Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ9850

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
10-05-2013
Zaaknummer
HD 200.107.118-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betaling premie voor ziektekostenverzekering tijdens faillissement

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.107.118/01

arrest van 7 mei 2013

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.W. Pieters te Geleen,

tegen

De Onderlinge Waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars Groep,

Zorgverzekeraar U.A.,

voorheen genaamd Centrale Zorgverzekeraars Groep, Ziekenfonds U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. N.A. Koole te Middelburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 mei 2012 ingeleide hoger beroep van het door de recht-bank (sector kanton, locatie Heerlen) Maastricht gewezen vonnis van 28 maart 2012 tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – CZ – als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 450627 CV EXPL 11-10276)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernieti-ging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing alsnog van de vorderingen van CZ.

Bij memorie van antwoord met twee producties heeft CZ de grieven bestreden.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in de onderhavige zaak om de vraag of [appellant], destijds failliet, jegens CZ gehouden was de premies van zijn bij CZ lopende ziektekostenverzekering te voldoen.

De volgende feiten staan vast.

4.2. [appellant] is in algemene gemeenschap van goederen gehuwd met [echtgenote]. [ap-pellant] had een eigen bedrijf, waarin hij werkte; [echtgenote] had een WAO-uitkering.

4.3. Bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 29 april 2009 is [appellant] in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Bisscheroux tot curator. Dit faillissement is op 31 juli 2012 opgeheven wegens gebrek aan baten.

4.4. [appellant] is reeds decennia bij CZ verzekerd tegen ziektekosten, voorheen krachtens de Ziekenfondswet, thans krachtens een ziektenkostenverzekering.

4.5. [appellant] heeft sedert 1 juni 2009 de premies in het geheel niet betaald; de omvang van het eventueel door hem verschuldigde bedrag komt verderop aan de orde.

4.6. CZ heeft in rechte betaling gevorderd van premies en eigen risico in de periode van 1 juni 2009 tot en met 31 januari 2012 plus de diverse ter zake van eigen risico voor rekening van [appellant] komende bedragen. In totaal gaat het om een hoofdsom van € 3.491,05.

4.7. [appellant] heeft verweer gevoerd, inhoudende - kort gezegd - dat het gaat om een boedelschuld, ook omdat de verzekering vóór het faillissement is afgesloten, voorts omdat onjuist is dat de curator hem gelden ter beschikking zou hebben gesteld om de premie te voldoen, en ten slot-te omdat verzuimd is een beschikking als bedoeld in art. 21 Fw. te nemen. [appellant] betwistte ook de hoogte van de vordering van CZ.

4.8. De kantonrechter heeft de verweren verworpen en de vordering van CZ toegewezen. Daartegen zijn grieven gericht, waarmee het geschil, naar het hof begrijpt, in volle omvang aan het hof is voorgelegd.

4.9. Voorop gesteld dient te worden dat krachtens art. 23 Fw. de failliet door het faillisse-ment weliswaar de beschikking en het beheer over zijn vermogen verliest, doch dat hij niet hande-lingsonbekwaam wordt. Hij kan dus verplichtingen aangaan en ook overigens kunnen verplichtingen te zijnen laste ontstaan.

4.10. Uitgangspunt is dat voor verbintenissen, ontstaan na de faillietverklaring, de boedel niet aansprakelijk is; art. 24 Fw.

4.11. In verband met het verweer van [appellant], inhoudende dat de premieverplichtingen voortvloeiden uit voor het faillissement aangegane verplichtingen, kan worden verwezen naar onder meer HR 30 januari 1987, LJN AG5528. Het betrof in dat geval een huurovereenkomst, doch het aldaar overwogene kan evenzeer worden toegepast op andere duurovereenkomsten welke met zich brengen dat met het verstrijken van de tijd enerzijds telkens een nieuwe prestatie wordt geleverd (het verschaffen van woongenot bij huur, het verschaffen van dekking tegen ziektekosten bij een ziektekostenverzekering) en anderzijds telkens de tegenprestatie verschuldigd is. Voor zover die tegenprestatie op het moment van de faillietverklaring nog niet is geleverd en de tegenprestatie nog niet verschuldigd is geworden, gaat het dus om een toekomstige vordering welke niet in de boedel valt. Dat die toekomstige vordering voortspruit uit een reeds ten tijde van de faillietverklaring be-staande rechtsverhouding maakt dit niet anders.

