Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA0455

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-05-2013
Datum publicatie
17-05-2013
Zaaknummer
HD 200.116.533
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad gemeente; verstrekken van informatie; vermeerdering grondslag eis bij verstek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.116.533

arrest van 14 mei 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. E. Beele,

tegen:

de gemeente Oisterwijk,

zetelend te Oisterwijk,

geïntimeerde,

in hoger beroep niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 oktober 2012 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Breda gewezen vonnissen van 18 april 2012 en 4 juli 2012 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - de Gemeente - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 238027/HA ZA 11-1202)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het daaraan voorafgegane vonnis van 14 december 2011 waarbij een comparitie is gelast.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van een productie drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot veroordeling van de Gemeente aan [appellant] een bedrag van € 241.010,34 te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van beide instanties.

2.2. Tegen de Gemeente is verstek verleend.

2.3. [appellant] heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 De grieven richten zich niet tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 3.1 van het vonnis van 18 april 2012. Het hof zal de feiten hierna - voor zover in hoger beroep relevant - opnieuw relateren.

4.2 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(a) Op 21 december 2006 heeft [appellant] bij de Gemeente een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend voor de nieuwbouw van een woning aan de

[straatnaam] [huisnummer] te [woonplaats] (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg).

(b) Het bouwplan bevatte onderdelen die in strijd waren met het geldende bestemmingsplan. Om die reden werd een vrijstellingsprocedure noodzakelijk geacht. Het college van B&W van de Gemeente heeft op 10 mei 2007 de vergunningaanvraag en zijn voornemen om de vrijstelling en de daarmee samenhangende vergunning met toepassing van artikel 19 lid 2 WRO, te verlenen ter inzage gelegd.

(c) Tegen het bouwplan zijn zienswijzen ingediend namens [buurvrouw], een buurvrouw van [appellant] (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg). De bezwaren hadden onder meer betrekking op de diepte van het hoofdgebouw, de goothoogte en de maximale bouwhoogte.

(d) De Gemeente heeft op 18 september 2007 besloten de bouwvergunning te verlenen, met bijbehorende vrijstelling van het geldende bestemmingsplan, op grond van artikel

19 lid 2 WRO.

(e) [buurvrouw] voornoemd heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Laatstgenoemde heeft bij uitspraak van 3 december 2007 (productie 7 bij dagvaarding in eerste aanleg) het bestreden besluit geschorst tot vier weken na de verzending van de beslissing op bezwaar. Daarbij heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de Gemeente aan [buurvrouw] het door haar betaalde griffierecht diende te vergoeden, en is de Gemeente veroordeeld in de proceskosten van [buurvrouw] tot een bedrag van € 644.

Blijkens de uitspraak was vergunninghouder [appellant] bij de behandeling aanwezig, bijgestaan door zijn advocaat.

(f) De bezwaarschriftencommissie van de Gemeente heeft geadviseerd het besluit te herroepen en in de plaats daarvan, met inachtneming van hetgeen de commissie in haar advies had overwogen, een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van

21 december 2006 (productie 6 bij dagvaarding in eerste aanleg).

(g) De Gemeente heeft aan [appellant] een advies van de huisadvocaat van de Gemeente

d.d. 17 maart 2008 ter hand gesteld (productie 8 bij dagvaarding in eerste aanleg). Daarbij heeft zij [appellant] meegedeeld dat zij voornemens was om het besluit inzake de bouwvergunning en het vrijstellingsbesluit ambtshalve te herroepen en de aanvraag alsnog te weigeren.

