Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:CA0222

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-05-2013
Datum publicatie
23-05-2013
Zaaknummer
HD 200.092.253 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CMR vervoer van Nederland naar Italië; schorsing en/of stuiting verjaring (art. 32 lid 2 en lid 3 CMR; art. 3:317 lid 1 BW); geen overmacht (art. 17 lid 2 CMR)

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) 32
Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) 32
Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2013/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.092.253/01

arrest van 14 mei 2013

in de zaak van

1.DSV Solutions B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2.DSV Road B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten,

advocaat: mr. M. van Tuijl te Rotterdam,

tegen

BB Transport B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.M.A. Timmermans te Tiel,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 oktober 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond onder zaaknummer 103029/HAZA 10-620 gewezen vonnis van 22 december 2010. Partijen worden in het navolgende aangeduid als resp. DSV Solutions en DSV Road, gezamenlijk als DSV c.s., en BB.

5. Het tussenarrest van 11 oktober 2011

Bij genoemd arrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6.Het verdere verloop van de procedure

6.1 De comparitie heeft op 9 november 2011 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Partijen zijn niet tot een regeling gekomen en de zaak is naar de rol verwezen voor memorie van grieven.

6.2 Bij memorie van grieven hebben DSV c.s. zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot als aan het slot van die memorie omschreven.

6.3 Bij memorie van antwoord met één productie heeft BB de grieven bestreden.

6.4. Partijen hebben hun zaak schriftelijk doen bepleiten. Bij de pleitnota van BB is één productie overgelegd. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. Alleen DSV c.s. hebben de processtukken overgelegd.

7. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

8. De verdere beoordeling

8.1 In r.o. 2.3. van het beroepen eindvonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief 1 wordt deze vaststelling bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep relevant, om het volgende.

8.1.1.BB heeft in opdracht van (een rechtsvoorgangster van) DSV Road in 2006 en 2007 verschillende transporten uitgevoerd. In totaal had BB ter zake van DSV Road te vorderen € 31.707,55. In augustus 2007 is hiervan een bedrag van € 19.944,97 betaald zodat nog openstond € 11.762,58. Bij deze betaling vermeldde DSV Road: “minus onze fact. [factuurnummer]” (prod 2 inl. dagv.).

8.1.2.In mei 2006 heeft DSV Road aan BB opdracht gegeven tot het vervoer over de weg van een partij DVD’s en CD’s van [vestigingsplaats] naar Italië. De afzender van de goederen was DK Datatillbehør Aps in Denemarken. De goederen zijn door BB geladen. Op 11 mei 2006 heeft BB de goederen ten vervoer in ontvangst genomen. De CMR-vrachtbrief vermeldt als afleveradres “[afleveradres] [vestigingsplaats B.], Italië”.

8.1.3.In de nacht van 15 op 16 mei 2006 zijn de goederen in Italië in de buurt van Napels gestolen. Het – in opdracht van DSV Road vertaalde – proces-verbaal van de Italiaanse politie vermeldt over de toedracht als tegenover die politie afgelegde verklaring van de chauffeur van BB:

“[ik] stopte om 20.00 uur om te eten en om uit te rusten van de lange vermoeiende reis op een industrieterrein te [vestigingsplaats A.] in de buurt van een depot van een openbaarvervoersbedrijf, dat vlak bij woonwagenkampen ligt.

Nadat ik gegeten had, ging ik om ongeveer 24.00 uur op het bed in de cabine liggen, maar om ongeveer 02.00 uur stapten er vier mensen uit een witte Opel Astra, waarvan er een gewapend was met een pistool. In perfect Engels zei deze persoon tegen mij: “RUSTIG BLIJVEN, NIET BEWEGEN EN JE MOND HOUDEN”” en meteen daarna sloeg hij me met het pistool, tegen mijn hoofd. Terwijl ik nog steeds werd bedreigd met het pistool, maakten twee van hen zich vervolgens meester van de vrachtwagen, terwijl de andere twee mij in de auto lieten plaatsnemen waarna wij de plek verlieten. Wat ik kan zeggen is dat de criminelen een afgegraven weg namen en mij achterlieten en op de grond gooiden (..)” (prods 2 en 3 cva). Voorts vermeldde dit proces-verbaal dat de goederen bij diverse bedrijven in [vestigingsplaats A.] moesten worden afgeleverd.

