Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ9805

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
20-001222-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1501, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artt. 321, 322 en 420ter Sr.: Veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf voor verduistering uit hoofde van haar dienstbetrekking en gewoontewitwassen. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte, op grond van bevoegdheden uit hoofde van haar dienstbetrekking en door vervolgens controles binnen het bedrijf te ontduiken, als heer en meester over geldbedragen van haar werkgever heeft kunnen beschikken. Door deze vervolgens over te laten boeken naar fictieve leveranciers heeft verdachte deze geldbedragen zich wederrechtelijk toegeëigend. Het feit dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of verdachte ook (een deel van) de revenuen heeft verkregen, doet naar het oordeel van het hof niet af aan het feit dat verdachte door haar handelen de opbrengsten van haar misdrijf heeft overgedragen naar fictieve leveranciers/crediteuren, met als kennelijk doel het witwassen van uit dat misdrijf verkregen geldbedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001222-10

Uitspraak : 8 mei 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van

4 maart 2010 in de strafzaak met parketnummer 02-810731-09 tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1975],

wonende te [adres] [woonplaats].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank verdachte ter zake van - kort gezegd -:

- feit 1: verduistering, gepleegd uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, en

- feit 2: het medeplegen van gewoonte witwassen,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van de in beslag genomen goederen en de vordering van de benadeelde partij.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest;

- ten aanzien van de in beslag genomen goederen zal oordelen conform de beslissingen van de rechtbank;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] zal toewijzen tot een bedrag van € 1.110.422,37 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met dien verstande dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk zal worden toegewezen.

De verdediging heeft:

- bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het aan haar onder 1 en 2 ten laste gelegde, omdat de onderzoeksresultaten en informatie afkomstig van [benadeelde partij] van het bewijs dienen te worden uitgesloten en er na bewijsuitsluiting onvoldoende bewijs resteert;

- bepleit dat de verdachte ter zake van het aan haar onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs;

- het voorwaardelijke verzoek gedaan om, indien het hof komt tot een bewezen verklaring ter zake van feit 1 en bij de bewijsvoering betrokken heeft de verkregen onderzoeksresultaten naar aanleiding van het verrichte onderzoek naar de in de woning van verdachte aangetroffen computer, de betreffende rechercheur te horen die het onderzoek heeft verricht;

- het voorwaardelijke verzoek gedaan om, indien het hof tot een bewezen verklaring ter zake van feit 2 komt en van oordeel is dat de gestelde inkomsten van verdachte en haar man, [medeverdachte], onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt, acht met naam genoemde getuigen te horen;

- het voorwaardelijke verzoek gedaan om, indien het hof tot een bewezen verklaring ter zake van feit 2 komt en bij dit oordeel betrekt dat verdachte en [medeverdachte] ten onrechte onvoldoende belasting hebben betaald een deskundige op het gebied van Nigeriaans belastingrecht te horen;

- bepleit dat de in beslag genomen goederen aan verdachte worden teruggegeven;

- bepleit dat de vordering van de benadeelde partij, wordt afgewezen dan wel niet-ontvankelijk verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging en daarmee de grondslag van het onderzoek is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2007 tot en met 18 maart 2009 te Breda en/of te Tilburg en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk één of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer € 1.113.422,37, in elk geval één of meer geldbedrag(en), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde partij]., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerkster crediteurenadministratie/Accounts Payable Associate, op het Shared Service Center, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door, op basis van valse/vervalste/valselijk opgemaakte facturen, fictieve leveranciers/crediteuren in het SAP-administratiesysteem van [benadeelde partij] in te (laten) voeren, en/of vervolgens één of meerdere geldbedrag(en) naar de bankrekeningen van die fictieve leveranciers/crediteuren over te maken/boeken;

subsidiair althans indien ter zake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2007 tot en met 18 maart 2009 te Breda en/of te Tilburg en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer € 1.113.422,37, in elk geval één of meer geldbedrag(en), in elk geval enig(e) goed(eren), dat /die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

meer subsidiair althans indien ter zake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2007 tot en met 18 maart 2009 te Breda en/of te Tilburg en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door één (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij] heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer € 1.113.422,37, althans van één of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig(e) goed(eren), hebbende verdachte en/of haar mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- op basis van één of meer valse/vervalste/valselijk opgemaakte facturen door de VMD groep een aantal fictieve leveranciers/crediteuren in het SAP-administratiesysteem van [benadeelde partij] in laten boeken en/of;

