Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA1933

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
04-06-2013
Zaaknummer
HV 200.113.013
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:BX7743, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewindvoerder niet tekortgeschoten in de zorg van een goed bewindvoerder.

Kantonrechter was op grond van het bepaalde in art.1:445 lid 4 BW jo. art. 1:362 BW bevoegd het verzoek tot schadevergoeding te beoordelen. Geen strikte scheiding tussen het afleggen van rekening en verantwoording en verzoek tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 30 mei 2013

Zaaknummer: HV 200.113.013/01

Zaaknummer eerste aanleg: 809350-120

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

voorheen handelende onder de naam Bewindvoering Altena,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. R.H.J.M. Silvertand,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: [geintimeerde].

5. De beschikking d.d. 11 december 2012

Bij die beschikking heeft het hof [geintimeerde] alsnog in de gelegenheid gesteld om door tussenkomst van een advocaat een verweerschrift in te dienen.

Binnen de daartoe gestelde termijn is van de zijde van [geintimeerde] geen verweerschrift ingediend, waarna het hof [geintimeerde] heeft opgeroepen te verschijnen op de zitting van 23 april 2013.

6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1. De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 april 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante], bijgestaan door mr. Silvertand.

6.2. [geintimeerde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

7. De verdere beoordeling

7.1. Bij beschikking van 9 februari 2010 is bewind ingesteld over de goederen die aan [geintimeerde] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

Bij beschikking van 29 september 2011 is het bewind over de vermogensrechtelijke belangen van [geintimeerde] opgeheven.

7.2. Bij brief van 7 oktober 2011 heeft [geintimeerde] een klacht ingediend tegen [appellante] ten aanzien van het door [appellante] gevoerde bewind tot 29 september 2011.

7.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank vastgesteld dat de [appellante], voor zover het het aanvragen van huurtoeslag betreft, in de zorg van een goed bewindvoerder tekort is geschoten en stelt de schade die het vermogen van [geintimeerde] door deze tekortkoming in de bewindvoering heeft geleden vast op een bedrag van € 437,-.

7.4. [appellante] kan zich niet met deze beslissing verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

7.5. Ter zitting van 6 november 2012 heeft [appellante] haar derde grief ingetrokken, zodat deze hier geen bespreking meer behoeft.

Ontvankelijkheid

7.6. In haar eerste grief stelt [appellante] dat [geintimeerde] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de door hem ingestelde schadevordering. Volgens [appellante] had [geintimeerde] zijn vordering bij dagvaarding moeten instellen.

[appellante] is van mening dat de door de rechtbank van toepassing verklaarde (naar het hof begrijpt) paragrafen 10 en 11 van afdeling 6 van titel 14 BW slechts zien op de rekening en verantwoording en niet op klachtenprocedure. Nu [geintimeerde] geen klachten heeft geuit ten aanzien van de rekening en verantwoording, had de schadevordering, zo stelt [appellante], ingediend moeten worden bij dagvaarding.

7.7. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de onderhavige procedure niet exclusief door een dagvaardingsprocedure kan worden ingeleid en dat geen sprake is van een strikte scheiding tussen het doen van rekening en verantwoording en het verbinden van consequenties aan de wijze waarop het bewind is gevoerd als in de toelichting op de grief wordt bepleit. De kantonrechter kan op grond van het bepaalde in art. 1: 445 lid 4 BW in verbinding met art. 1: 362 BW ambtshalve de schade vaststellen die de rechthebbende door slecht bewind heeft geleden. Het enkele feit dat de verwijzing naar (onder meer) artikel 1:362 BW is opgenomen in art. 1:445 lid 4, welke bepaling betrekking heeft op de rekening en verantwoording, staat hieraan, gelet op het algemeen geformuleerde art. 1:362 BW, niet in de weg, waarbij het hof nog opmerkt dat de bepaling van art. 1:362 BW ook nadat het bewind is geëindigd toepassing vindt. De grief faalt.

Huurtoeslag

7.8. In haar tweede grief stelt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van een HAT-woning waarvoor huurtoeslag kon worden aangevraagd en verkregen.

Volgens [appellante] heeft [geintimeerde], ondanks herhaald verzoek van [appellante] hierom, verzuimd een document aan [appellante] te overhandigen waaruit blijkt dat de destijds door [geintimeerde] bewoonde woning is aangewezen als een onzelfstandige woning waarvoor huurtoeslag verkregen kan worden. Ook thans heeft [geintimeerde] op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zijn toenmalige woning bij Stichting Maatschappelijke Opvang (SMO) door de fiscus is aangewezen als onzelfstandige woonruimte waarvoor huurtoeslag kan worden verkregen.

Voor zover [geintimeerde] er al in zou slagen om aannemelijk te maken dat de door hem bewoonde kamer een onzelfstandige woonruimte is waarvoor huurtoeslag kon worden verkregen, dan stelt [appellante] dat zij daartoe toch niet kon overgaan. [appellante] heeft van [geintimeerde] nooit inzicht gekregen in de hoogte van zijn inkomen. Volgens [appellante] werkte [geintimeerde] zwart, liet zich gelden betalen buiten de bewindvoerdersrekening om en instrueerde werkgevers om loonstroken niet naar [appellante] te sturen maar naar een ander adres.

Voorts stelt [appellante] dat [geintimeerde], na de opheffing van het bewind, zelf alsnog tot 31 december 2011 huurtoeslag had kunnen aanvragen. Volgens [appellante] was [geintimeerde] onder de gegeven omstandigheden verplicht om zijn schade in deze te beperken.

7.9. Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is het hof, in tegenstelling tot de rechtbank, van oordeel dat [appellante] niet verweten kan worden dat zij geen huurtoeslag heeft aangevraagd in de periode van 23 juni 2011 tot 14 november 2011.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gedurende het gehele bewind, ondanks diverse verzoeken daartoe, over onvoldoende gegevens, waaronder de volledige inkomensgegevens van [geintimeerde], heeft beschikt op grond waarvan zij huurtoeslag had kunnen aanvragen. Ook heeft [geintimeerde] nimmer het door [appellante] verzochte document, waaruit blijkt dat de door [geintimeerde] gehuurde woning in de periode van 23 juni 2011 tot 14 november 2011 door de belastingdienst is aangewezen als onzelfstandige woonruimte waarvoor huurtoeslag kan worden verkregen, overgelegd.

Voorts neemt het hof nog in aanmerking dat [geintimeerde] na de beëindiging van de bewindvoering op 29 september 2011 en na het indienen van de klacht op 7 oktober 2011 zelf nog tot 31 december 2011 in de gelegenheid is geweest om de huurtoeslag over de betreffende periode aan te vragen. Dat [geintimeerde] dit heeft nagelaten kan, naar het oordeel van het hof, [appellante] niet worden aangerekend.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat [appellante] niet te kort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking op dit punt vernietigen.

8. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, van 12 juli 2012, doch uitsluitend ten aanzien van de vaststelling dat [appellante] in de zorg van een goed bewindvoerder is tekortgeschoten voor zover het het aanvragen van huurtoeslag betreft en ten aanzien van de vaststelling van de schade van deze tekortkoming;

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het verzoek van [geintimeerde] tot voldoening van schadevergoeding inzake de huurtoeslag.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, M.C. van Dijkhuizen, P.C.G. Brants en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2013.