8.1.4.De gehele lading is gestolen. De CMR-vrachtbrief vermeldt (zij het slecht leesbaar) onder vakje 9 “missing” met aantallen pallets en pakketten. (prod. 1 cva). De waarde van de vermiste goederen is berekend op € 11.691,--. Op 31 mei 2006 heeft (de rechtsvoorganger van) DSV Road BB schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de schade (prod. 5 cva). Op 19 juni 2006 zond DSV Road aan BB een factuur met nummer [factuurnummer] ter hoogte van € 11.530,41 ter zake de diefstalschade, zijnde de in art. 23 lid 3 CMR genoemde aansprakelijkheidslimiet gebaseerd op het gewicht van de vermist geraakte goederen en € 232,50 ter zake nog verschuldigde transportkosten (in totaal € 11.762,71) (prod. 6 cva). DSV Road vermeldde daarbij : “Deze factuur wordt met de eerstvolgende betaling verrekend”.

8.1.5.Preventass B.V. schreef namens BB in reactie hierop op 27 juni 2006: “Op basis van de toedracht van deze schade wijzen wij namens onze relatie, BB Transport, de schadeclaim af onder verwijzing naar art. 17 lid 2 van het CMR. (..) Namens onze relatie maken wij bezwaar tegen de verrekening van vrachtpenningen met schadepenningen (..)” (prod. 6 cva).

8.1.6.Op 20 juni 2007 heeft (de advocaat van) DSV Road hierop gereageerd en herhaald dat BB aansprakelijk was voor de schade. BB werd gesommeerd binnen 14 dagen het verschuldigde bedrag te voldoen. DSV Road voegde hier aan toe: “Deze fax dient mede tot stuiting van eventuele verjaring conform art. 3:317 BW” (prod. 8 cva). Op 29 juni 2007 wees Preventass de aansprakelijkheid opnieuw af (prod. 9 cva). Nadat DSV Road de in r.o. 8.1.1. vermelde verrekening had toegepast, hebben partijen hierover nog enige tijd gecorrespondeerd. Op 8 mei 2008 schreef (de advocaat van) DSV Road aan BB dat BB aansprakelijk was voor de ontstane schade omdat er naar de mening van DSV Road geen sprake was van toepasselijkheid van art. 17 lid 2 CMR. “Uw cliënte is aansprakelijk voor dit schadebedrag. Het schadebedrag is middels verrekening aan mijn cliënte betaald. Mijn cliënte beschouwt deze zaak als afgedaan.” Op 17 december 2008 herhaalde DSV Road deze mededeling (prod. 13 cva).

8.2.1.BB heeft DSV c.s. vervolgens in rechte betrokken en, stellende dat zij van DSV c.s. nog € 11.762,71 te vorderen had en haar vordering in verband met de toenmalige competentiegrens verminderend, in conventie van DSV c.s. betaling van € 5.000,-- gevorderd. In (voorwaardelijke) reconventie vorderden DSV c.s. veroordeling van BB tot betaling van dat wat in conventie toewijsbaar geoordeeld zou worden.

