Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ9853

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
10-05-2013
Zaaknummer
HD 200.107.858-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:311, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Testament nietig vanwege geestelijke stoornis erflater?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ?s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.107.858/01

arrest van 7 mei 2013

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. F.B. Kloppenburg,

tegen:

1. De gezamenlijke erven van [erflater], zijnde:

- [Y.],

wonende te [woonplaats] en

- [Z.],

wonende te [woonplaats],

2. [A.],

wonende te [woonplaats],

3. [B.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. A.J.W. Vugs,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 mei 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg gewezen vonnis van 7 maart 2012 tussen appellante als eiseres en geïntimeerden als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 78487/HA ZA 11-211)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 17 augustus 2011.

2.Het geding in hoger beroep

2.1 Appellante is tijdig van het eindvonnis van 7 maart 2012 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis heeft appellante onder overlegging van vijfendertig producties tien grieven aangevoerd, haar eis gewijzigd en geconcludeerd zoals aan het slot van deze memorie staat vermeld.

2.2 Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden onder overlegging van negen producties de grieven bestreden.

2.3 Partijen hebben op 27 maart 2013 hun standpunten door hun advocaten aan de hand van pleitnota’s doen bepleiten, appellante door mr. N.C. van Steijn en geïntimeerden door mr. A.J.W. Vugs. Appellante heeft hierbij nog tien producties (nrs. 36-45) overgelegd. Het hof heeft daarna uitspraak bepaald op heden.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. Met deze grieven heeft appellante het geschil in volle omvang aan het hof ter beoordeling voorgelegd. De grieven lenen zich voor gezamenlijk behandeling.

4. De beoordeling

4.1 Het gaat in deze zaak om de nalatenschap van [erflater], geboren op

[geboortedatum] 1922 en overleden op 23 februari 2011 (verder: erflater). Erflater is niet gehuwd geweest en heeft geen nakomelingen. Hij had drie broers, [broer 1], [broer 2] en [broer 3], die eerder dan hij zijn overleden. [broer 1] had een dochter, [dochter broer 1], [broer 2] had geen kinderen en [broer 3] had een dochter, appellante. [dochter broer 1] en appellante zijn thans volgens versterferfrecht de erfgenamen van erflater. Zij waren door erflater bij testament van 19 juni 1980 tot zijn enig erfgenamen benoemd. Op dat moment waren zijn broers volgens versterferfrecht zijn erfgenamen. Dit testament is herroepen bij testament van 20 mei 1999, waarbij erflater geïntimeerden sub 1, dochters van geïntimeerden sub 2 en 3, tot zijn enig erfgenamen heeft benoemd.

Aan erflater is als kleuter een ongeval aan het hoofd overkomen met verstandelijke beperkingen als blijvend gevolg. Tot aan diens overlijden in 1977 heeft hij bij zijn vader gewoond. Van 1977 tot 1985 heeft erflater in een bejaardenwoning gewoond, volgens appellante met zijn broer [broer 2], volgens geïntimeerden zelfstandig. Met geld uit de nalatenschap van zijn vader is in 1985 een woning voor erflater gekocht, die zijn eigendom werd. Hij heeft daar gewoond tot aan zijn opname in een verpleeghuis in mei 2010.

Geïntimeerde sub 3 heeft sinds begin jaren ’70 huishoudelijke werkzaamheden verricht, eerst voor erflater en diens vader, later voor erflater alleen. Geïntimeerde sub 2 heeft vanaf ongeveer 2000 de financiële administratie van erflater verzorgd. Erflater heeft in deze periode van ruim dertig jaar vriendschappelijke betrekkingen onderhouden met het gehele gezin van geïntimeerden.

In 2009 heeft erflater een koopovereenkomst gesloten met een dorpsgenoot die inhield dat erflater zijn woning voor minder dan de helft van de WOZ-waarde aan hem verkocht. Geïntimeerde sub 2 heeft toen hij dit ontdekte appellante ingeschakeld die de verkoop ongedaan gemaakt heeft. Appellante heeft in verband met deze kwestie bij de kantonrechter te Middelburg ten aanzien van erflater een verzoek ingediend tot onderbewindstelling en instelling van een mentorschap met benoeming van haarzelf en haar echtgenoot tot bewindvoerder en mentor, welk verzoek bij beschikking van 3 december 2009 is toegewezen.