- de gegevens van een aantal reeds bestaande leveranciers/crediteuren in het SAP-administratiesysteem van [benadeelde partij] laten wijzigen in die van een aantal fictieve en/of (nadien) één of meer bankgegevens van die, aldus in het SAP-administratiesysteem ingeboekte fictieve leveranciers/crediteuren aan laten passen en/of wijzigen en/of

- (vervolgens) één of meerdere betalingsopdrachten in het SAP-administratiesysteem ingeboekt met gebruikmaking van de gegevens van de aldus ingeboekte fictieve leveranciers/crediteuren, zonder dat daar bonafide facturen aan [benadeelde partij] aan ten grondslag lagen,

en/of op enigerlei andere wijze onjuiste gegevens met betrekking tot facturen en/of betalingen in het SAP-administratiesysteem en/of elders in de administratie van [benadeelde partij] laten opnemen en/of opgenomen, waardoor [benadeelde partij] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 augustus 2007 tot en met 18 maart 2009, te Tilburg en/of te Breda en/of (elders) in Nederland en/of in Nigeria, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, de navolgende voorwerpen heeft witgewassen, terwijl zij al dan niet van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/ hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) meermalen voorwerpen, te weten:

- één of meer (girale) geldbedragen tot een totaal van € 1.113.422,37, althans een groot geldbedrag (zijnde het totaalbedrag van de door haar naar [bedrijf 4] en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 7] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 5] overgeboekte bedragen)

althans

- één of meer geldbedrag(en) van in totaal € 126.764,00, althans een groot geldbedrag (zijnde de contante stortingen op de rekeningen van verdachte en/of haar medeverdachte) en/of

- één of meer geldbedrag(en) van in totaal € 1.412,88, althans een groot geldbedrag (zijnde het totaalbedrag van een viertal money transfers) en/of

- één geldbedrag van € 74.749,62 (zijnde het aankoopbedrag van een stuk grond in Nigeria) en/of

- één geldbedrag van € 57.000,00, althans een groot geldbedrag (zijnde het totaal van de contante stortingen op de mede op naam van verdachte staande rekeningen bij de First Bank of Nigeria) en/of

- een contant geldbedrag van € 4.700,00 (zijnde het bedrag dat bij de aanhouding van verdachte in haar portemonnee is aangetroffen)

althans één of meerdere contante en/of girale geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van één of meerdere voorwerp(en), te weten genoemde geldbedrag(en), gebruik gemaakt, terwijl zij en/of haar, verdachtes, mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerpen/geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - (telkens) afkomstig was/waren uit verduistering in dienstbetrekking en/of diefstal en/of oplichting, althans uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

zij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2007 tot en met 18 maart 2009 te Breda opzettelijk geldbedragen van in totaal ongeveer € 1.113.422,37, die toebehoorden aan [benadeelde partij], welke goederen verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerkster crediteurenadministratie/Accounts Payable Associate op het Shared Service Center onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door op basis van valse/vervalste/valselijk opgemaakte facturen, fictieve leveranciers/crediteuren in het SAP-administratiesysteem van [benadeelde partij]. in te (laten) voeren, en vervolgens geldbedragen naar de bankrekeningen van die fictieve leveranciers/crediteuren over te maken;

2.

zij op tijdstippen in de periode van 17 augustus 2007 tot en met 18 maart 2009 te Breda de navolgende voorwerpen heeft witgewassen, terwijl zij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte meermalen voorwerpen, te weten:

- een groot geldbedrag (zijnde de door haar naar [bedrijf4] en [bedrijf 6] en [bedrijf 7] en [bedrijf 3] en [bedrijf 5] overgeboekte bedragen)

overgedragen, terwijl zij wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - telkens afkomstig waren uit verduistering in dienstbetrekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Ten aanzien van feit 1

A.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het dossier op een onzorgvuldige wijze is samengesteld. De verdediging heeft in dit verband - kort en samengevat weergegeven - aangevoerd dat het dossier in bepalende mate is gebaseerd op de (aanvullende) aangifte(n) van en overgelegde documenten door [benadeelde partij]. De verdediging stelt dat de door [benadeelde partij] verstrekte informatie niet door opsporingsambtenaren of het openbaar ministerie is getoetst en er geen zelfstandig onderzoek is gedaan naar andere mogelijk betrokkenen of scenario’s. De verdediging stelt dat verdachte door de wijze waarop het opsporingsonderzoek is verricht, is geschaad in haar recht op een eerlijk proces. In de visie van de verdediging dient dit bewijsuitsluiting van de onderzoeksresultaten en informatie afkomstig van [benadeelde partij] ten gevolge te hebben. Nu, na uitsluiting van dit deel van het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert, dient verdachte te worden vrijgesproken van het aan haar onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Ad A.

Met de verdediging stelt het hof vast dat, zoals ook blijkt uit de getuigenverklaringen van de direct betrokkenen bij het opsporingsonderzoek en de advocaat van [benadeelde partij],

het opsporingsonderzoek is gestart naar aanleiding van door [benadeelde partij] verstrekte informatie. Tevens stelt het hof met de verdediging vast dat het opsporingsonderzoek en de verstrekte informatie met name is gebaseerd op de door [benadeelde partij] verstrekte informatie.

Anders dan de verdediging is het hof echter van oordeel dat, naast de verstrekte informatie van [benadeelde partij], wel zelfstandig onderzoek is verricht door de politie. Tijdens dit onderzoek is ook de door [benadeelde partij] verstrekte informatie getoetst. Het hof heeft in dit verband het volgende vastgesteld:

- Een opsporingsteam, met kennis van digitale expertise, is daags na de aangifte van [benadeelde partij] naar het Shared Service Center van [benadeelde partij] te Breda gegaan en heeft daar de server van het bedrijf, de werkplek van verdachte en de werkcomputer van verdachte onderzocht.

- Tevens zijn tijdens dit onderzoek collega’s van verdachte bevraagd door het opsporingsteam.

- Een opsporingsteam heeft onderzoek verricht naar de betalingssystemen binnen [benadeelde partij] en naar de verschillende bevoegdheden van de medewerkers van [benadeelde partij].

- Het huis van verdachte is doorzocht.

- De huiscomputer van verdachte is onderzocht.

- Er zijn naar aanleiding van de verkregen informatie tijdens het opsporingsonderzoek, diverse getuigen ondervraagd, waaronder leveranciers/crediteuren van [benadeelde partij].

- Vestigingsadressen en rekeningnummers zijn achterhaald ten aanzien van de begunstigden van de onverschuldigde betalingen.

Voor zover de verdediging heeft gesuggereerd dat zowel [benadeelde partij] als de politie niet hebben gekeken naar andere betrokkenen en/of scenario’s, overweegt het hof, dat de verdenking zich vanaf de start van het opsporingsonderzoek heeft gericht op verdachte, omdat uit intern onderzoek van [benadeelde partij] is gebleken dat zij, als enige, bij alle onverschuldigde betalingen betrokken was (het hof verwijst in dit verband naar de hieronder onder Ad B vastgestelde feiten en omstandigheden). Het hof acht het, gelet op de verstrekte informatie van [benadeelde partij], begrijpelijk dat het onderzoek van de politie zich vervolgens met name heeft gericht op verdachte. Te meer nu de verdenkingen tijdens het onderzoek werden gevoed door nieuwe bevindingen, terwijl zich geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten in het dossier bevinden die wijzen op een andere betrokkene of een ander scenario.