8.2.2.De kantonrechter te Venlo heeft bij vonnis van 31 maart 2010 in conventie BB niet ontvankelijk verklaard in haar vordering tegen DSV Solutions, geoordeeld dat DSV Road niet mag verrekenen en DSV Road veroordeeld tot betaling van € 5.000,-- met veroordeling van DSV Road in de proceskosten. Tegen dit (deel)vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

8.2.3.In reconventie heeft DSV Road op 11 november 2009 haar vordering vermeerderd tot € 11.762,71, met de CMR-rente over € 11.530,41 vanaf 31 mei 2006. Na verwijzing heeft de rechtbank bij het thans beroepen vonnis in reconventie de vorderingen van DSV Road afgewezen omdat naar het oordeel van de rechtbank de vordering wegens diefstalschade al op 10 juli 2007 was verjaard en niet is gebleken van een stuiting die voldoet aan het bepaalde in art. 3:317 lid 2 BW (nu de eis in reconventie pas op 11 november 2009 is ingesteld). De vordering ter zake transportkosten achtte de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

8.3.1.Vast staat in hoger beroep dat op het vervoer in kwestie de CMR van toepassing is, nu er sprake is van internationaal vervoer over de weg tussen twee landen die beide zijn aangesloten bij de CMR.

8.3.2.Grief 2 is gericht tegen r.o. 2.9. van het beroepen eindvonnis, waarin de rechtbank - kort samengevat - heeft overwogen dat de in art. 32 lid 1 CMR geregelde schorsing van de verjaring te veel van de in het Nederlandse recht geregelde verlenging verschilt om daarbij te kunnen aanknopen als het gaat om de invulling van de vereisten die voor de schorsing onder de CMR gelden. De rechtbank oordeelde dat zij de schorsing zal beoordelen naar het stuitingsleerstuk omdat daar wel een parallel kan worden getrokken. Volgens de toelichting op de grief is de rechtbank voorbij gegaan aan de dwingendrechtelijke regels van art. 32 lid 2 CMR. Alleen voor de vereisten aan de schriftelijke vordering ex art. 32 lid 2 CMR kan worden aangesloten bij het Nederlandse recht, aldus de toelichting.

8.3.3.Grief 3 ziet op het oordeel van de rechtbank over de stuiting van de verjaring. De rechtbank heeft in r.o. 2.11 overwogen dat de rechtsvordering tot vergoeding van schade als gevolg van diefstal geen rechtsvordering is tot nakoming van een verbintenis, zodat de verjaring slechts wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning indien deze binnen zes maanden wordt gevolgd door het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging, als voorzien in art. 3:317 lid 2 jo art. 3:316 BW. Ten onrechte, aldus de grief, waarin voorts in de toelichting wordt betoogd dat stuiting na schorsing mogelijk is, zodat de vordering van DSV Road nog niet was verjaard.

8.3.4.Het hof zal deze grieven samen beoordelen en stelt daarbij het volgende voorop.

Vaststaat dat er sprake was van volledig verlies van de vervoerde goederen. Art. 32 lid 1 sub b CMR bepaalt dat bij volledig verlies de verjaring loopt vanaf de dertigste dag na afloop van de bedongen termijn of, bij gebreke van een dergelijke termijn, vanaf de zestigste dag na de inontvangstneming van de goederen door de vervoerder. Nu gesteld noch gebleken is dat er sprake was van een bedongen termijn houdt dit in het onderhavige geval in dat de verjaringstermijn aanving op 10 juli 2006.

8.3.5.Art. 32 CMR is een dwingendrechtelijke bepaling. In het tweede lid van art. 32 wordt bepaald dat de verjaringstermijn van een jaar wordt geschorst door een schriftelijke vordering en dat deze schorsing eindigt als de vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de daarbij gevoegde stukken terugzendt. Lid 3 bepaalt dat de schorsing van de verjaring wordt beheerst door de wet van het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is, en dat hetzelfde geldt voor de stuiting van de verjaring.

Het Nederlandse (interne) recht kent geen afzonderlijke regeling voor schorsing van de verjaring (meer). Gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de CMR dient daarom de regeling in art. 32 CMR voor schorsing (= onderbreking) van de verjaringstermijn (en de hervatting na afloop daarvan) uitgangspunt te zijn, met de daarin omschreven voorschriften voor het indienen resp. afwijzen van de vordering. Wel bevat het Nederlandse (interne) recht een regeling voor de wijze waarop de verjaring kan worden gestuit, welke dus door het interne (hier: Nederlandse) recht wordt beheerst.

