Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA0822

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-05-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
HV 200.121.915
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:253g BW en 1:377a BW.

Moeder oefende alleen gezag uit over minderjarige (geboren in 2000).

Vader en dochter geen enkel contact meer sinds 2006.

Moeder overlijdt in 2012.

Vader verzoekt gezag en reguliere omgangsregeling.

Rechtbank en hof wijzen verzoeken af.

Vader en dochter zijn vervreemd van elkaar en door cultuurverschillen tussen hen is het lastig om band weer op te bouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 23 mei 2013

Zaaknummer: HV 200.121.915/01

Zaaknummers eerste aanleg: 253035 FA RK 12-3901 en 255694 FA RK 12-5087

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Amrani,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Breda,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 20 november 2012, zoals hersteld bij beschikking van 30 november 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 februari 2013, heeft de vader verzocht voormelde beschikking van 20 november 2012 en (naar het hof begrijpt) de herstelbeschikking van 30 november 2012 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:

Primair:

-de vader met het gezag over de minderjarige [dochter] wordt belast;

-een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [dochter] wordt vastgesteld met een frequentie van één weekend met veertien dagen alsmede de helft van de schoolvakanties.

Subsidiair:

-de raad nader onderzoek zal doen naar de wens van de vader om hem met het gezag te bekleden;

-op welke termijn en op welke wijze de stichting dient te kijken naar het contact en de omgang tussen de vader en de minderjarige [dochter] met vaststelling van een voorlopige omgangsregeling van een weekend per veertien dagen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 maart 2013, heeft Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: de stichting) verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen.

2.3.1. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

-de vader, bijgestaan door mr. C.J. Gebuijs, kantoorgenoot van mr. Amrani. Tevens is de vader bijgestaan door een beëdigde tolk in de Engelse taal, de heer J. Hynd;

-de raad, vertegenwoordigd door de heer mr. W. Bekker;

-de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw T. Willemsen en mevrouw I. van Dinter.

2.3.2. Het hof heeft de minderjarige [dochter] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en zij is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlagen van de stichting d.d. 18 februari 2013.

3. De beoordeling

3.1. Uit het op 10 januari 2006 ontbonden huwelijk van de vader en mevrouw [Y.] (hierna: de moeder) is geboren:

- [Z.] (hierna: [dochter]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats].

Bij beschikking van 4 juni 2008 is bepaald dat de moeder alleen wordt belast met het gezag over [dochter]. De moeder is op 6 augustus 2012 overleden. [dochter] verblijft sedert november 2012 in het gezin van de familie [pleeggezin].

3.2. Bij beschikking van 20 augustus 2012 heeft de rechtbank de stichting belast met de voorlopige voogdij over [dochter].

Bij beschikking van 18 september 2012 heeft de rechtbank de beschikking van 20 augustus 2012 gehandhaafd met het verzoek aan de raad een onderzoek in te stellen.

3.3. Bij de bestreden beschikking van 20 november 2012, zoals hersteld bij beschikking van 30 november 2012, heeft de rechtbank de stichting belast met de voogdij over [dochter].

Verder heeft de rechtbank het verzoek van de vader, om hem te bekleden met het gezag over [dochter], afgewezen.

Tot slot heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot bepaling dat het hoofdverblijf van [dochter] bij hem zal zijn buiten (verdere) behandeling gesteld.

3.4. De vader kan zich met de inhoud van de bestreden beschikking niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. In zijn beroepschrift voert hij, kort samengevat, aan dat hij de overlevende ouder en de enig resterende directe bloedverwant van [dochter] is, zodat hij de meest aangewezen persoon is om verder de verantwoordelijkheid voor [dochter] op zich te nemen.

De vader heeft altijd opengestaan voor contact met [dochter], maar hij respecteerde de wens van de moeder die na de echtscheiding geen contact meer met hem wilde hebben. Als gevolg daarvan is er gedurende enige jaren geen contact geweest tussen de vader en [dochter].

De vader is van mening dat de huidige afspraken een te vrijblijvend karakter hebben, nu de rechtbank op geen enkele wijze heeft aangegeven op welke termijn de stichting dient te kijken naar de omgang tussen de vader en [dochter].

3.5. De stichting voert in het verweerschrift, kort samengevat, aan dat [dochter] weinig van de vader en zijn Nigeriaanse gebruiken en eisen begrijpt en dat het moeilijk communiceren is met hem. [dochter] heeft (ongeveer) één keer in de vier weken een begeleid bezoek van één uur met de vader. Inmiddels hebben er vier bezoeken plaatsgevonden. Voor [dochter] is het van belang dat deze bezoeken begeleid worden, omdat ze nog niet alleen durft te zijn met de vader. Dit belemmert een ontspannen contact tussen de vader en [dochter]. Het feit dat de vader – zonder dit vooraf te hebben aangegeven aan de stichting, pleegzorg of [dochter] – de voogdij aanvecht, bevestigt [dochter] in deze angst.

Tijdens de bezoeken is duidelijk zichtbaar dat [dochter] en de vader nog aan elkaar moeten wennen. De invulling van het bezoek wordt door de voogdijwerker bepaald. Er komen niet echt gesprekken tussen de vader en [dochter] tot stand.

Verder praat de vader negatief over mensen die belangrijk zijn voor [dochter] en realiseert zich hierbij niet dat dit voor [dochter] belastend is.

3.6. De raad heeft ter zitting van het hof geadviseerd dat het in het belang van [dochter] is wanneer het appel van de vader wordt afgewezen.

