Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ9807

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
20-001138-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1500, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 420ter Sr.: Veroordeling tot 12 maanden gevangenisstraf voor het medeplegen van gewoontewitwassen. De echtgenote van verdachte heeft in de ten laste gelegde periode grote geldbedragen verduisterd. In het dossier is geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte direct betrokken is geweest bij deze verduistering. Evenmin is bewijs voorhanden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte als medepleger de door zijn echtgenote verduisterde (girale) geldbedragen tot een totaal van € 1.113.422,37 op enig moment voorhanden heeft gehad. Het hof heeft wel vastgesteld dat verdachte en zijn echtgenoot de beschikking hebben gehad over grote geldbedragen, tot een totaal van € 257.876,51. Gelet op diverse feiten en omstandigheden (waaronder tegenstrijdige verklaringen), de hoogte van de geldbedragen en nu verdachte naar het oordeel van het hof geen aannemelijke verklaring hiervoor heeft gegeven, kunnen deze geldbedragen naar het oordeel van het hof niet anders dan - middellijk dan wel onmiddellijk - afkomstig zijn van enig misdrijf. De vordering van de benadeelde partij wijst het hof af, omdat sprake is van een te ver verwijderd verband tussen de schade, geleden ten gevolge van de verduistering door de echtgenote van verdachte, en het bewezen verklaarde gewoontewitwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001138-10

Uitspraak : 8 mei 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van

4 maart 2010 in de strafzaak met parketnummer 02-800248-09 tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1962],

wonende te [adres] [woonplaats].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank verdachte ter zake - kort gezegd - het medeplegen van gewoonte witwassen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

Daarnaast heeft de rechtbank de teruggave van de in beslag genomen goederen aan verdachte gelast en de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest;

- de in beslag genomen goederen zal teruggeven aan verdachte;

- de vordering van [benadeelde partij] zal toewijzen tot een bedrag van € 264.626,50 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met dien verstande dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk zal worden toegewezen.

De raadsman van verdachte heeft:

- primair bepleit dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken bij gebreke aan wettig en overtuigend bewijs;

- subsidiair bepleit om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en geen hogere straf op te leggen dan het reeds ondergane voorarrest;

- het voorwaardelijke verzoek gedaan om, indien het hof tot een bewezenverklaring ter zake van het ten laste gelegde feit komt en de verklaring ten aanzien van verdachte over het niet verplicht zijn (meer) belastingen in Nigeria te betalen, niet aannemelijk acht, een deskundige op het gebied van Nigeriaans belastingrecht te horen;

- verzocht de teruggave te gelasten aan verdachte van de in beslag genomen goederen;

- bepleit dat de vordering van [benadeelde partij] niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging en daarmee de grondslag van het onderzoek is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 augustus 2007 tot en met 18 maart 2009, te Tilburg en/of te Breda en/of (elders) in Nederland en/of in Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, de navolgende voorwerpen heeft witgewassen, terwijl hij al dan niet van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/ hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen voorwerpen, te weten:

- één of meer (girale) geldbedragen tot een totaal van € 1.113.422,37, althans een groot geldbedrag (zijnde het totaalbedrag van de door zijn medeverdachte(n) naar [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] overgeboekte bedragen)

althans

- één of meer geldbedrag(en) van in totaal € 126.764,00, althans een groot geldbedrag (zijnde de contante stortingen op de rekeningen van verdachte en/of zijn medeverdachte) en/of

- één of meer geldbedrag(en) van in totaal € 1.412,88, althans een groot geldbedrag (zijnde het totaalbedrag van een viertal moneytransfers) en/of

- een geldbedrag van € 74.749,62 (zijnde het aankoopbedrag van een stuk grond in Nigeria) en/of

- een geldbedrag van € 57.000,00, althans een groot geldbedrag (zijnde het totaal van de contante stortingen op de mede op naam van verdachte staande rekeningen bij the First Bank of Nigeria) en/of