8.3.6.Het hof is van oordeel dat de correspondentie tussen partijen voorafgaand aan de aanvang van de verjaringstermijn op 10 juli 2006 in dezen geen betekenis heeft omdat, hoewel een nog niet lopende verjaring wel kan worden geschorst, deze schorsing in kwestie al was beëindigd voordat de verjaring een aanvang nam.

De brief van de advocaat van DSV Road van 20 juni 2007 kan in beginsel tot gevolg hebben gehad dat daardoor de lopende verjaring werd geschorst totdat Preventass de aansprakelijkheid wederom verwierp op 28 juni 2007. Dit zou dan hebben meegebracht dat de vordering van DSV Road op 18 juli 2007 zou zijn verjaard. DSV stelt zich echter op het standpunt dat zij deze lopende verjaringstermijn tijdig – namelijk bij dezelfde fax van haar advocaat van 20 juni 2007 – heeft gestuit.

8.3.7.De rechtbank was van oordeel dat een rechtsgeldige stuiting in dit geval slechts was geschied indien binnen zes maanden een procedure zou zijn begonnen, wat niet het geval was. BB stelt zich op het standpunt (“wat er ook zij van de redenering van de rechtbank”) dat stuiting van een lopende verjaring onder de CMR niet mogelijk is, nu de CMR slechts voorziet in een schorsingsregeling.

Het hof overweegt dat het enige wat de CMR over verjaring bepaalt, is, dat de stuiting van de verjaring wordt beheerst door de wet van het gerecht waar de zaak aanhangig is. Al hieruit blijkt dat stuiting onder het CMR wel tot de mogelijkheden behoort. De vraag is echter of stuiting na schorsing mogelijk is. Deze kwestie wordt in de rechtspraak en literatuur verschillend beantwoord.

8.3.8.In het onderhavige geval heeft DSV Road in haar fax van 20 juni 2007 expliciet een beroep op stuiting van de verjaring gedaan. In de onderhavige procedure beroept zij zich daarnaast op de schorsende werking van diezelfde fax. De fax van 20 juni 2007 had naar het oordeel van het hof wel de beoogde stuitende werking. Op het onderhavige geval is, anders dan de rechtbank oordeelde, art. 3:317 lid 1 BW van toepassing nu hier sprake is van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis als bedoeld in dat artikel. Uitdrukkelijk heeft de wetgever bedoeld dat de rechtsvordering tot schadevergoeding hieronder dient te worden begrepen.

8.3.9.Een rechtsgeldig beroep op stuiting van de verjaring breekt een lopende verjaring af en doet een nieuwe zelfde termijn gaan lopen, terwijl bij schorsing van de verjaring de lopende verjaringstermijn slechts wordt onderbroken: zodra de schorsing is opgeheven herneemt de verjaring haar loop. Hierom kan aan een- en dezelfde fax niet zowel stuitende als schorsende werking toekomen. Nu bovendien het beroep op stuiting eerder is gedaan dan dat op schorsing is de verjaringstermijn van de vordering van DSV Road door de fax van 20 juni 2007 afgebroken (gestuit en niet geschorst) en is zij op 21 juni 2007 opnieuw gaan lopen.

8.3.10.Deze nieuwe verjaringstermijn is vervolgens op 8 mei 2008 opnieuw gestuit door de brief van DSV Road aan BB. Deze brief kan naar het oordeel van het hof worden beschouwd als een mededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW nu deze brief een voldoende duidelijke waarschuwing aan BB inhield dat deze er rekening mee moest houden dat DSV Road van mening bleef dat BB jegens haar aansprakelijk was ter zake het verlies van de lading. DSV Road herhaalde hierin haar eerder uitvoeriger ingenomen standpunt dat zij de door BB gevorderde vrachtpenningen niet betaalde omdat zij deze had verrekend met haar tegenvordering ter zake de diefstal van de lading op BB. Zou BB dit standpunt niet delen, en de verrekening ongedaan willen maken, dan diende BB er dus rekening mee te houden dat zij bewijs en andere gegevens niet moest verwaarlozen teneinde zich tegen de (in BB’s optiek dus ten onrechte in verrekening gebrachte) vordering van DSV Road te kunnen verweren.