4.2 In deze procedure stelt appellante dat erflater door zijn verstandelijke beperking en geestelijke stoornis niet voldoende in staat was zijn wil te bepalen ten aanzien van het opmaken van de testamenten van 19 juni 1980 en 20 mei 1999, zodat deze nietig zijn, althans vernietigbaar. Voorts stelt dat appellante dat geïntimeerden sub 2 en 3 jegens de wettige erfgenamen onrechtmatig handelden. Daarnaast stelt appellante dat geïntimeerden sub 2 en 3 tijdens het leven van erflater zich wederrechtelijk geld van hem hebben toegeëigend. Op grond hiervan vorderde appellante in eerste aanleg een verklaring voor recht dat de testamenten nietig zijn, dan wel vernietigbaar, dan wel veroordeling van geïntimeerden sub 2 en 3 tot vergoeding van de waarde van de erfenis aan de wettige erfgenamen, alsmede veroordeling van geïntimeerden sub 2 en 3 en tot betaling van € 8.731,= met rente en kosten. Geïntimeerden hebben deze vorderingen bestreden. Volgens hen is erflater niet permanent geestelijk gestoord en zwak begaafd geweest en was hij in 1999 niet onbekwaam tot het opmaken van zijn uiterste wil. Van diefstal, verduistering of anderszins wederrechtelijke toe-eigening van gelden die aan erflater toebehoorden, is volgens geïntimeerden geen sprake geweest.

4.3 Bij tussenvonnis van 17 augustus 2011 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 1 november 2011 plaatsgevonden. Bij eindvonnis van

7 maart 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat zelfs als ervan wordt uitgegaan dat erflater lijdende was aan een blijvende geestelijke stoornis, hieruit niet kan worden geconcludeerd dat hij ten gevolge van die stoornis niet, althans onvoldoende, in staat was zijn wil te bepalen voor het beschikken over zijn nalatenschap. Het op 20 mei 1999 opgemaakte testament achtte de rechtbank daarom niet nietig, zodat aan beoordeling van het testament van

19 juni 1980 niet werd toegekomen. Grond voor vernietiging van de testamenten oordeelde de rechtbank niet aanwezig, terwijl de overige vorderingen van appellante strandden op de omstandigheid dat zij niet als erfgename kan worden aangemerkt. Een en ander leidde tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van appellante in de kosten.

4.4 In hoger beroep heeft appellante tevens een beroep gedaan op (analoge) toepassing van artikel 4:59 BW in samenhang met artikel 4:62 lid 2 en 3 BW. Verder heeft zij haar vorderingen aangepast, zodat deze thans luiden:

1. Primair: voor recht te verklaren dat de op 19 juni 1980 en 20 mei 1999 opgestelde testamenten nietig zijn en dat de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] aan de wettige erfgenamen toekomt, althans voor recht te verklaren dat het op

20 mei 1999 opgestelde testament nietig is;

2. Subsidiair: voor recht te verklaren dat op 19 juni 1980 en 20 mei 1999 opgestelde testamenten vernietigd zijn en dat de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] aan de wettige erfgenamen toekomt, althans voor recht te verklaren dat het op

20 mei 1999 opgestelde testament vernietigd is;

3. Meer subsidiair: voor recht te verklaren dat geïntimeerden, althans geïntimeerden sub 1, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten kunnen ontlenen aan de uiterste wilsbeschikking van wijlen de heer [erflater] zoals vastgelegd in de op 19 juni 1980 en 20 mei 1999 opgestelde testamenten, althans het op

20 mei 1999 opgestelde testament;

4. Nog meer subsidiair: geïntimeerden, althans geïntimeerden sub 1, ieder hoofdelijk te veroordelen om aan appellante, althans aan degenen die als wettige erfgenamen van wijlen de heer [erflater] kunnen worden aangemerkt indien voornoemde testamenten nooit waren opgemaakt, te vergoeden de waarde van de erfenis, zoals die was ten tijde van het overlijden van de heer [erflater], vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf dat tijdstip, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

zowel primair als subsidiair:

5. Geïntimeerden ieder hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan appellante als één van degenen die als wettige erfgenamen van wijlen de heer [erflater] kunnen worden aangemerkt indien voornoemde testamenten nooit waren opgemaakt, een bedrag van € 8.731,= vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening;

6. Geïntimeerden ieder hoofdelijk te veroordelen in (samengevat) de proceskosten in beide instanties;

7. Geïntimeerden ieder hoofdelijk te veroordelen in (samengevat) de nakosten.

4.5 De rechtbank heeft - terecht onbestreden - vooropgesteld dat erflater op 20 mei 1999 handelingsbekwaam was en dus bekwaam tot het maken van een uiterste wilsbeschikking. Hij was op die datum meerderjarig en niet wegens een geestelijke stoornis onder curatele gesteld (r.o. 4.3). Uitgangspunt is de testeervrijheid; ook aan de erflater met een geestelijke stoornis is het in beginsel zelf te bepalen aan wie hij zijn nalatenschap wil doen toekomen (r.o. 4.5). Slechts onder bijzondere omstandigheden kan door derden op die vrijheid een inbreuk worden gemaakt door het aanvechten van de geldigheid van hetgeen een erflater als zijn uiterste wilsbeschikking in een testament heeft neergelegd. Naar het oordeel van het hof dient niet te snel worden aangenomen dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen. Het enkele bestaan van verstandelijke beperkingen en/of een geestelijke stoornis is daarvoor niet voldoende. Zelfs voor een wegens geestelijke stoornis onder curatele staande en daardoor handelingsonbekwame persoon is het maken van een rechtsgeldige uiterste wilsbeschikking niet uitgesloten, mits hij daarvoor de toestemming van de kantonrechter verkrijgt (artikel 4:55 lid 2 BW). Dat een uiterste wilsbeschikking alleen onder bijzondere omstandigheden aangevochten moet kunnen worden blijkt ook uit de omstandigheid dat de wetgever de gronden waarop een uiterste wilsbeschikking in het algemeen kan worden aangevochten heeft beperkt: misbruik van omstandigheden is uitgesloten als grond voor vernietiging (artikel 4:43 lid 2 BW).

4.6 Tussen partijen is allereerst in geschil of de met de in de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999 neergelegde verklaring overeenstemmende wil van erflater geacht moet worden te hebben ontbroken op de grond dat de verklaring onder invloed van een geestelijke stoornis is gedaan, zoals bedoeld in artikel 3:34 lid 1 BW. Indien komt vast te staan dat erflater ten gevolge van een geestelijke stoornis wilsonbekwaam was ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999 is deze nietig aangezien het een eenzijdige ongerichte rechtshandeling betreft (artikel 3:34 lid 2 BW). Voor de nietigheid van de uiterste wilsbeschikking moet vast komen te staan dat erflater op het ogenblik van passeren van de uiterste wilsbeschikking niet, althans onvoldoende begreep wat hij deed en het vermogen miste zijn wil - zoals neergelegd in de uiterste wilsbeschikking - te bepalen en te verklaren. Voor de beoordeling kunnen ook de feiten voorafgaand aan en volgend op het opmaken van de uiterste wilsbeschikking van belang zijn, namelijk indien en voor zover deze feiten rechtstreeks verband houden met de betwiste wilsuiting.