- een contant geldbedrag van € 4.700,00 (zijnde het bedrag dat bij de aanhouding van zijn medeverdachte in haar portemonnee is aangetroffen),

althans één of meerdere contante en/of girale geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van één of meerdere voorwerp(en), te weten genoemde geldbedrag(en), gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn, verdachtes, mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerpen/geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - (telkens) afkomstig was/waren uit verduistering in dienstbetrekking en/of diefstal en/of oplichting, althans uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak

Het hof zal verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde - kort gezegd - het medeplegen van het witwassen van een giraal geldbedrag van € 1.113.422,37, zijnde het totaalbedrag van de door [medeverdachte] naar [bedrijf 1], [bedrijf 2], [bedrijf 3], [bedrijf 4] en [bedrijf 5] overgeboekte bedragen.

Het hof overweegt dat geen dan wel onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte als medepleger de door zijn echtgenote verduisterde (girale) geldbedragen tot het totaalbedrag van € 1.113.422,37 op enig moment voorhanden heeft gehad, heeft verworven, heeft overgedragen of heeft omgezet.

Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het primaire deel van de tenlastelegging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 17 augustus 2007 tot en met 18 maart 2009, te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander, de navolgende voorwerpen heeft witgewassen, terwijl hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader, meermalen voorwerpen, te weten:

- geldbedragen (zijnde de contante stortingen op de rekeningen van verdachte en zijn medeverdachte) en

- € 1.412,88 (zijnde het totaalbedrag van een viertal moneytransfers) en

- een geldbedrag van € 74.749,62 (zijnde het aankoopbedrag van een stuk grond in Nigeria) en

- een geldbedrag van € 57.000,00 (zijnde het totaal van de contante stortingen op de mede op naam van verdachte staande rekeningen bij the First Bank of Nigeria)

voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij en zijn, verdachtes, mededader wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - (telkens) afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

A.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.

B.

De raadsman heeft voorts betoogd dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen, die in de visie van de advocaat-generaal (on)middellijk van enig misdrijf afkomstig zijn, kunnen worden verklaard door legale inkomsten. De raadsman heeft in dit verband (onder meer) aangevoerd:

- dat verdachte uit in Nigeria gedreven ondernemingen inkomsten heeft verworven;

- hij na het overlijden van zijn vader in Nigeria een erfenis heeft ontvangen.

Ad A en B.

Gelet op de samenhang tussen de onder ad A en ad B weergegeven verweren van de raadsman bespreekt het hof beide verweren gezamenlijk.

Het hof stelt de navolgende - overigens niet door de verdediging betwiste - feiten en omstandigheden vast ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen:

- Uit een onderzoek naar de bij verdachte in gebruik zijnde Postbank rekening en naar de bij zijn echtgenote, [medeverdachte], in gebruik zijnde Rabobank rekening blijkt dat op de Postbank rekening van verdachte in totaal € 4.024,- in de ten laste gelegde periode is gestort door zijn echtgenote. Op de Rabobank rekening van zijn echtgenote is in de ten laste gelegde periode in totaal een bedrag gestort van € 120.590,-. (Zaaksdossier C 3/1, pagina’s 334-338)

- Bij de doorzoeking van de woning van verdachte en zijn echtgenote werd een ordner aangetroffen met op de rug de tekst “Western Union”. In deze ordner bevonden zich moneytransfer formulieren. Hieruit blijkt dat vier moneytransfers door verdachte en zijn echtgenote hebben plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode, respectievelijk voor de bedragen € 129,61, € 150,-, € 133,28 en € 1.000,-. (Zaaksdossier C 4/1, pagina’s 583-586 en 592)

- Bij de doorzoeking van de woning van verdachte werd een geschrift van The Wright Family met als opschrift “Land receipt” d.d. 5 februari 2009 aangetroffen, zijnde een kwitantie van de aankoop van een stuk grond in Nigeria voor € 15 miljoen Nigeriaanse Naira door verdachte en zijn echtgenote. (Zaaksdossier C 4/1, pagina 664). Door de verbalisanten is dit bedrag omgerekend naar euro’s: 15 miljoen Nigeriaanse Naira staat gelijk aan een geldbedrag van € 74.749,62. (Zaaksdossier C 4/1, pagina 605)