Op 17 december 2008 heeft DSV Road dit standpunt nogmaals herhaald.

8.3.11.Dit betekent dat de eis in reconventie, die op 11 november 2009 was ingesteld, tijdig was en dat de grieven 2 en 3 slagen.

8.4.1. De rechtbank is gezien haar oordeel dat de vordering van DSV Road verjaard was niet meer toegekomen aan de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag. Grief 4 is hier mede tegen gericht. DSV Road stelt daarin – mede onder verwijzing naar wat zij hierover in eerst aanleg al heeft gesteld – dat BB jegens haar aansprakelijk is voor het verlies van de lading. BB heeft de vervoerde goederen niet afgeleverd en heeft jegens DSV Road wanprestatie gepleegd omdat BB zich niet kan beroepen op overmacht in de zin van art. 17 lid 2 CMR, aldus DSV Road. De chauffeur van BB heeft, door op een onbewaakte parkeerplaats te gaan overnachten (in de Italië, in de buurt van een woonwagenkamp) niet alle van hem te vergen maatregelen genomen ter voorkoming van diefstal, aldus nog steeds DSV Road.

8.4.2.BB heeft hier tegenin gebracht dat de schade het rechtstreeks gevolg was van de (wijziging van de) opdracht door DSV Road, nu DSV Road op het moment dat BB haar lading had kunnen lossen op het aanvankelijk door DSV Road opgegeven (en door BB ingeplande) adres, te kennen gaf dat op een ander adres moest worden gelost. Omdat het bedrijf waar de lading moest worden gelost al gesloten was, aldus BB, zat er volgens haar voor de chauffeur niets anders op dan de vrachtwagencombinatie bij een busremise te stallen. De chauffeur heeft moeten improviseren en aldus alle redelijkerwijs te nemen maatregelen genomen om verlies te voorkomen (permanente bewaking door portier van de busremise, camerabewaking, verlichte straat). DSV Road had BB daarnaast ook geen instructies gegeven dat op een bewaakt parkeerterrein moest worden gestaan en in de gegeven omstandigheden (vermoeidheid van de chauffeur) had gelet op de relatief geringe waarde van de lading niet van de chauffeur mogen worden verwacht dat hij op zoek ging naar een bewaakte parkeerplaats.

8.4.3.Ter ondersteuning van deze stelling wijst BB op een verklaring gesteld afkomstig van de chauffeur, overgelegd als prod.1 bij de memorie van antwoord. Deze verklaring, gedateerd 27 maart 2012 en niet ondertekend, luidt voor zover van belang:

“(..) Naar dit adres heb ik anderhalf uur gezocht, maar ik kon het niet vinden. (..) Aan deze zijstraat zat enkel een adres en dat was mijn losadres. Er was overigens geen straatbordje te bekennen. Ook het pand had op de buitenkant geen borden van de bedrijfsnaam of zo. Helaas was het bedrijf al gesloten. Omdat de avond zou invallen en er geen bewaakte stalling in de buurt was – ik was daar in ieder geval niet mee bekend – heb ik aan de portier van de busremise gevraagd of ik mijn combinatie op het terrein van de busremise mocht stallen. Dit mocht niet, maar hij zei mij dat ik het beste tegenover de remise kon stallen met mijn cabine precies ter hoogte van zijn portiersloge. Hij zou die hele nacht aanwezig zijn. Er was sprake van permanente bewaking. Aan de buitenkant van zijn loge waren twee grote camera’s bevestigd, gericht op de weg en daardoor ook op mijn cabine. (..) De straat zelf was ook verlicht.”