Tegen deze achtergrond acht het hof de wijze waarop het onderzoek is gestart en zich vervolgens heeft gericht op verdachte, begrijpelijk en niet onzorgvuldig. De enkele omstandigheid dat de politie meer onderzoek had kunnen verrichten, doet aan het vorenstaande niet af.

Nu niet is gebleken dat het dossier onzorgvuldig is samengesteld en evenmin dat verdachte op enige wijze door de samenstelling van het dossier is geschaad in haar recht op een eerlijk proces, verwerpt het hof het verweer van de verdediging tot bewijsuitsluiting.

B.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan haar onder 1 ten laste gelegde, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich opzettelijk geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend dan wel [benadeelde partij] door middel van oplichting heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen. De verdediging heeft in dit verband (onder meer) verwezen naar de verklaring van verdachte, die ten stelligste ontkent dat zij (ver)vals(t)e facturen heeft opgesteld en fictieve leveranciers/crediteuren in het SAP-administratiesysteem van [benadeelde partij] heeft laten invoeren.

Verdachte heeft in dit verband verklaard dat de desbetreffende facturen aan haar zijn aangeboden, zij geen wetenschap had van het feit dat deze facturen (ver)vals(t) waren en zij uit hoofde van haar functie vervolgens heeft verzocht tot het invoeren van gegevens van leveranciers/crediteuren in het SAP-administratiesysteem van [benadeelde partij]. Vervolgens heeft zij de betalingen klaargezet om deze te laten overboeken. Gelet op deze verklaring en nu bovendien niet kan worden uitgesloten dat anderen dan verdachte hierbij betrokken waren, dient verdachte te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Ad B.

Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen de navolgende voor het bewijs redengevende feiten en omstandigheden vast.

Ten aanzien van de werkwijze binnen [benadeelde partij]

- Verdachte werkte in de ten laste gelegde periode in de functie van ‘Accounts Payable Associate’ (hierna te noemen: APA), zijnde een medewerker van de crediteurenadministratie op het Shared Service Center (hierna: SSC) van [benadeelde partij] in Breda. (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 november 2012, pagina’s 2 en 3)

- APA’s waren - voor zover thans van belang - verantwoordelijk voor:

i. het scannen van inkomende facturen (ook ‘invoices’ genoemd) van leveranciers/crediteuren (ook ‘supplier’ of ‘vendor’ genoemd);

ii. het vergelijken van het nummer op de factuur met het nummer van de inkooporder ook genoemd ‘Purchase Order’ (hierna te noemen: PO) alsmede het nummer van de betreffende leverancier/crediteur in de ‘Vendor Master Data’ (hierna: VMD), zijnde een database in het SAP-administratiesysteem met daarin gegevens van leveranciers/crediteuren van [benadeelde partij];

iii. op het moment dat er gegevens gewijzigd moesten worden van een leverancier/crediteur in de VMD dan was de APA bevoegd tot het indienen van een aanvraag ter goedkeuring aan een collega van de VMD-groep;

iv. het boeken van facturen op de ‘account’ van de betreffende leverancier/crediteur in de VMD;

v. de betaling van de factuur klaar te zetten voor elektronische betaling. (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 november 2012, pagina 3 en zaaksdossier C 3/1, pagina’s 57-59)

- Indien de APA een aanvraag indiende als bedoeld onder iii dan diende deze aanvraag vergezeld te zijn van een bewijsstuk, zoals een factuur. (Zaaksdossier C 3/1, pagina’s 57-59)

- De hiervoor weergegeven werkzaamheden van de APA’s zijn grotendeels geautomatiseerd. In de ten laste gelegde periode werd hiervoor gebruik gemaakt van het programma SAP. (Zaaksdossier C 3/1, pagina 57)

- De betaling aan een leverancier/crediteur kon pas plaatsvinden indien de gegevens van deze leverancier/crediteur bekend waren bij de VMD. (Zaaksdossier C 3/1, pagina 57)

- Zoals hiervoor weergegeven waren APA’s bevoegd om betalingen klaar te zetten voor betaling. Zij stuurden dan een bestand met betalingsopdrachten naar de Citibank. Medewerkers van de Afdeling Treasury van [benadeelde partij] kregen vervolgens een bevestiging van de Citibank dat zij het bestand hadden ontvangen, waarna de Afdeling Treasury de verschillende betalingsopdrachten kon goedkeuren dan wel kon afwijzen. (Verklaring van [getuige 1] d.d.