- Bij de doorzoeking van de woning van verdachte en zijn echtgenote werden bescheiden aangetroffen die betrekking hadden op een bankrekening met nummer 2352900714624 op naam van verdachte en zijn echtgenote bij “The First Bank of Nigeria”. Voorts werden diverse stortingsbewijzen aangetroffen waaruit blijkt dat in de ten laste gelegde periode door verdachte stortingen zijn gedaan op deze bankrekening tot een bedrag van € 57.100,-. (Zaaksdossier C 4/1, pagina’s 545-547)

Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat verdachte en zijn echtgenote in de ten laste gelegde periode grote geldbedragen, tot een totaal van € 257.876,51, voorhanden hebben gehad/omgezet en of overgedragen.

Zoals het hof bewezen heeft verklaard in de zaak met parketnummer 20-001222-10, heeft de echtgenote van verdachte in de ten laste gelegde periode grote geldbedragen verduisterd, die zij uit hoofde van haar dienstbetrekking onder zich had. In het dossier is geen dan wel onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte direct, als medepleger dan wel medeplichtige, betrokken is geweest bij deze verduistering.

Zoals blijkt uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden hebben verdachte en zijn echtgenote echter wel de beschikking gehad over grote geldbedragen. Het hof is van oordeel dat deze geldbedragen (on)middellijk van enig misdrijf afkomstig moeten zijn geweest en dat zij, verdachte en zijn echtgenote, geldbedragen hebben witgewassen door deze over te dragen op (buitenlandse) bankrekeningen en om te zetten in grond, teneinde de illegale herkomst van deze geldbedragen te verhullen.

Het hof grondt dat oordeel op de navolgende onder i tot en met v weergegeven feiten en omstandigheden waaruit het hof, in onderling verband en samenhang bezien, afleidt dat het niet anders kan zijn dan dat de hiervoor genoemde geldbedragen (on)middellijk van misdrijf afkomstig moeten zijn geweest en verdachte en zijn echtgenote dit ook wisten.

i.

De omstandigheid dat verdachte en zijn echtgenote geen inkomsten in Nederland hebben gehad, die het voorhanden hebben van dergelijk grote geldbedragen kunnen verklaren. Bij de politie heeft de echtgenote van verdachte immers verklaard dat haar inkomsten in Nederland alleen bestonden uit haar salaris bij [benadeelde partij]. Haar salaris bedroeg ongeveer € 2.000,- netto per maand met daarnaast vakantiegeld, een zogenoemde 13de maand en bonussen. Vanwege schulden bij Visa was op haar salaris loonbeslag gelegd ter hoogte van € 400,- per maand. Tevens heeft de echtgenote van verdachte verklaard dat verdachte geen werk en inkomsten in Nederland had. (Zaaksdossier C 4/1, pagina 691).

ii.

De omstandigheid dat zowel over de inhoud van een gestelde erfenis als over de datum van overlijden van de vader van verdachte wisselend en tegenstrijdig is verklaard door zowel verdachte als hierover gehoorde getuigen.

Ten aanzien van de datum van overlijden van de vader van verdachte wijst het hof in dit verband op de verklaringen van:

- de echtgenote van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 28 december 2010, inhoudende dat de vader van verdachte in de periode 1995 tot 1998 is overleden; (proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris te Breda d.d. 28 december 2010)

- verdachte bij de politie d.d. 14 april 2009, inhoudende dat zijn vader in 1999 is overleden; (Zaaksdossier C 4/1, pagina 738)

- de broer van verdachte, [getuige 1] tijdens zijn verhoor in Nigeria door de rechter-commissaris d.d. 29 mei 2012, inhoudende dat zijn vader pas in 2001 is overleden. (proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 29 mei 2012)

Ten aanzien van inhoud van de gestelde erfenis wijst het hof in dit verband op:

- de verklaring van verdachte bij de politie d.d. 14 april 2009, inhoudende dat zijn vader een stuk grond en geld heeft nagelaten; (Zaaksdossier C 4/1, pagina 738).