Bij inleidende dagvaarding had BB ook al een (gesteld) verslag van de chauffeur overgelegd (prod 3 bij inl. dagv.). Dit verslag (waarvan niet duidelijk is door wie en in welke omstandigheden dit is opgenomen, noch wanneer dit is geschied, nu de datumvermelding “15mei06” noodzakelijkerwijs zal terugslaan op de datum van het voorval en niet op die van de verslaglegging) vermeldt onder meer:

“15 mei probeert bb chauffeur op het 2e adres te komen – aankomst 17.00 uur [vestigingsplaats C.]. Helaas 1 ½ uur vertraging zoektocht) door een incorrectheid in het adres. bb chauffeur heeft zelfs politie gevraagd naar betreffend adres – de firmanaam was onbekend bij deze! Gevolg van deze zoektocht: een busbedrijf met portier, ook nachtbewaking. Na toestemming gevraagd te hebben aan de portier om te mogen parkeren, heeft de portier een plek aangewezen bij de poort. Hier was verlichting en een camera aanwezig. Vooraf meldde de portier afgelost te worden. Rond 2.30 uur schrikt bb chauffeur wakker, met een op hem gericht pistool/geweer (..)

Aldus bb transport n.a.v. toelichting bb chauffeur [chauffeur].”

8.4.4.Het hof constateert allereerst dat uit deze beide verklaringen, waarvan BB stelt dat deze afkomstig zijn van de chauffeur, op geen enkele wijze blijkt dat DSV Road aan de chauffeur, toen deze te bestemder plaatse aankwam, zou hebben aangegeven dat hij elders moest lossen. Dit is ook niet vermeld in het proces-verbaal van de politie, tegenover wie de chauffeur zelf reeds op 16 mei 2006 (enkele uren na de overval) zijn verklaring heeft afgelegd, toen hij aangifte van de diefstal deed. Over het losadres zijn de diverse overgelegde producties niet eenduidig. De vrachtbrief vermeldt [vestigingsplaats B.], de verklaring van de chauffeur bij de politie vermeldt [vestigingsplaats A.] en de (eerste) gestelde kantoorverklaring van de chauffeur heeft het over [vestigingsplaats C.]. Evenmin is op andere wijze gebleken dat het op de vrachtbrief vermelde losadres onjuist zou zijn. Door DSV Road is dit ook ontkend.

Ook op andere punten zijn de stellingen van BB niet in overeenstemming met de producties of met elkaar. Zo stelt BB dat haar chauffeur om 20.00 aankwam bij genoemde busremise, terwijl zij eerder aan DSV Road heeft geschreven dat de chauffeur niet om 17.00 uur kon lossen en toen een overnachtingsplek moest zoeken (prod. inl. dagv. en prod. 10 cva).

8.4.5.De chauffeur heeft zijn combinatie niet op een bewaakte parkeerplaats gestald, maar bij of naast een busremise, waar een portier in de portiersloge aanwezig was. Ook al waren er camera’s, die (mede) gericht waren op de combinatie (waar volgens de gestelde eigen verklaring van de chauffeur vervolgens overigens door de politie niets mee werd gedaan) en was de straat verlicht, maar er was geen sprake van een bewaakte parkeerplaats, of van een parkeerplaats waarvan het bewakingsniveau in de buurt komt van een bewaakte parkeerplaats. Onbetwist is de stelling van DSV Road dat er in de buurt van [vestigingsplaats A.] voldoende bewaakte parkeerplaatsen zijn, en dat het via een website mogelijk is om gratis de dichtstbijzijnde geregistreerde parkeerplaats te vinden. De chauffeur heeft nagelaten naar een dergelijke bewaakte parkeerplaats te (zoeken en te) gaan. Evenmin heeft hij instructies gevraagd aan zijn werkgever of aan de afzender. Gesteld noch gebleken is dat er een bijrijder aanwezig was of dat er sprake was van enige vorm van alarm op de vrachtwagencombinatie.