Het advies van de huisadvocaat bevat de volgende conclusie:

"Mijn conclusie is dat het college slechts bevoegd is om vrijstelling te verlenen voor het onderhavige bouwplan op grond van artikel 19, derde lid, WRO. Daarbij dient te worden voldaan aan de beleidsregels die het college zelf heeft opgesteld. Indien zou blijken dat het bouwplan niet voldoet aan de beleidsregels, kan onder bijzondere omstandigheden (artikel 4:84 Awb) van de beleidsregels worden afgeweken. In beginsel geldt dat niet voor hoogte, breedte etc., omdat dergelijke zaken geacht moeten te zijn meegewogen in de belangenafweging die heeft geleid tot de beleidsregel. Indien het op grond van de huidige beleidsregels, inclusief de inherente afwijkingsbevoegdheid ex artikel 4:84 Awb, niet mogelijk is om de bouwvergunning met vrijstelling te verlenen, resteert enkel nog de mogelijkheid om de beleidsregels te wijzigen. Of dat in dit geval handende bezwaar mogelijk is, kan worden betwijfeld. Bij gebleken strijd met de thans vigerende beleidsregels, zou het wel de enige mogelijkheid zijn om de bouwvergunning te kunnen verlenen."

(h) [appellant] heeft [buurvrouw] aangeboden om zijn bouwplan aan te passen conform de eisen van [buurvrouw], op voorwaarde dat zij haar bezwaar zou intrekken. Bij brief van

3 september 2008 (productie 9 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft de advocaat van [appellant] hiervan mededeling gedaan aan de Gemeente en verzocht het gewijzigde bouwplan als zodanig in behandeling te nemen en hierop met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 Awb een nader besluit te nemen.

(i) In een gesprek op 8 december 2008 met [appellant] heeft wethouder Van den Bosch van de Gemeente voorgesteld om medewerking te verlenen aan het bouwplan, mits [appellant] geen schadevergoeding van de Gemeente zou vorderen. [appellant] heeft daarop positief gereageerd.

(j) Bij e-mail van 28 januari 2009 (productie 11 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft een ambtenaar van de Gemeente aan [appellant] onder meer bericht:

"(...) We hebben de toezegging van de wethouder nog eens bekeken en denken hiermee toch een verkeerde weg in te slaan.

Ook al beweert de heer Beele anders, wij blijven van mening dat het voortzetten van de huidige procedure juridisch niet correct is.

Daarom zal het collegevoorstel voor volgende week (3 februari) ook voorgesteld worden om de bouwvergunning en de vrijstelling alsnog te weigeren.

We zien gewoonweg geen andere optie. De gehele onderbouwing voor dit besluit, zal in de beslissing op bezwaar opgenomen zijn. (...)

Ik had graag een positievere reactie gestuurd.

Ook het aanpassen van het bouwplan voor de artikel 19 lid 3 procedure was geen mogelijkheid, omdat dan geen sprake meer zou zijn van een wijziging van ondergeschikt belang."

(k) Bij besluit op bezwaar van 4 februari 2009 (productie 12 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft de Gemeente besloten het bestreden besluit te herroepen en alsnog de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning te weigeren. In het besluit worden zes strijdigheden met het bestemmingsplan opgesomd; een van deze strijdigheden is het feit dat volgens het bouwplan de goothoogte 6 meter bedraagt terwijl de maximaal toelaatbare goothoogte van hoofdgebouwen volgens artikel 3 lid 1 sub a van het bestemmingsplan 4 meter bedraagt. Vervolgens overweegt de Gemeente onder meer:

"Wij hebben vervolgens bekeken of gelet op de beleidsregels bij artikel 19 lid 3 WRO vrijstelling kan worden verleend. De beleidsregels bepalen dat geen toepassing aan artikel 19 lid 3 WRO gegeven kan worden als de uitbreiding hoger is dan 6 meter.

Omdat de bouwhoogte van de uitbreiding (goothoogte en diepte hoofdgebouw) hoger is dan 6 meter kan in casu geen vrijstelling worden verleend aan het bouwplan.

Bij het primaire besluit hadden wij toepassing gegeven aan artikel 19 lid 2 WRO. Uit het onderzoek naar de mogelijke toepasbaarheid van artikel 19 lid 3 blijkt nu dat het eerder ingenomen standpunt onjuist is geweest."

