Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA1257

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-05-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
20-000403-12 (OWV)
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:BV1237, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit valsheid in geschrifte (facturen halalvlees).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000403-12 OWV

Uitspraak : 2 mei 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Breda van 18 januari 2012 op de vordering ex artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-993008-10 tegen:

[Bedrijf] B.V.,

statutair gevestigd te [adres].

Hoger beroep

Bij beslissing waarvan beroep is geschat dat de veroordeelde € 36.440,21 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten door het opmaken van valse facturen. Aan de veroordeelde is de verplichting opgelegd dit bedrag te betalen aan de staat, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op € 72.880,43 en aan de veroordeelde een betalingsverplichting zal opleggen tot datzelfde bedrag.

De verdediging heeft betoogd dat de veroordeelde per saldo geen voordeel heeft genoten, zodat de vordering moet worden afgewezen.

Beslissing waarvan beroep

De beslissing zal worden vernietigd omdat die niet te verenigen is met het onderstaande.

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij vonnis van 18 januari 2012, parketnummer 02-993008-10, door de rechtbank veroordeeld voor het als rechtspersoon medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het hof komt op basis van de bewijsmiddelen tot het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.

Bij de schatting van de omvang van het voordeel wordt het proces-verbaal met nummer 50817 uit het onderzoek Cyclops, betreffende het wederrechtelijk verkregen voordeel van [bedrijf], opgemaakt door opsporingsambtenaar/financieel rechercheur [V.] op 4 augustus 2010, tot uitgangspunt genomen.

Kort gezegd heeft de veroordeelde voordeel genoten door het volgende. De vleesbedrijven [X] en [Y] factureerden hoeveelheden vlees aan de veroordeelde, terwijl dat vlees nooit werd geleverd. Vervolgens factureerde de veroordeelde dezelfde hoeveelheden vlees terug aan [X] en [Y] met de vermelding dat het om halalvlees ging. Zodoende konden [X] en [Y] het vlees dat niet halal was geslacht wel als halalvlees verkopen. De veroordeelde factureerde aan [X] en [Y] met een opslag van 7 cent per kilo vlees(product). Per kilo vlees(product) dat op voormelde wijze vals/valselijk werd gefactureerd verdiende de veroordeelde dan ook 7 cent.

In totaal is op deze wijze 1.041.149 kilo vlees gefactureerd met een opslag van 7 cent. Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan derhalve worden vastgesteld op 1.041.149 x € 0,07 = € 72.880,43.

Kosten die in mindering zouden moeten worden gebracht op dit voordeel zijn niet gesteld of gebleken. Wel heeft de verdediging betoogd dat een vordering van € 83.000,00 die de veroordeelde op [vleeshandelaar]/[X]/[Y] had, in mindering zou moeten worden gebracht. Het hof verwerpt dit betoog. Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden slechts aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. Nog afgezien van de vraag of de vordering in rechte is toegekend of zelfs maar vaststaat, stelt het hof vast dat de veroordeelde heeft getracht door het plegen van valsheid in geschrifte een eigen vordering te innen. Het kan niet zo zijn dat een verrekening die de veroordeelde op illegale wijze heeft getracht te effectueren, in deze ontnemingsprocedure alsnog wordt gelegitimeerd.

Dat de vordering van de veroordeelde niet wordt verrekend met het wederrechtelijk verkregen voordeel is niet in strijd met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel zoals door de raadsman van veroordeelde is betoogd. De veroordeelde verkeert thans immers, evenals voor deze ontnemingsprocedure, in de positie om op rechtmatige wijze zijn beweerdelijke vordering te innen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Op te leggen betalingsverplichting

Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 72.880,43 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 72.880,43 (tweeënzeventigduizend achthonderdtachtig euro en drieënveertig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 72.880,43 (tweeënzeventigduizend achthonderdtachtig euro en drieënveertig cent).

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof, griffier,

en op 2 mei 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.