Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA0715

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
20-004050-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stroomdiefstal. Afwijzen vordering benadeelde partij voor zover betrekking hebbend op kosten, gemaakt in opdracht van de politie in het kader van het opsporingsonderzoek. Dergelijke kosten plegen niet op individuele burgers te worden afgewenteld. Door inschakeling van de -mogelijke- benadeelde in het opsporingsonderzoek, welke benadeelde die kosten vervolgens via privaatrechtelijke weg op de verdachte tracht te verhalen, wordt op onaanvaardbare wijze dit uitgangspunt doorkruist. De vooronderzoekskosten netmeting en netwerkkosten electriciteit merkt het hof aan als kosten ten behoeve van het opsporingsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004050-11

Uitspraak : 16 mei 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 19 oktober 2011 in de strafzaak met parketnummer 03-058173-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd - het telen van hennep (feit 1) en diefstal van stroom, in vereniging gepleegd, door middel van verbreking (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 weken, waarvan 10 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Voorts heeft de eerste rechter beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij en in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig weken, waarvan tien weken voorwaardelijk met twee jaar proeftijd, met onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij Enexis B.V. en met de schadevergoedingsmaatregel overeenkomstig de beslissing van de eerste rechter.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft bewezen verklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en bepleit dat aan de verdachte een minder zware straf zal worden opgelegd dan door de eerste rechter is gedaan en door de advocaat-generaal gevorderd, te weten een voorwaardelijke gevangenisstraf, met daarnaast eventueel een taakstraf.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere kwalificatie komt dan de eerste rechter van het onder 2 bewezen verklaarde feit.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1:

hij in de periode van 25 januari 2010 tot 8 april 2010 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 787 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2:

hij in de periode van 25 januari 2010 tot 8 april 2010 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:

hij in de periode van 25 januari 2010 tot 8 april 2010 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [adres] een hoeveelheid van 787 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2:

hij in de periode van 25 januari 2010 tot 8 april 2010 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen electriciteit, toebehorende aan Enexis BV, waarbij hij het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde feit is voorzien bij artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, van die wet.

Het onder 2 bewezen verklaarde feit is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het feit heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder gelet op:

????de omstandigheid dat het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte de handel in softdrugs heeft bevorderd, welke handel (vaak) allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten veroorzaakt, terwijl daarnaast wetenschappelijk is aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden;

????de mate waarin feiten zoals het onder 2 bewezen verklaarde in het algemeen schade teweeg brengen aan de eigenaar van het weggenomen goed.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

????de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

1 augustus 2012, waaruit blijkt dat hij reeds tweemaal eerder wegens hennepteelt is veroordeeld door de strafrechter tot respectievelijk een geldboete en een werkstraf;

???de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alles tegen elkaar afwegende komt het hof tot oplegging van een gevangenisstraf die lager is dan door de advocaat-generaal is gevorderd, doch hoger dan door de raadsman van verdachte is bepleit.

Het hof acht een gevangenisstraf voor de na te melden duur passend en geboden.

Gelet op het vorenstaande ziet het hof er dus geen ruimte voor om -zoals door de raadsman bepleit- aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast eventueel een taakstraf op te leggen.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen worden door het hof beschouwd als een gezamenlijkheid van voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan en van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet, op grond waarvan het hof deze voorwerpen aan het verkeer onttrokken zal verklaren.

Benadeelde partij

De benadeelde partij Enexis BV heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van €. 5.038,01, bestaande uit materiële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.270,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 384,- .

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het aanvankelijk opgegeven beloop van de vordering en tevens verzocht een vergoeding ter hoogte van € 632,- toe te kennen voor de kosten van rechtsbijstand in beide instanties.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij Enexis BV als gevolg van verdachtes onder feit 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

Het hof zal de vordering afwijzen voor zover deze betrekking heeft op kosten die door Enexis gemaakt zijn in opdracht van de politie Kerkrade in het kader van het opsporingsonderzoek. Dergelijke kosten plegen niet op individuele burgers te worden afgewenteld. Door inschakeling van de -mogelijke- benadeelde in het opsporingsonderzoek, welke benadeelde die kosten vervolgens via privaatrechtelijke weg op de verdachte tracht te verhalen, wordt op onaanvaardbare wijze deze dit uitgangspunt doorkruist. De in het voegingsformulier onder punt 3 en 4 vermelde vooronderzoekskosten netmeting en netwerkkosten electriciteit, tezamen € 561,11, merkt het hof aan als kosten ten behoeve van het opsporingsonderzoek. Het hof zal deze posten dan ook afwijzen.

Het totaalbedrag van de schade die voor toewijzing vatbaar is komt daarmee op een bedrag van €. 3.708,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2010. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden, nu verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. Het hof heeft daarbij wat betreft de kosten in eerste aanleg acht geslagen op het liquidatietarief zoals dat geldt voor kantonzaken. Ter zake van de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg zal het hof een bedrag van € 384,00 toekennen (1 punt), voor de procedure in hoger beroep € 192,00

(½ punt).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36b, 36c, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

2. diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 61 transformators;

- 61 assimilatielampen;

- 9 koolstoffilters;

- 4 afzuiginstallaties;

- 3 schakelpanelen;

- 7 verwarmingsapparaten (kachels);

- 34 ventilatoren;

- 5 pompen;

- 1 hygrometer;

- 3 beluchtingspompen;

- 3 klimaatbeheersers;

- 2 verwarmingselementen;

- 294 hennepplanten;

- 254 hennepplanten;

- 239 hennepplanten.

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Enexis BV ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.708,90 (drieduizend zevenhonderdacht euro en negentig cent) ter zake van materiële schade toe en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 576,00 (vijfhonderdzesenzeventig euro).

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van Enexis BV, een bedrag te betalen van € 3.708,90 (drieduizend zevenhonderdacht euro en negentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 (zevenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman- van Asten, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. H.D. Bergkotte, raadsheren,

in tegenwoordigheid van A. van Baast, griffier,

en op 16 mei 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.