(l) [appellant] heeft tegen dit besluit op 13 maart 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank Breda, sector bestuursrecht.

(m) Op 20 april 2009 heeft [appellant] een hernieuwde aanvraag voor een bouwvergunning ingediend, waarbij een geheel nieuwe tekening is gemaakt.

Op 1 juli 2009 is daarop de bouwvergunning verleend. [buurvrouw] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 9 november 2009 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

De gemeente heeft de bezwaren van [buurvrouw] ongegrond verklaard, en tegen die beslissing heeft [buurvrouw] geen beroep ingesteld.

(n) De rechtbank Breda, sector bestuursrecht, heeft bij uitspraak van 1 februari 2010 het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 februari 2009 van de Gemeente gegrond verklaard (productie 14 bij dagvaarding in eerste aanleg).

(o) De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in hoger beroep d.d.

20 oktober 2010 (productie 15 bij dagvaarding in eerste aanleg) het hoger beroep van de Gemeente tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 februari 2010 gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling in rechtsoverweging 2.3.2 onder meer het volgende overwogen:

"Niet in geschil is dat aan de wettelijke vereisten voor toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in verbinding met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 is voldaan en dat aldus medewerking aan het bouwplan zou kunnen worden verleend.

Het college is daartoe echter niet bereid, omdat zulks in strijd is met de beleidsregels "Beleidsregels artikel 19 lid 3 juncto artikel 20 Bro". Volgens artikel 3 van die beleidsregels, voor zover thans van belang, komt een uitbreiding van een woongebouw voor toepassing van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder A, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 slechts in aanmerking als de uitbreiding een maximale hoogte heeft van 6 m. Niet in geschil is dat het bouwplan voorziet in een uitbreiding met een hoogte van meer dan 6 m. Het college heeft door te verwijzen naar deze beleidsregels de weigering toepassing te geven aan artikel 19, derde lid, van de WAO voldoende gemotiveerd.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, komt onder deze omstandigheden aan het beroep op andere vrijstellingsmogelijkheden, wat daar verder van zijn, geen zelfstandige betekenis toe."

4.3 In eerste aanleg heeft [appellant] van de Gemeente betaling gevorderd van € 241.010,34 in verband met onrechtmatige besluitvorming. De Gemeente heeft de onrechtmatige besluitvorming erkend, maar gesteld dat er geen causaal verband was tussen de schade en het onrechtmatige besluit.

In het vonnis van 18 april 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het nemen van het niet in stand gebleven besluit een rechtsgeldig besluit genomen had kunnen worden en dat in zoverre het causaal verband tussen de gevorderde vertragingsschade en het onrechtmatig genomen besluit ontbreekt. Causaal verband is er naar het oordeel van de rechtbank wel voor zover en zo lang als

[appellant] erop heeft vertrouwd en mogen vertrouwen dat hij beschikte over een bouwvergunning. Daardoor komen kosten die gemaakt zijn in de periode 18 september 2007 tot 3 december 2007 voor vergoeding in aanmerking. Kosten in verband met het al beginnen met bouwen voordat de bouwvergunning definitief was verleend blijven echter voor rekening van [appellant]. Daarom komen alleen advocaatkosten voor vergoeding in aanmerking, en daarvan alleen de kosten die gemaakt zijn in verband met de verdediging van het primaire besluit bij de voorzieningenrechter. In het tussenvonnis heeft de rechtbank [appellant] ten slotte in de gelegenheid gesteld die kosten te specificeren.

Omdat [appellant] dat vervolgens niet heeft gedaan is de vordering in het eindvonnis afgewezen.

4.4 Grief I richt zich tegen rechtsoverweging 3.4 van het vonnis van 18 april 2012 waarin de rechtbank onder meer heeft overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat op basis van zijn aanvraag van 21 december 2006 een vergunning verleend had kunnen worden.