22 december 2010 bij de rechter-commissaris Breda, pagina’s 2 en 3)

- Gereedstaande betalingen werden slechts globaal en alleen visueel gecontroleerd. Alleen bij betalingen boven de € 50.000,- dan wel € 100.000 vond een controle plaats door medewerkers van de afdeling Treasury. (Verklaring van [getuige 1] d.d. 22 december 2010 bij de rechter-commissaris Breda, pagina’s 2 en 3 en de verklaring van [getuige 2] d.d. 5 maart 2009, zaaksdossier C 3/1, pagina 127 en 128)

- Verdachte was ervan op de hoogte dat bij betalingen hoger dan € 50.000,- dan wel € 100.000,- een extra controle zou plaatsvinden door medewerkers van de afdeling Treasury. (Verklaring van [getuige 1] d.d. 22 december 2010 bij de rechter-commissaris Breda, pagina’s 2 en 3 en de verklaring van [getuige 2] d.d. 5 maart 2009, zaaksdossier C 3/1, pagina’s 127 en 128)

Ten aanzien van de onverschuldigde betalingen

- Door [benadeelde partij] zijn in de ten laste gelegde periode onverschuldigde betalingen gedaan tot een totaalbedrag van € 1.113.422,65. (Zaaksdossier C 3/1, pagina’s 64-70 en 75).

- Deze bedragen zijn gedaan aan de navolgende bedrijven:

a) [ bedrijf 3], in totaal ter hoogte van € 431.223,-;

b) [bedrijf 4], in totaal ter hoogte van € 233.400,19;

c) [bedrijf 5], ter hoogte van € 211.326,89;

d) [bedrijf 6], in totaal ter hoogte van € 161.472,57;

e) [bedrijf 7], in totaal ter hoogte van €76.000,-. (Zaaksdossier C 3/1, pagina’s 64-70, 75 en 151).

- Per onverschuldigde betaling is niet meer dan € 50.000,- per keer aan de hiervoor genoemde bedrijven of personen overgemaakt. (Zaaksdossier C 3/1, pagina 75)

- [benadeelde partij] kende de onder het tweede gedachtestreepje onder a tot en met e genoemde bedrijven of personen niet en had geen zakelijke relatie met voornoemde bedrijven of personen, noch als klant noch als leverancier. (Zaaksdossier C 3/1, pagina’s 64-70).

Ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de onverschuldigde betalingen

- Verdachte was in de ten laste gelegde periode in dienst van [benadeelde partij] als APA. Vanwege haar kennis van de Duitse taal is (onder meer) de afdeling Zwitserland aan haar toebedeeld. (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 november 2012, pagina’s 2 en 3).

- Voor haar werkzaamheden beschikte verdachte over een computer waarop zij bij het opstarten een gebruikersnaam en een wachtwoord moest intypen. Haar gebruikersnaam was [gebruikersnaam]. Haar wachtwoord was persoonlijk. Daarnaast had verdachte een zogeheten ‘Standard Operating Proceedings’ (SOP)-training gevolgd. Bij deze training kwam aan de orde dat het niet toegelaten was om haar gebruikersnaam of wachtwoord aan anderen te verstrekken. (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 november 2012, pagina 3).

- Uit de administratie van [benadeelde partij] blijkt dat voor de hiervoor genoemde onverschuldigde betalingen en overboekingen opdracht is gegeven vanaf een computer waarop steeds is ingelogd met de gebruikersnaam [gebruikersnaam]. (Zaaksdossier C 3/1, pagina 63).