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank d.d. 18 februari 2010, inhoudende dat hij in het bezit is geraakt van een drukkerij en een privébedrijf, waarbij ook zijn vader betrokken is geweest. Tevens zou hij een stuk land hebben gekocht; (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 18 februari 2010)

- het tijdens de procedure in hoger beroep op de terechtzitting van 10 augustus 2010 overgelegde geschrift met als opschrift ‘Sworn Affidavit’ d.d. 18 augustus 2009 afkomstig van de broer van verdachte, [getuige 1]. De broer van verdachte stelt in dit geschrift dat zijn vader huizen en geld op de bank heeft achtergelaten aan zijn kinderen. [getuige 1] spreekt dan over bedrijven noch over grond; (‘Sworn Affidavit’, aangehecht aan het proces-verbaal ter terechtzitting d.d.

10 augustus 2010)

- de verklaring van de broer van verdachte, [getuige 1] tijdens zijn verhoor in Nigeria door de rechter-commissaris d.d. 29 mei 2012, inhoudende dat zijn vader een groot stuk land, een drukkerij, geld en huizen aan zijn kinderen heeft nagelaten; (Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 29 mei 2012).

- het tijdens de procedure in hoger beroep op de ter terechtzitting d.d. 14 november 2012 overgelegde geschrift d.d. 12 december 1996 met als opschrift “This is last Will and Testament of [naam]”. In dit stuk is vermeld dat de vader van verdachte aan zijn drie kinderen, negen te onderscheiden landerijen - met een aanduiding van de locatie waaruit is af te leiden dat deze niet aangrenzend zijn - een drukkerij, giraal geld van vier bankrekeningen en aandelen heeft nagelaten (geschrift d.d. 12 december 1996 met als opschrift “This is last Will and Testament of [naam], aangehecht aan het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 november 2012).

Gelet op deze wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen zowel ten aanzien van de inhoud van de erfenis als de datum van overlijden van de vader van verdachte, hecht het hof geen geloof aan de gestelde geërfde vermogensbestanddelen door het overlijden van de vader van verdachte en het ter onderbouwing overgelegde testament.

iii.

De omstandigheid dat verdachte en zijn echtgenote over de gestelde inkomsten uit Nigeriaanse restaurants wisselend en tegenstrijdig hebben verklaard. Het hof wijst in dit verband op:

- de verklaring van verdachte bij de politie d.d. 19 maart 2009, inhoudende dat hij vijf restaurants had, waarmee hij gemiddeld € 500,- per dag verdiende. (Zaaksdossier C 4/1, pagina 727).

- De verklaring van verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank d.d. 18 februari 2010, inhoudende dat hij geen groot inkomen verdiende uit de Nigeriaanse restaurants. Hij verdiende zo’n € 100,- tot € 120,- per dag uit de restaurants. (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 18 februari 2010).

- De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 november 2012. Op deze zitting is verdachte geconfronteerd met het feit dat hij tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 20 december 2010 als getuige in de zaak van zijn echtgenote heeft verklaard dat hij € 500,- per restaurant per dag verdiende, hetgeen op jaarbasis zou betekenen dat hij meer dan € 900.000,- aan inkomsten uit zijn restaurants zou ontvangen. Verdachte verklaart dan dat hij ongeveer € 100,- per restaurant per dag verdiende. (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 november 2012).

- De als jaaroverzichten aangeduide geschriften over 2007 en 2008 die de verdediging bij brief van 10 augustus 2010 heeft overgelegd (als productie 4 gevoegd bij voornoemde brief). Verdachte is in staat gesteld om aan de hand van de gestelde jaaroverzichten duidelijk te maken van hoeveel restaurants hij (mede) eigenaar was in Nigeria en wat de winst was van deze restaurants. Gebleken is dat verdachte daartoe niet in staat is, ondanks dat hij stelt dergelijke overzichten enigszins te begrijpen (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 november 2012)

Gelet op de onduidelijkheden en de wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen hecht het hof dan ook geen geloof aan de gestelde inkomsten uit Nigeriaanse restaurants en de ter onderbouwing overgelegde jaaroverzichten.

iv.