4.12. Dit alles betekent dat hoe dan ook, als regel, de premie van de ziektekostenverzekering die vervalt na de faillietverklaring en die betrekking heeft op voortgezette dekking na de faillietver-klaring, enerzijds niet als in de boedel vallende schuld en anderzijds niet als boedelschuld valt aan te merken; de op de premiebetaling betrekking hebbende verbintenis is dan een verbintenis van degene die de rechtshandeling heeft verricht, in dit geval de verzekeringsovereenkomst heeft afgesloten, waaruit die verplichting voortvloeit, ook al is die overeenkomst voor de faillietverklaring gesloten.

4.13. Uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt - CZ beroept zich hier ook op - dat de curator bepaalde inkomsten aan [appellant] en/of [echtgenote] heeft gelaten, teneinde daarmee in hun le-vensonderhoud te kunnen voorzien, waaronder het betalen van de CZ-premies.

4.14. Verwezen kan worden naar een brief van de curator met bijlagen van 6 augustus 2010 van de curator aan het incassobureau, met bijlagen.

De curator schrijft in die brief onder meer:

Tijdens die bespreking [hof: gevoerd met [appellant] en [echtgenote] op de dag van de failliet-verklaring, 29 april 2009] werd (tevens) een globale inventarisatie gemaakt van de kosten ge-paard gaande met de exploitatie en de (privé)huishouding enerzijds en de inkomsten uit de be-drijfsomzet en de WAO-uitkering van [echtgenote] anderzijds. Afgesproken werd dat (…)

- de bedrijfsactiviteiten door failliet konden worden voortgezet

- failliet en [echtgenote] het beheer van de eigen inkomsten en uitgaven zelf konden blij-ven doen en derhalve zelf de kosten der huishouding, waaronder de CZ-premie, zullen betalen uit hun inkomsten

- [echtgenote] … wekelijks verantwoording zou afleggen aan de curator en maandelijks uit de omzet € 1.250,-- zouden overgemaakt op de boedelrekening

- alle aan de bedrijfsexploitatie en privé-huishouding verbonden kosten voldaan zouden worden (met uitzondering van de hypotheekschuld) uit genoemde inkomsten en de met voortzetting der exploitatie verbonden risico's gedekt zouden zijn.

Dit werd bevestigd bij brief d.d. 4 mei 2009 aan de advocaat van failliet, mr. Holthuijsen te Maastricht.

4.15. In het vervolg van die brief doet de curator verslag van vele contactmomenten tussen hem en [appellant], waarbij aan de orde waren het betalen van CZ-premies en het opgeven van inkomsten.

4.16. [appellant] heeft in de conclusie van antwoord sub 4 gesteld dat de curator hem heeft laten doorwerken in zijn winkel, zonder hem daarvoor enige vergoeding te geven. In de conclusie van dupliek sub 7 stelt hij dat hij geen bedragen uit de boedel ontvangt waarmee hij de premies zou kunnen voldoen. Dit laatste herhaalt hij in de memorie van grieven (blad 1 onderaan) waaraan hij toevoegt dat de curator hem de winkel gedurende ongeveer een half jaar ten bate van de boedel heeft laten verder exploiteren.

4.17. Het hof constateert dat [appellant] bij dit alles onvermeld laat dat in beginsel alle in-komsten uit de winkel aan hem en zijn vrouw werden gelaten, op een afdracht van € 1.250,-- per maand na. Kennelijk achtten [appellant] (en [echtgenote]) de afspraak zoals verwoord in de brief van de curator van 6 augustus 2010 een haalbare kaart. Onweersproken heeft de curator in zijn brief opgenomen dat deze afspraak was bevestigd aan de toenmalige advocaat van [appellant].

4.18. Er is dus geen sprake van dat de curator zich tegenover hetzij [appellant], hetzij CZ heeft uitgelaten of opgesteld op een wijze dat [appellant] en/of CZ daaruit mochten of moesten aflei-den dat de curator de voortgezette verplichting tot betaling van de CZ-premies als boedelschuld op zich nam.

4.19. Terecht heeft de kantonrechter de premies niet beschouwd als in de boedel vallende schulden noch als boedelschulden, doch als eigen schulden van [appellant]. Overigens is het faillis-sement inmiddels opgeheven wegens gebrek aan baten, en dan zouden eventuele in de boedel val-lende schulden en boedelschulden alsnog als schulden van [appellant] zelf moeten worden aange-merkt.

4.20. In het kader van grief 1 voert [appellant] nog aan dat CZ niet overeenkomstig haar eigen algemene voorwaarden de verzekering heeft beëindigd, en dat [appellant] ervan uit mocht gaan dat CZ dat wel had gedaan.