- Verzoeken tot het invoeren, aanvullen of wijzigen van de gegevens in de VMD van de eerder (onder a tot en met e) genoemde bedrijven zijn allen terug te voeren tot het e-mailadres van verdachte, met daarbij gevoegd een bewijsstuk (een factuur/invoice) van het desbetreffende bedrijf (Zaaksdossier C 3/1, pagina’s 33-36, 81-83, 130, 131, 137-140, 141, 145-147 en 193);

- Verdachte erkent dat als een e-mail is verzonden vanaf haar e-mail adres, zij deze heeft verzonden. (Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 november 2012, pagina 3).

Ten aanzien van de (ver)vals(t)e facturen en de betrokkenheid van verdachte daarbij

- Op 15 januari 2009 heeft verdachte aan een VMD-medewerker verzocht de gegevens van een leverancier (bij [benadeelde partij] bekend met nummer 100017218) te wijzigen. De accountname van de leverancier moest blijkens de bij de e-mail aangehechte bijlage worden gewijzigd van [bedrijf 1] naar [bedrijf 7]. (Zaaksdossier C 3/1, pagina’s 200 en 201). Wanneer de (bij het verzoek gevoegde) factuur wordt voorgelegd aan de bestuurder van [bedrijf 1], [getuige 3], verklaart [getuige 3] dat deze factuur niet echt is en valselijk is opgemaakt (zaaksdossier C 3/1, pagina’s 261 en 262).

- Op 15 januari 2009 heeft verdachte eveneens verzocht om de gegevens van vendor (bij [benadeelde partij] bekend met nummer 10018256) te wijzigen. Als bewijsstuk is aangehecht een factuur d.d. 20 oktober 2008 van [bedrijf 4], voorheen [bedrijf 2] (Zie zaaksdossier C 3/1, pagina’s 202 en 203). Wanneer [getuige 4], zijnde de eigenaar van [bedrijf 2], wordt geconfronteerd met de (bij het verzoek gevoegde) factuur van [bedrijf 2] verklaart de getuige dat deze factuur niet echt is en valselijk is opgemaakt (zaaksdossier C 3/1, pagina’s 308-312).

- Zoals reeds hiervoor is vastgesteld hebben er onverschuldigde betalingen plaatsgevonden aan het bedrijf [bedrijf 3]. Verdachte heeft op

1 juli 2008 verzocht om dit bedrijf als leverancier/crediteur op te nemen in de VMD-groep. Op 10 september 2008 heeft verdachte verzocht om de bankgegevens van Rising Consultant in de VMD te wijzigen. Op

15 januari 2009 en op 16 januari 2009 heeft zij wederom verzocht om gegevens van dit bedrijf in de VMD te wijzigen. (Zaaksdossier C 3/1, pagina 309).

- In het kader van een doorzoeking van de woning van verdachte en medeverdachte is een computer in beslag genomen. Bij het onderzoek van deze computer wordt een deel van (vermoedelijk) een internetpagina aangetroffen in de zogeheten ‘unallocated clusters’ van haar computer, zijnde de plek waar ‘verwijderde’ data verborgen worden opgeslagen. Uit dit stuk blijkt van een overboeking waarbij de namen ‘[benadeelde partij]*EUR’, ‘[benadeelde partij] [bedrijf 8], [bedrijf 9] en [bedrijf 3] worden genoemd. (Zaaksdossier C 3/1, pagina’s 314-317)

- Alle facturen die waren gevoegd bij de hiervoor bedoelde verzoeken van verdachte, die hebben geleid tot toevoeging, wijziging of aanvulling van de gegevens van de eerder (onder a t/m e) genoemde bedrijven in de VMD, zijn niet in de administratie van [benadeelde partij] terecht gekomen. (Verklaring van [getuige 5] d.d. 17 december 2010 bij de rechter-commissaris Breda, pagina 2)

- Bij de fictieve leveranciers stond een ander adres vermeld op de (als bewijsstuk) gebezigde factuur dan uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt (Zaaksdossier C 3/1, pagina 164)