De omstandigheid dat niet is gebleken dat verdachte en/of zijn echtgenote de door hen gestelde legale inkomsten, anders dan het loon van de echtgenote, hebben opgegeven aan de belastingdienst. Uit het in hoger beroep overgelegde aanvullend proces-verbaal “Inhoud aangiften loonbelasting” d.d. 8 januari 2013 van de Belastingdienst/FIOD en de daarbij gevoegde bijlagen blijkt immers dat verdachte over het jaar 2007 geen aangifte inkomstenbelasting heeft ingediend. Over de jaren 2008 en 2009 is verdachtes verzamelinkomen door de belastingdienst op basis van de ingediende aangiften op € 0,- vastgesteld. De echtgenote van verdachte heeft over genoemde jaren alleen haar looninkomsten van haar werkgever [benadeelde partij] opgegeven. Daarnaast heeft verdachte over de ten laste gelegde periode nooit bij de belastingdienst zijn wereldinkomen opgegeven, terwijl hij gelet op zijn gestelde aanzienlijke Nigeriaanse inkomsten, daartoe wel gehouden was.

v.

De omstandigheid dat uit de door de advocaat-generaal overgelegde correspondentie met de Nigeriaanse autoriteiten blijkt dat verdachte over de jaren 2003-2012 een zeer klein bedrag aan belastingen heeft betaald in Nigeria, hetgeen in geen verhouding staat tot de door hem gestelde Nigeriaanse inkomsten.

Gelet op de hiervoor weergegeven onder i tot en met v weergegeven omstandigheden, de hoogte van de geldbedragen en nu verdachte naar het oordeel van het hof geen aannemelijke verklaring hiervoor heeft gegeven, kunnen deze geldbedragen naar het oordeel van het hof niet anders dan - middellijk dan wel onmiddellijk - afkomstig zijn van enig misdrijf.

Nu verdachte bovendien samen met zijn echtgenote actief betrokken is geweest bij het omzetten en overdragen van deze geldbedragen (door middel van stortingen, moneytransfers en overboekingen) heeft hij bewust en nauw samengewerkt met zijn echtgenote om de werkelijke aard van de (middellijk dan wel onmiddellijk) van misdrijf afkomstige gelden te verhullen.

Uit de hiervoor weergegeven omstandigheden onder i tot en met v en het handelen van verdachte, leidt het hof tevens af dat verdachte, wist dat het geld (on)middellijk van misdrijf afkomstig was.

C.

De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij geen belasting in Nigeria hoefde te betalen, nu sprake was van een zogenoemde ‘Venture’ naar Nigeriaans recht. Bij dergelijke ondernemingen is de ondernemer, in tegenstelling tot een ‘Limited’ naar Nigeriaans recht, niet verplicht om belasting af te dragen, aldus de verdachte. De raadsman heeft aan deze stelling van verdachte het voorwaardelijke verzoek gekoppeld om, indien het hof het ten laste gelegde feit bewezen verklaart en bij diens overwegingen betrekt dat verdachte onvoldoende belastingen in Nigeria heeft betaald, een deskundige in Nigeriaans belastingrecht te horen over de stelling van verdachte.

Ad C.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de bij brief van 10 augustus 2010 verstrekte jaaroverzichten over 2007 en 2008, bedoeld om de Nigeriaanse inkomsten van verdachte uit zijn restaurants te onderbouwen (als productie 4 gevoegd bij voornoemde brief), dat de restaurants die verdachte stelt te hebben gehad in Nigeria, niet waren ondergebracht in een ‘Venture’. De gestelde jaaroverzichten hebben immers betrekking op [naam Ltd.], waarbij de afkorting Ltd. staat voor een ‘Limited’ naar Nigeriaans recht.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van verdachte en wijst tevens het voorwaardelijke verzoek van de raadsman af, nu het verweer en het verzoek feitelijke grondslag missen en het hof bovendien niet is gebleken van de noodzaak tot het horen van de verzochte deskundige.