In de grief wordt er daarbij van uit gegaan dat de gemeente Oisterwijk aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden vertragingsschade indien de op 21 december 2006 aangevraagde vergunning, met een juiste procedure, wel verleend had kunnen worden.

De grief bedoelt daarbij aan te sluiten op het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2009, NJ 2009/515, en voert aan dat aan de hier bedoelde norm ook is voldaan indien de aangevraagde bouwvergunning na ondergeschikte wijzigingen verleend had kunnen worden. Volgens [appellant] had weliswaar geen bouwvergunning verleend kunnen worden voor de aanvraag zoals ingediend (met een goothoogte van het hoofddeel van 6 meter), maar had dat wel gekund wanneer de goothoogte was verlaagd naar 5 meter. Volgens [appellant] is dat een ondergeschikte wijziging.

4.5 Het hof deelt niet het oordeel van [appellant] dat wanneer een goothoogte verlaagd wordt van zes naar vijf meter sprake is van een ondergeschikte wijziging in de door

[appellant] gestelde zin. Het hof hoeft dan ook niet in te gaan op de vraag of het beroep van [appellant] opgenoemd arrest van de Hoge Raad opgaat, nu in dit geval niet kan worden aangenomen dat op grond van de door [appellant] ingediende aanvraag een rechtsgeldige vergunning kon worden verleend.

4.6 Grief II - die subsidiair is aan grief I - keert zich eveneens tegen rechtsoverweging 3.4 van het vonnis van 18 april 2012, en met name tegen het oordeel van de rechtbank dat in het geval dat vertragingsschade wordt gevorderd de vergunninghouder aannemelijk moeten maken dat ten tijde van het nemen van het niet in stand gebleven besluit een rechtsgeldige besluit genomen had kunnen worden. De toelichting op deze grief komt erop neer dat de Gemeente niet alleen onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij bij het formele besluit een bouwvergunning te verlenen de wet verkeerd heeft toegepast, maar ook doordat zij in de overlegperiode voorafgaand aan het formele besluit onrechtmatig heeft gehandeld. [appellant] voert aan dat hij, zou de Gemeente hem van meet af aan juist hebben voorgelicht, zijn bouwplan direct zou hebben aangepast en niet pas in 2009.

4.7 Het hof overweegt als volgt.

In eerste aanleg heeft [appellant] aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij op

21 december 2006, na het gebruikelijke vooroverleg met de Gemeente, een aanvraag voor een bouwvergunning heeft ingediend en vervolgens die vordering gebaseerd op de onrechtmatigheid van het (aanvankelijk) verlenen van de bouwvergunning.

Thans voert [appellant] aan dat in het kader van het vooroverleg met de Gemeente gesproken is over de (concept)aanvraag en de vraag of deze vergunbaar was.

De Gemeente heeft - zoals zij heeft erkend - onrechtmatig gehandeld door bij het formele besluit tot bouwvergunningverlening de wet verkeerd toe te passen; het is volgens [appellant] evenzeer onrechtmatig om in de overlegperiode voorafgaand aan het formele besluit de wet, op precies dezelfde wijze, onrechtmatig te (willen gaan) toepassen. [appellant] wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2005, NJ 2006, 93, waar - aldus [appellant] - "de al dan niet onrechtmatigheid in de voorbereidingsprocedure van het besluit in ieder geval voor de toepassing van de leer van de formele rechtskracht bij de al dan niet onrechtmatigheid van het besluit zelf wordt ondergebracht" (§53).

Volgens [appellant] heeft de rechtbank "ten onrechte geoordeeld dat er alleen reden is vertragingsschade te vergoeden als de aangevraagde vergunning verleend had kunnen worden. Dit is onjuist, omdat vertragingsschade ook dient te worden vergoed, zoals aangepast na een vooroverleg waarbij het bevoegd gezag geen fouten maakt, vergund had kunnen worden" (§60).

[appellant] voert aan dat "ook op deze grond" (§62) de gevorderde schade door de Gemeente vergoed dient te worden.