4.21. Nog daargelaten dat CZ betwist dat het artikel dat [appellant] citeert onderdeel zou uitmaken van enige overeenkomst welke tussen partijen geldt, heeft CZ terecht opgemerkt dat haar - eventuele - bevoegdheid om een verzekeringsovereenkomst te beëindigen ook niet de verplichting impliceert om daarvan gebruik te maken. In tegendeel, juist bij een overeenkomst als de onderhavi-ge - welke in een moderne maatschappij als een eerste levensbehoefte pleegt te worden aangemerkt - is het niet onjuist dat een ziektekostenverzekeraar een terughoudend beleid voert bij het eigen-machtig beëindigen van verzekeringsovereenkomsten, zelfs al zou zij daartoe formeel bevoegd zijn.

4.22. [appellant] heeft zich beroepen op art. 18c en d van de Zorgverzekeringswet. Deze artikelen zijn in werking getreden op 1 september 2009. Art. IX (van de Wet van 18 juli 2009, Stb. 2009-356, waarbij deze artikelen zijn toegevoegd) bevat een overgangsbepaling, welke er kort ge-zegd op neer komt dat bij een bestaande achterstand in de premiebetaling de verplichtingen als omschreven in art. 18c in gaan twee maanden na inwerkingtreding van de wet, dus in dit geval: 1 november 2009.

4.23. Anders dan [appellant] stelt houdt deze wet in het algemeen en houden de door hem genoemde artikelen in het bijzonder niet in dat CZ niet gerechtigd zou zijn premies zelf te innen, als de melding door CZ niet of niet tijdig is gedaan of de overname van de incasso niet of niet tijdig door het CVZ ter hand is genomen. In tegendeel is het de kennelijke bedoeling van de wet zoveel mogelijk te bevorderen dat hoe dan ook de premies worden betaald.

Wel brengt een redelijke uitleg met zich, dat indien en voor zover door het CVZ premies worden geïnd, CZ dat niet meer kan doen.

4.24. Volgens CZ is [appellant] de premies vanaf augustus 2012 verschuldigd aan CVZ. [ap-pellant] heeft hierop niet meer kunnen reageren, doch het hof acht zulks niet nodig. [appellant] heeft immers niet gesteld, en overigens is ook niet gebleken, dat reeds voor 1 februari 2012 - de vordering van CZ heeft betrekking op premies tot en met 31 januari 2012 - door [appellant] premies zouden zijn betaald aan CVZ dan wel dat CVZ daarop aanspraak heeft gemaakt.

4.25. [appellant] heeft nog gesteld dat nu de curator eerst op 2 februari 2012 een beschik-king als bedoeld in art. 21 Fw. heeft aangevraagd, de premies boedelschulden zijn en [appellant] die premies dus niet aan CZ verschuldigd is.

Niet geheel duidelijk is waarop [appellant] doelt. Aannemende dat hij doelt op een beschikking ex art. 21 lid 2 Fw., dan moet worden opgemerkt dat het daarbij gaat om een beschikking ten aanzien van inkomsten welke buiten het faillissement blijven. Daarmee is niets gezegd over de vraag of be-paalde vorderingen al dan niet boedelvorderingen zijn. Het gaat in dit geval enkel om vorderingen, waarvan tussen de curator en de failliet is afgesproken dat de failliet deze zelf zou voldoen, daartoe in de gelegenheid gesteld door het gegeven dat een deel van de inkomsten aan hem werden gelaten. Dat zulks is geschied doordat de curator, en niet de rechter-commissaris, daartoe had besloten, maakt dit niet anders.

4.26. Wat de hoogte van de vordering betreft:

Deze is door CZ gespecificeerd bij prod. 3 bij conclusie van repliek. Grief 1 houdt in dat de kanton-rechter ten onrechte zou hebben overwogen dat de vordering van CZ "juist" zou zijn opgebouwd, maar enig gemotiveerd verweer tegen de opbouw van de vordering zoals omschreven in genoemde productie is door [appellant] niet gevoerd.

4.27. Gelet op het vorenstaande falen alle grieven en alle verweren van [appellant] en dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep;

veroordeelt appellant in de kosten van het geding, aan de zijde van geïntimeerde tot heden begroot op € 666,-- aan verschotten en € 632,-- voor salaris advocaat;

verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M. Huijbers-Koopman en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 mei 2013.