen in de huiskamerbijeenkomsten met toestemming van de ALV, de leden (en daarom ook de opzeggers) via het melkgeld 2009 mee te laten betalen aan het naar verwachting in 2010 voor de (blijvende) leden te realiseren succes van de samenwerking. In dat licht passeert het hof het bewijsaanbod van [maatschap] als niet relevant.

8.14. De slotsom van het voorgaande is dat de grieven falen, ook grief 5 die ziet op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, omdat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [maatschap] zal als de in het ongelijk gestelde partij beroep in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.

9. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [maatschap] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Amalthea worden begroot op € 649, = aan verschotten en op € 948, = aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, S. Riemens en J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 juni 2013.