8.4.6.Het hof is van oordeel dat zelfs als de stelling van BB juist zou zijn dat het op de vrachtbrief opgegeven adres niet juist was, dan nog niet kan worden gezegd dat de chauffeur alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder te vergen maatregelen heeft genomen om schade aan of verlies van de lading te voorkomen. Weliswaar heeft de chauffeur – in deze veronderstelde situatie – anders dan voorzien aan het einde van zijn werkdag moeten zoeken naar het alternatieve losadres en toen hij dit niet tijdig kon vinden, met zijn vrachtwagencombinatie ergens moeten overstaan, maar dan nog had hij andere maatregelen kunnen en moeten nemen dan hij heeft gedaan. Het in Italië (slechts) parkeren op een verlichte straat nabij een bewaakte busremise geeft in dit kader blijk van onvoldoende zorg voor de lading. Dat die lading een relatief geringe waarde had doet in verband met het risico op een overval overigens niet ter zake, nu zoiets aan de buitenkant van een vrachtwagencombinatie ook niet is te zien. Aan BB komt geen beroep toe op overmacht en aan de door haar gedane bewijsaanbiedingen wordt niet toegekomen. Grief 4 slaagt eveneens.

8.4.7.De hoogte van de door DSV Road in reconventie gevorderde schadevergoeding - waarbij al rekening is gehouden met de limiet van art. 23 lid 3 CMR - is door BB niet betwist. Nu BB hiervoor aansprakelijk is, is de gevorderde schadevergoeding met de CMR rente vanaf 11 november 2009 toewijsbaar.

8.5.DSV Road heeft in eerste aanleg eveneens gevorderd de op de factuur van 19 juni 2006 voorkomende transportkosten ad € 232,20. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen omdat volgens haar op dit punt onvoldoende gesteld was. Met name ontbrak volgens de rechtbank enige stelling over de aanvang van de verjaring van deze vordering en was onduidelijk waarop deze vordering zag. Met grief 5 klaagt DSV Road tegen dit oordeel. Zij wijst erop dat BB dit deel van haar vordering nooit heeft betwist en dat BB ook nooit had gesteld dat dit deel van de vordering was verjaard. In de memorie van antwoord gaat BB op geen enkele wijze hierop in. Het hof houdt het er dus op dat BB inderdaad deze vordering niet betwist en evenmin (alsnog) van oordeel is dat deze vordering is verjaard. De vordering is daarom toewijsbaar, met de in hoger beroep daarover gevorderde handelsrente vanaf 3 juli 2006. Grief 5 slaagt.

8.6.1.Grief 6 en grief 7 hebben geen zelfstandige betekenis.

8.6.2.Nu de grieven van DSV Road slagen, zal het beroepen vonnis worden vernietigd en zullen de vorderingen van DS Road worden toegewezen. BB zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, met de gevorderde wettelijke rente daarover en de gevorderde nakosten als in het dictum te melden.

8.7.BB is door de kantonrechter in het deelvonnis van 31 augustus 2010 niet ontvankelijk verklaard in haar vordering tegen DSV Solutions. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld en dit vonnis heeft daarom in zoverre reeds kracht van gewijsde gekregen. In het thans beroepen eindvonnis figureert DSV Solutions ook niet meer in het dictum, nu zij in daar ook geen partij meer was. DSV Solutions zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.

9. De uitspraak

Het hof:

verklaart DSV Solutions niet ontvankelijk in het hoger beroep;

vernietigt het tussen DSV Road en BB gewezen vonnis van de rechtbank Roermond van 22 oktober 2010;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt BB tot betaling aan DSV Road van € 11.530,41 te vermeerderen met de CMR-rente vanaf 11 november 2009 tot aan de dag der algehele betaling en tot betaling van € 232,30 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 3 juli 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt BB in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van DSV Road worden begroot op € 106,00 aan verschotten en op € 452,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 725,31 aan verschotten en op € 2.682,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, C.N.M. Antens en A.P.A. de Klerk-Leenen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 mei 2013.