4.8 Voor zover de grief aldus moet worden begrepen, dat onrechtmatigheid in de voorbereidingsprocedure op één lijn moet worden gesteld met onrechtmatigheid bij het verlenen van een vergunning faalt de grief, nu grief I faalt.

Voor zover de grief een nieuwe grondslag aanvoert voor de vordering van [appellant], te weten dat sprake is van een zelfstandige onrechtmatige daad van de Gemeente (dat de Gemeente ten onrechte onjuiste inlichtingen heeft verschaft aan [appellant] en [appellant] daardoor op het verkeerde been heeft gezet, waardoor [appellant] schade heeft geleden) geldt het volgende.

Indien een belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem door een overheidsorgaan zoals een gemeente juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens de belanghebbende en dat de gemeente deswege jegens de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet (HR 25 mei 2012, NJ 2012, 340).

Kennelijk doet [appellant] hierop in appel een beroep.

Daarbij is dan sprake van een nieuwe, zelfstandige grondslag voor de vordering, die als vermeerdering van eis ook in hoger beroep kan worden aangevoerd.

In dit geval is echter de Gemeente in hoger beroep niet verschenen. De Gemeente heeft dan ook niet in kunnen gaan op de door [appellant] in eerste aanleg niet aangevoerde stelling dat ook in het vooroverleg door de Gemeente concrete (en onjuiste) mededelingen zijn gedaan over de mogelijkheden van het verkrijgen van een bouwvergunning door [appellant].

Nu de Gemeente in hoger beroep niet is verschenen, is een dergelijke vermeerdering van eis alleen mogelijk als de eiser die vermeerdering tijdig bij exploot aan de wederpartij heeft kenbaar gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijk exploot is uitgebracht.

[appellant] kan dan ook in de vordering op deze grondslag niet worden ontvangen, zodat de grief faalt.

4.9 Grief III keert zich tegen rechtsoverweging 2.2 van het vonnis van 4 juli 2012. Daarin overweegt de rechtbank dat uit de op verzoek van de rechtbank overgelegde specificatie van de kosten, gemaakt voor de behandeling van de zaak bij de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht, niet blijkt van kosten gemaakt in de van belang zijnde periode van 18 september 2007 tot 3 december 2007. [appellant] voert aan dat sprake is geweest van een omissie, en dat de verkeerde specificatie is overgelegd. [appellant] heeft vervolgens facturen van 18 december 2007 en 31 december 2007 overgelegd met de bijbehorende specificatie. Op grond daarvan vordert [appellant] een bedrag groot € 5.527,03.

4.10 De grief richt zich niet tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van

18 april 2012, inhoudende dat alle in §38 van de dagvaarding in eerste aanleg gevorderde schadeposten moeten worden afgewezen, behoudens die advocatenkosten die zijn gemaakt in verband met de verdediging van het primaire besluit van de Gemeente bij de voorzieningenrechter in de periode 18 september 2007 tot 3 december 2007.

In dat vonnis heeft de rechtbank geconstateerd dat uit de door [appellant] overgelegde producties niet blijkt welke kosten voor de behandeling van deze zaak zijn gemaakt, en

[appellant] in de gelegenheid gesteld alsnog een onderbouwde specificatie te geven.

Nadat [appellant] bij akte een specificatie had overgelegd heeft de rechtbank in haar eindvonnis geconstateerd dat in die specificatie geen kosten waren opgenomen die betrekking hadden op de periode 18 september 2007 tot 3 december 2007 en de vordering ook wat betreft deze kosten afgewezen.

Uit de thans overgelegde stukken kan worden afgeleid dat [appellant] deze omissie alsnog heeft hersteld.

