Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA1663

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
31-05-2013
Zaaknummer
HD 200.109.168/01 T
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2012:BW9628, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beslissing op incidentele vordering tot verwijzing naar een ander hof wegens verknochtheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.109.168/01

arrest van 28 mei 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

gedaagde in het incident,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. H.T. Kernkamp te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

eiser in het incident,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.J. de Jong Schouwenburg te Amsterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 14 augustus 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg, sector kanton locatie Middelburg onder zaaknummer 224115/11-3204 gewezen vonnis van 2 april 2012.

5. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 14 augustus 2012 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 24 oktober 2012;

- de memorie van grieven met één productie;

- de incidentele conclusie houdende verzoek tot verwijzing naar het gerechtshof

’s-Gravenhage in verband met connexiteit, met producties, van de zijde van [geïntimeerde];

- de conclusie van antwoord in het incident tot verwijzing van de zijde van [appellant];

- de memorie van antwoord in de hoofdzaak met één productie.

Partijen hebben arrest gevraagd in het incident tot verwijzing. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6. De beoordeling van de incidentele vordering

6.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Partijen zijn broers van elkaar. Zij waren samen eigenaar van het landhuis [landhuis], [straatnaam] [huisnummer] te [plaats]. Bij akte van verdeling van 6 juli 1995 kwamen partijen overeen dat de eigendom van [landhuis] werd toegedeeld aan [geïntimeerde] tegen betaling van f 900.000,--.

Artikel 5 van deze akte luidt:

"[APPELLANT] behoudt het recht om in de zomermaanden (juni, juli, augustus), "[landhuis]" te huren voor een periode van maximaal 3 aaneengesloten weken voor een huurprijs gelijk aan het marktniveau met een maximum van f 1.750,-- (...) per week, (...). Voorts heeft [APPELLANT] het recht om ook gedurende de rest van het jaar het huis in ieder geval voor een aaneengesloten periode van één week te huren op basis van een huurprijs gelijk aan het marktniveau met een maximum van f 1.500,- (...) per week. (...) Uiterlijk per ultimo van ieder jaar zal [APPELLANT] aan [geïntimeerde] laten weten gedurende welke perioden hij in het volgend jaar "[landhuis]" wenst te huren."

Tussen partijen is in geschil of [geïntimeerde] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de voormelde overeenkomst.

[appellant] vorderde in eerste aanleg, samengevat:

primair:

a. de verklaring voor recht dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting uit de tussen partijen geldende overeenkomst van levenslange huur ter zake [landhuis],

b. de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding van

€ 231.246,10 met wettelijke rente,

subsidiair:

c. de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding van

€ 105.736,51 met wettelijke rente,

d. de verklaring voor recht dat [geïntimeerde] gehouden is tot nakoming van het op 6 juli 1995 ten behoeve van [APPELLANT] overeengekomen levenslange huurbeding,

e. de veroordeling van [geïntimeerde] tot nakoming van dat beding op straffe van een dwangsom,

primair en subsidiair:

f. de veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 april 2012 waarvan beroep de vorderingen van [appellant] afgewezen. De kantonrechter overwoog daartoe, samengevat, dat niet gebleken is dat [geïntimeerde] ter zake van de nakoming van zijn verplichtingen uit voormelde overeenkomst in verzuim is komen te verkeren.

De grieven van [appellant] richten zich tegen dit oordeel van de kantonrechter.

6.2. Indien de grieven van [appellant] slagen, zal het hof een oordeel moeten geven omtrent het verweer van [geïntimeerde] dat [appellant] gebonden is aan het bindend advies dat door de bindend adviseur mr. [bindend adviseur] op 30 juni 2011 is gegeven met betrekking tot een aantal geschillen tussen partijen, waaronder het geschil tussen partijen omtrent de vraag of [geïntimeerde] jegens [appellant] schadeplichtig is wegens het niet-nakomen van zijn verplichtingen ingevolge de hiervoor vermelde overeenkomst tussen partijen met betrekking tot het landgoed [landhuis]. De bindend adviseur heeft het niet billijk geacht dat [geïntimeerde] aan [appellant] schade zou moeten vergoeden ter zake van die kwestie.