D.

Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Ad D

Gelet op de hoeveelheid stortingen, money transfers en overboekingen die verdachte heeft verricht alsmede de periode waarover deze zich hebben uitgestrekt, is er naar het oordeel van het hof sprake van het door verdachte tot een gewoonte maken van witwassen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde witwassen van grote geldbedragen inbreuk is gemaakt op de integriteit van het financiële en economische verkeer;

- de omstandigheid dat verdachte gedurende een langere tijd veelvuldig geld heeft witgewassen en daar een gewoonte heeft gemaakt;

- de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie

d.d. 6 maart 2013, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake soortgelijke feiten door de strafrechter is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden in beginsel een passende reactie.

Het hof komt echter tot een mildere strafoplegging. Daartoe heeft het hof rekening gehouden met het gegeven dat er in de hoger beroepsfase sprake is van, zoals de verdediging heeft aangevoerd, een overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte heeft immers bij akte van 12 maart 2010 hoger beroep ingesteld en het eindarrest in hoger beroep wordt gewezen op 8 mei 2013. Met de verdediging stelt het hof vast dat, uitgaande van de door de Hoge Raad vastgestelde berechtingstermijn van twee jaar, de termijn is overschreden met bijna veertien maanden, welke overschrijding in de ogen van het hof niet geheel wordt gerechtvaardigd door de bijzondere ingewikkeldheid van de zaak of de procesopstelling van verdachte. Bij deze overweging heeft het hof betrokken dat een deel van de vertraging te wijten is aan de politieke instabiele situatie in Nigeria, zodat getuigen daar niet of pas na enige tijd konden worden gehoord, hetgeen niet te wijten is aan de verdediging.

Alles overziende - daarbij er van uitgaande dat op grond van de hierboven weergegeven termijnoverschrijding een korting wordt toegepast van 2 maanden - is het hof van oordeel dat veroordeling tot de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen worden teruggegeven aan verdachte, nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de in beslag genomen gegevensdrager (harddiskrecorder camerasysteem, merk Samsung) met het beslagnummer BRZ90.H01.1501 aan verdachte dient te worden geretourneerd, overweegt het hof als volgt.

Zoals blijkt uit de stukken zijn deze voorwerpen niet onder verdachte maar onder zijn echtgenote in beslag genomen. Bij de behandeling van het klaagschrift d.d. 7 maart 2012 heeft zijn echtgenote verklaard dat zij zich niet verzet tegen teruggave van de gegevensdrager aan verdachte. Het hof heeft bij arrest van 8 mei 2013 in de zaak van medeverdachte met parketnummer 20-001222-10 dan ook gelast dat de gegevensdrager zal worden geretourneerd aan verdachte.

In de onderhavige zaak behoeft het hof dan ook geen beslissing te nemen over de in beslag genomen gegevensdrager.

Vordering van [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.568.355,93. De benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De vordering strekt derhalve tot betaling van € 1.568.355,93.

Het hof stelt vast dat de schade van de benadeelde partij rechtstreeks is te herleiden tot de verduistering in dienstbetrekking gepleegd door de echtgenote van verdachte. Verdachte wordt veroordeeld ter zake medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

Het hof overweegt dat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij ook rechtstreeks schade heeft geleden door een witwashandeling op grond van de concrete omstandigheden van het geval dient te worden bepaald of sprake is van voldoende rechtstreeks en nauw verband tussen de witwashandeling en de door de rechthebbende, [benadeelde partij], geleden schade.

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van een te ver verwijderd verband tussen de schade, geleden ten gevolge van de verduistering door de echtgenote van verdachte en het bewezen verklaarde witwassen. De benadeelde partij [benadeelde partij] kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum vermeld.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. één mobiele telefoon (merk Sony Ericsson) met oplader,

2. één mobiele telefoon (merk Sony Ericsson),

3. één mobiele telefoon (merk Samsung) met oplader

4. sleutels.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. van der Pijl, griffier,

en op 8 mei 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.