Het hof overweegt het volgende.

Raadsonderzoek

3.7. Het hof acht zich, voor zover de vader heeft verzocht om een (hernieuwd) onderzoek door de raad, op grond van de stukken en mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een onderzoek te gelasten.

Gezag

3.8.1. In de onderhavige zaak wordt het wettelijk kader gevormd door artikel 1:253g van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Ingevolge lid 1 bepaalt de rechter, indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kinderen alleen uitoefent, dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over deze kinderen wordt belast.

De rechter doet dit op verzoek van de raad, de overlevende ouder of ambtshalve (lid 2).

Door het overlijden van de moeder was een gezagsvacuüm ontstaan ten aanzien van [dochter]. De raad heeft in dat verband de rechtbank verzocht de stichting te benoemen tot voogdes, omdat de raad het niet in het belang van [dochter] acht om de vader te belasten met het gezag over [dochter]. De rechtbank heeft overeenkomstig dit verzoek beslist.

Uit het bepaalde in lid 3 van vermeld wetsartikel volgt dat het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten slechts wordt afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.

3.8.2. Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de vader in het verleden nauwelijks een actieve rol heeft gehad in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [dochter]. De vader heeft tijdens het huwelijk met de moeder gedurende een aantal jaren gedetineerd gezeten en na de echtscheiding in 2006 is er in het geheel geen contact meer met [dochter] geweest. In augustus 2012 is het contact, dit in verband met het overlijden van de moeder, tussen de vader en [dochter] hersteld. Deze lange periode van geen contact heeft met zich gebracht dat [dochter] van haar vader vervreemd is en het contact tussen hen moeizaam verloopt. [dochter] is opgevoed in de Nederlandse cultuur en zij kent de vader en zijn Afrikaanse tradities niet. Daarbij komt dat de vader de Nederlandse taal nauwelijks machtig is, zij in het Engels met elkaar moeten communiceren en dat [dochter] en de vader elkaar niet altijd goed begrijpen.

In raadkamer heeft [dochter] verklaard dat de vader voor haar niet voelt als een vader en dat, onder meer, de cultuurverschillen tussen hen beiden het lastig maakt om een band met elkaar op te bouwen. Zij ervaart hem als een dwingende strenge man.

3.8.3. Verder blijkt uit de stukken dat de vader weinig zicht op behoeften van [dochter] heeft. Ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep laat de vader zien dat hij, weliswaar met de beste bedoelingen, meer van [dochter] wil dan [dochter] op dit moment aankan.

Hoewel [dochter] een band wil opbouwen met haar vader, geeft zij aan soms bang te zijn dat haar vader haar mee zal nemen naar Nigeria. Daarnaast is [dochter] nog druk doende om haar plek te vinden in het pleeggezin waar zij thans verblijft. Zij zal daarin een positie moeten krijgen, hetgeen een proces is waarvoor [dochter] de tijd zal moeten krijgen. [dochter] heeft hierin begeleiding nodig, die, naar het oordeel van het hof, het beste uitgevoerd kan worden door de stichting.

3.8.4. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat bij inwilliging van het inleidend verzoek van de vader gegronde vrees bestaat dat de belangen van [dochter] zullen worden verwaarloosd. Het hof is om die reden van oordeel dat [dochter] het meest gebaat is bij gezagsuitoefening door een neutrale instantie, zoals de stichting.

Het verzoek de vader om hem belasten met het gezag over [dochter], zal dan ook worden afgewezen.

Omgangsregeling

3.9.1. Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.

3.9.2. Uit de stukken is gebleken dat de – door de stichting begeleide – contactmomenten tussen de vader en [dochter] moeizaam verlopen. De vader toont tijdens die contacten weinig initiatieven en gesprekken komen niet of nauwelijks tot stand; sturing van de stichting is hierbij noodzakelijk. [dochter] heeft in raadkamer verklaard dat zij niet alleen wil zijn met de vader en dat zij de huidige regeling waarin zij één uur per vier weken contact heeft met haar vader, genoeg vindt. [dochter] ervaart de begeleiding van de stichting hierbij als prettig.

Het hof is van oordeel dat, zolang de noodzaak nog bestaat om de contacten tussen [dochter] en de vader te laten begeleiden door de stichting, een reguliere omgangsregeling tussen de vader en [dochter] niet aan de orde kan zijn. Op dit moment zou dit contraproductief werken, temeer nu [dochter] nog midden in een rouwproces zit en zij, zoals hiervoor reeds opgemerkt, nog doende is haar plek in het pleeggezin te vinden. Met de stichting, acht het hof de huidige begeleide omgangsregeling het meest in [dochter]’s belang.

[dochter]’s tempo dient hierin gevolgd te worden en met de huidige contactregeling is de grens van de draagkracht van [dochter] bereikt.

Wanneer de vader en [dochter] elkaar beter hebben leren kennen, [dochter] niet meer bang is voor hem en zij een (vertrouwens-)band hebben opgebouwd, kan er pas sprake zijn een eventuele structurele omgangsregeling.

Een bepaalde termijn, zoals de vader verzoekt, kan het hof hier niet voor geven, nu dit voornoemd proces afhankelijk is van de ontwikkeling die zowel de vader als [dochter] doormaken.

Het hof zal het verzoek van de vader tot vaststelling van omgangsregeling dan ook afwijzen.

3.10. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Breda van 20 november 2012, zoals hersteld bij beschikking van 30 november 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, M.C. Bijleveld-van der Slikke en S.W.E. Rutten en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2013.