6.3. De vraag of [appellant] al dan niet gebonden is aan het bindend advies van mr.[bindend adviseur] is onderwerp van geschil in een procedure die tussen partijen aanhangig is geweest bij de rechtbank ’s-Gravenhage onder de nummers 400240 / HA ZA 11-2200 (verstekprocedure) en 404772 / HA ZA 11-2521 (verzetprocedure). In die procedure vorderde [geïntimeerde] de veroordeling van [appellant] tot betaling van het bedrag waartoe [appellant] jegens [geïntimeerde] in het bindend advies schuldig was verklaard. [appellant] heeft zich in de procedure bij de rechtbank ’s-Gravenhage verweerd met de stelling dat het bindend advies uit hoofde van zijn inhoud en/of wijze van totstandkoming zozeer indruist tegen de redelijkheid en billijkheid dat het naar de uit de goede trouw voortvloeiende maatstaven onaanvaardbaar is hem aan de inhoud daarvan te houden. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft dit verweer van [appellant] bij vonnis van 21 maart 2012 verworpen.

[appellant] heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Gravenhage. De zaak is bij dat hof aanhangig onder nr. HD 200.109.202/01. De grieven van [appellant] in die procedure zijn gericht tegen de verwerping van zijn verweer dat hij niet gebonden is aan het bindend advies van mr.[bindend adviseur].

6.4. [geïntimeerde] verzoekt de thans bij dit hof aanhangige procedure tussen partijen te verwijzen naar het gerechtshof ’s-Gravenhage, dit in verband met de verknochtheid van de beide voormelde zaken.

6.5. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 220 lid 1 Rv kan, ingeval een zaak verknocht is aan een zaak die reeds bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is, de verwijzing naar die andere rechter worden gevorderd. Ingevolge artikel 353 Rv is deze bepaling van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.

Van verknochtheid is sprake wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in deze zaak identiek zijn aan die in de andere, dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is.

6.6. Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van de zaken tussen partijen die bij dit hof en bij het hof ’s-Gravenhage aanhangig zijn sprake van verknochtheid in de zin van artikel 220 lid 1 Rv, dit gelet op hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 6.2 en 6.3 is overwogen.

6.7. [appellant] heeft tegen de incidentele vordering tot verwijzing nog aangevoerd dat niet door [geïntimeerde] is gesteld dat de procedure bij het gerechtshof ’s-Gravenhage eerder aanhangig is gemaakt dan de procedure bij dit hof.

Op zichzelf is deze stelling van [appellant] juist; uit de overgelegde appeldagvaardingen blijkt echter dat beide procedures op dezelfde dag, namelijk 18 juni 2012, aanhangig zijn gemaakt (artikel 125 lid 1 Rv).

Naar het oordeel van het hof staat deze omstandigheid verwijzing naar het gerechtshof ’s-Gravenhage niet in de weg; het zou onwenselijk zijn artikel 220 lid 1 Rv aldus uit te leggen dat, in het geval twee zaken die verknocht zijn op dezelfde datum aanhangig zijn gemaakt, nimmer verwijzing wegens connexiteit zou kunnen plaatsvinden.

6.8. [appellant] heeft nog gewezen op het risico van vertraging van de onderhavige zaak en onnodige complicaties.

Het hof overweegt hieromtrent dat het belang van verwijzing is gelegen in het tegengaan van mogelijke tegenstrijdige beslissingen in het geschil tussen partijen omtrent de gebondenheid van [appellant] aan het tussen hen gegeven bindend advies.

Het belang dat [appellant] heeft bij een snelle beslissing in de procedure die bij dit hof aanhangig is moet hiervoor wijken, waarbij het hof opmerkt dat van een langdurige vertraging geen sprake hoeft te zijn omdat de zaak immers wordt verwezen in de stand waarin deze zich thans bevindt.

6.9. De conclusie is dat de incidentele vordering tot verwijzing toewijsbaar is.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident.

7. De uitspraak

In het incident:

Het hof wijst de vordering tot verwijzing toe en veroordeelt [appellant] in de kosten van het incident, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 894,- voor salaris van de advocaat;

In de hoofdzaak:

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich thans bevindt naar het gerechtshof ’s-Gravenhage voor verdere afdoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en I.B.N. Keizer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 mei 2013.