4.7 De stellingen van appellante komen erop neer dat bij erflater sprake was van een permanente en voor derden kenbare stoornis die een redelijke waardering van de bij het opstellen van het testament betrokken belangen belette. Op grond van het wettelijk vermoeden van artikel 3:34 lid 1 BW wordt volgens haar de wil daardoor reeds geacht te ontbreken. Appellante baseert zich hierbij met name op verklaringen van 23 augustus 2012 en 12 februari 2013 van [huisarts], die in de periode van 1996 tot 2010 de huisarts van erflater is geweest, een verklaring van specialist ouderengeneeskunde [specialist ouderengeneeskunde], die erflater kende tijdens diens verblijf in het verpleeghuis vanaf 2 april 2010 en verklaringen van psychologe drs. [psychologe] van 15 juli 2011, 20 april 2012 en 4 maart 2013, die een beoordeling van de wilsbekwaamheid/verstandelijke vermogens van erflater heeft gegeven op basis van de stukken van deze procedure. Huisarts [huisarts] noemt erflater ‘hoogst waarschijnlijk zwakbegaafd’, volgens specialist [specialist ouderengeneeskunde] was erflater ‘zeer waarschijnlijk verstandelijk gehandicapt’ en volgens psychologe [psychologe] was er bij erflater ‘ten gevolge van zijn verstandelijke handicap (zwakzinnigheid) sprake van een constante ernstige geestelijke stoornis’. Geïntimeerden hebben de waarde van deze verklaringen betwist. Ook de waarde van de overige verklaringen over erflater die beide partijen in het geding hebben gebracht, afkomstig van personen die hem gekend hebben, zijn over en weer betwist. Vast staat tussen partijen dat erflater verstandelijk beperkt was, maar over de mate waarin dat het geval is geweest, lopen de meningen uiteen. Met name appellante heeft zeer uitvoerig uiteengezet dat en waarom volgens haar de verstandelijke beperking van erflater aangemerkt dient te worden als een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 BW die de nietigheid van het testament van 20 mei 1999 tot gevolg heeft.

4.8 Het hof overweegt hierover het volgende. Ook indien zou komen vast te staan dat de verstandelijke beperkingen van erflater in het algemeen aangemerkt kunnen worden als een geestelijke stoornis als bedoeld in artikel 3:34 BW betekent dat niet dat erflater ten gevolge van die geestelijke stoornis wilsonbekwaam was ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999. Naar het oordeel van het hof biedt hetgeen appellante in dit verband naar voren heeft gebracht, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, onvoldoende grondslag voor een dergelijke conclusie. Huisarts [huisarts] vermeldt met name twee medische incidenten in 1998 en 2002 die voor hem de ernst van de beperkingen van erflater aantonen. Echter, deze incidenten of de andere door hem vermelde omstandigheden zijn voor de huisarts kennelijk geen aanleiding geweest voor doorverwijzing naar specialistische zorg of voor het benaderen van familie van erflater teneinde enige vorm van al dan niet vrijwillige begeleiding te bewerkstelligen. Daaromtrent blijkt in ieder geval niets. Dit gegeven doet naar het oordeel van het hof afbreuk aan de waarde die aan deze achteraf gegeven beschrijving van de verstandelijke beperkingen van erflater kan worden toegekend. De verklaring van specialist [specialist ouderengeneeskunde] betreft de periode dat erflater in het verpleeghuis was opgenomen en geeft wel een indicatie van diens toestand op dat moment en een inschatting van de toestand daaraan voorafgaande, maar geeft geen uitsluitsel over de wilsbekwaamheid van erflater ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking. De verklaringen van drs. [psychologe] houden een interpretatie achteraf in op basis van met name de hiervoor genoemde verklaringen en van de overige (over en weer betwiste) verklaringen van andere betrokkenen. Aan de medische verklaringen kan, zoals gezegd, geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, zodat hetzelfde heeft te gelden voor de verklaringen van drs. [psychologe].