4.11 In eerste aanleg heeft de Gemeente aangevoerd dat kosten die in een bestuursrechtelijke procedure zijn gemaakt niet in een civiele procedure voor vergoeding in aanmerking komen en daarbij verwezen naar artikel 8:75 en 7:15 lid 2 Awb (conclusie van antwoord §7.31). De Gemeente heeft dit standpunt herhaald in haar antwoordakte van

30 mei 2012 en geconcludeerd tot onbevoegdheid van de burgerlijke rechter.

4.12 Over deze stellingen van de Gemeente overweegt het hof als volgt.

Anders dan de Gemeente in eerste aanleg heeft aangevoerd is de burgerlijke rechter bevoegd de vordering van [appellant] wat dit betreft te beoordelen. [appellant] heeft de vordering tot betaling van proceskosten immers gebaseerd op onrechtmatig handelen van de Gemeente en vergoeding van de daardoor ontstane schade gevraagd, zodat de burgerlijke rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Bij het bestaan van een op de wet gebaseerde forfaitaire regeling van de proceskosten bestaat slechts in zeer bijzondere gevallen grond de partij die in een procedure in het ongelijk is gesteld op grond van onrechtmatige daad te veroordelen tot vergoeding van de gehele schade die de wederpartij als gevolg van het voeren van die procedure heeft geleden. In andere gevallen brengen de wettelijke forfaitaire regelingen van de proceskosten mee dat de vordering tot betaling van proceskosten, ook al zou zij op onrechtmatige daad zijn gebaseerd, slechts kan worden toegewezen tot het bedrag dat daartoe op de voet van de toepasselijke regeling door de rechter zou moeten worden bepaald

(vgl. HR 17 december 2004, LJN AQ3810, NJ 2005, 361, rechtsoverweging 3.3).

4.13 In dit geval was [appellant] zelf geen partij in de voor de voorzieningenrechter dienende zaak, maar is hij kennelijk op de voet van artikel 8:26 Awb in de gelegenheid gesteld aan het geding deel te nemen. Naar het oordeel van het hof dient [appellant] ten aanzien van de proceskostenbeslissing in het geschil tussen de Gemeente en [buurvrouw] op dezelfde voet te worden behandeld als de partijen ([buurvrouw] en de Gemeente).

De voorzieningenrechter heeft in dat geschil wel een proceskostenvergoeding vastgesteld ten behoeve van [buurvrouw], maar niet ten behoeve van [appellant], en hij heeft daaraan ook geen overwegingen gewijd in het vonnis.

4.14 Nu ook de Algemene wet bestuursrecht een forfaitaire proceskostenregeling kent, te weten het Besluit proceskosten bestuursrecht, en niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een bijzonder geval als door de Hoge Raad hiervoor genoemd, zal het hof overeenkomstig de bijlage bij dat besluit (zoals dat gold ten tijde van de beslissing van de voorzieningenrechter d.d. 3 december 2007) aan [appellant] een bedrag van € 322 (1 punt) toekennen.

4.15 Gelet op het voorgaande zal het hof het tussenvonnis van 18 april 2012 van de rechtbank bekrachtigen, het eindvonnis vernietigen voor zover daarbij de vordering tot betaling van de advocaatkosten geheel is afgewezen, alsnog aan [appellant] ten laste van de Gemeente een vergoeding van € 322 toekennen en dat eindvonnis overigens bekrachtigen.

Omdat [appellant] gelet op deze beperkte toewijzing als grotendeels in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt, leidt dit niet tot aanpassing van de proceskostenbeslissing van de rechtbank.

Ook in hoger beroep merkt het hof [appellant] aan als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zodat ook in hoger beroep [appellant] in de kosten van het geding wordt veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Breda van 18 april 2012;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Breda van 4 juli 2012 voor zover daarbij de vordering van [appellant] inzake de advodaatkosten geheel is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de gemeente Oisterwijk tot betaling aan [appellant] van € 322, vermeerderd met

de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2009;

bekrachtigt het vonnis van 4 juli 2012 voor het overige;

verklaart deze uitspraak in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, C.N.M. Antens en J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 mei 2013.