4.9 Bij dit alles neemt het hof in aanmerking dat erflater zelfstandig in een eigen woning heeft gewoond, in ieder geval tussen 1985 en het moment van de uiterste wilsbeschikking van 1999. Van begeleiding door enige zorginstelling, van enige diagnose van zijn verstandelijke capaciteiten en/of van enige specifiek daarop gerichte medische of sociale zorg is niets gebleken. Het ongeval is erflater reeds op zeer jonge leeftijd overkomen en zijn beperkingen dateren van die tijd. Gedurende bijna zijn gehele leven, tot 2009, heeft kennelijk niemand van zijn familie aanleiding gezien enige maatregel van bescherming uit te lokken. In ieder geval is dat nooit gebeurd, zodat aangenomen moet worden dat erflater zich ondanks zijn verstandelijke beperkingen redelijk staande wist te houden. Met dat beeld [broer 3]respondeert bepaald niet de suggestie van appellante dat erflater van het begin af aan, en dus ook ten tijde van de uiterste wilsbeschikking(en) permanent wilsonbekwaam is geweest. Wanneer dat de situatie was geweest, zou een ondercuratelestelling voor de hand hebben gelegen. Daarvan is evenwel nooit sprake is geweest. Het hof merkt hierbij op dat toen appellante in 2009 een verzoek indiende tot onderbewindstelling en instelling van een mentorschap zij daaraan het volgende ten grondslag legde: betrokkene is licht beïnvloedbaar, heeft zijn eigen woning voor minder dan de helft van de waarde verkocht; geeft inboedel weg aan derden, enz. (verzoek onderbewindstelling) en licht beïnvloedbaar; verstandelijke handicap; geen zelfinzicht of zicht op eigen situatie. binnenkort noodzaak tot verhuizing naar woon-zorg voorziening. Medewerking hieraan is ongewis (mentorschap). Deze omschrijvingen duiden er niet op dat appellante toen uitging van een permanente wilsonbekwaamheid bij erflater. Een en ander wijst niet op het bestaan van zorgen bij de familie of andere betrokkenen die te maken zouden hebben met een permanente wilsonbekwaamheid van erflater ten tijde van het verzoek en in ieder geval niet op het bestaan daarvan ten tijde van en/of in verband met de uiterste wilsbeschikkingen.

4.10 Het hof neemt hierbij verder in aanmerking dat de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999 niet een ingewikkelde of moeilijk te doorgronden rechtshandeling betrof en gezien de langdurige vriendschappelijke contacten tussen erflater en het gezin van geïntimeerden niet een bijzonder verrassende strekking had. Het was bovendien niet de eerste keer dat erflater iets dergelijks deed: in zijn testament van 1980 heeft hij immers met voorbijgaan van zijn toen nog levende broers appellante en haar nicht tot erfgenamen benoemd. Ook de notaris, aan wie het in de eerste plaats is te beoordelen of een testateur wilsonbekwaam is, heeft kennelijk geen reden gezien te twijfelen aan het vermogen van erflater om een uiterste wil te maken.

4.11 Een en ander brengt het hof tot dezelfde conclusie als de rechtbank, namelijk dat zelfs als ervan wordt uitgegaan dat erflater lijdende was aan een blijvende geestelijke stoornis, hieruit niet kan worden afgeleid dat hij ten gevolge van die stoornis niet, althans onvoldoende, in staat was zijn wil te bepalen voor het beschikken over zijn nalatenschap. Hetgeen appellante heeft gesteld en aan producties in het geding heeft gebracht biedt onvoldoende onderbouwing voor een andere conclusie, zodat bewijslevering als aangeboden niet aan de orde komt. Kortom, de slotsom is dat het gestelde niet voldoet aan de maatstaf die hiervoor onder 4.5 is weergegeven.

4.12 Appellante heeft verder een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 4:59 BW in samenhang met artikel 4:62 lid 2 en 3 BW. Dit beroep gaat evenwel niet op aangezien geïntimeerde sub 3, waar appellante in dit verband op doelt, niet valt onder de omschrijving van artikel 4:59 BW en deze bepaling niet (naar analogie) van toepassing is op anderen dan degenen die daarin met zoveel woorden worden aangeduid (individuele gezondheidszorg; verplegers en verzorgers in stellingen).

4.13 Een en ander leidt tot de slotsom dat de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999 niet nietig of vernietigbaar is, zodat het testament van 1980 geen bespreking behoeft. Geïntimeerden sub 1 zijn derhalve erfgenamen van erflater. Niet valt in te zien dat zij op enige andere grond de nalatenschap niet zouden kunnen of mogen aanvaarden. Nu appellante geen erfgenaam van erflater is, ontbreekt bij haar ieder belang bij haar stellingen omtrent de handelingen van geïntimeerden sub 2 en 3 met betrekking tot vermogensbestanddelen van erflater en haar daarop gebaseerde grieven en vorderingen. Dit betekent dat alle grieven van appellante worden verworpen en dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd met afwijzing van het in hoger beroep meer of anders gevorderde. Appellante wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op € 291,= aan vast recht en op € 2.682,= aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en

T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op

7 mei 2013.