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof het opzet bij verdachte op de onder 1 primair ten laste gelegde verduistering in dienstbetrekking af. Het hof heeft bij dit oordeel in het bijzonder betrokken dat (1) verdachte op basis van valse/vervalste/valselijk opgemaakte facturen, fictieve leveranciers/crediteuren in de VMD heeft laten invoeren, (2) de onverschuldigde betalingen aan fictieve leveranciers alle zijn te herleiden tot de computer/het e-mailadres van verdachte en (3) alle betalingen aan de fictieve leveranciers/crediteuren die verdachte heeft klaargezet onder de € 50.000,- waren, terwijl zij wist dat bij een bedrag daarboven de betalingen werden gecontroleerd door medewerkers van de afdeling Treasury.

De suggestie van de verdediging dat niet kan worden uitgesloten dat een derde gebruik heeft gemaakt van de computer van verdachte verwerpt het hof. Het hof overweegt dat voormalige collega’s van verdachte [getuige 6] en [getuige 7] niet hebben gezien dat een derde op de computer van verdachte heeft gewerkt, terwijl [getuige 2] en [getuige 8] hebben verklaard dat alle medewerkers in één ruimte zitten en voortdurend zicht op elkaar hebben. Daarnaast moet een APA diverse handelingen verrichten om uiteindelijk een fictieve leverancier in het systeem te laten invoeren en vervolgens betalingen aan deze fictieve leverancier/crediteur te laten overmaken. Gelet op de hoeveelheid betalingen en de periode waarover de betalingen zich uitstrekken, moeten de handelingen geruime tijd in beslag hebben genomen. Gelet op het hiervoor overwogene, acht het hof de stelling van de verdediging dan ook niet aannemelijk.

De eveneens ter terechtzitting geopperde suggestie dat mogelijk poetsvrouwen van Afrikaanse afkomst gegevens van [bedrijf 3] op de thuiscomputer van verdachte hebben achtergelaten, acht het hof evenmin aannemelijk. Hierbij overweegt het hof dat verdachte niet in staat is om enige gegevens te verstrekken van deze poetsvrouwen. Daarnaast blijkt uit de aangetroffen gegevens een duidelijk verband tussen het werk van verdachte en een onverschuldigde betaling, terwijl van een verband tussen poetsvrouwen en een onverschuldigde betaling niet is gebleken.

Gelet op het vorenstaande verwerpt het hof de verweren van de verdediging in al haar onderdelen.

C.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde verduisteren en subsidiair ten laste gelegde diefstal van het totaalbedrag van € 1.113.422,37 dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de onverschuldigde betalingen zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. De verdediging heeft dienaangaande aangevoerd dat uit het dossier immers niet blijkt dat verdachte over de onverschuldigde betalingen heeft kunnen beschikken.

D.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte uit hoofde van haar dienstbetrekking als APA op het SSC de onverschuldigd verrichte betalingen onder zich heeft gehad, nu verdachte niet de bevoegdheid had tot het doen van betalingen, maar alleen facturen indiende, waarna de betaling door andere medewerkers van de afdeling Treasury werden goedgekeurd. Dit dient te leiden tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde, aldus de verdediging.

Ad C en D.

Gelet op de samenhang tussen de onder C en D weergegeven verweren bespreekt het hof beide verweren gezamenlijk.

Anders dan de verdediging is het hof, onder verwijzing naar de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, van oordeel dat verdachte niet alleen bevoegd was tot het indienen van facturen, maar dat zij in samenwerking en na controle van medewerkers van [benadeelde partij], met ieder te onderscheiden bevoegdheden (de zogeheten chain of commands) feitelijk in staat was om geld over te boeken aan leveranciers/crediteuren van [benadeelde partij].

De bevoegdheden van verdachte in deze keten waren (onder meer) om verzoeken aan VMD-medewerkers te doen tot het wijzigen/aanvullen of invoeren van gegevens van leveranciers/klanten in de VMD en om betalingen klaar te zetten. Verdachte heeft vervolgens de interne controle binnen [benadeelde partij] ontdoken, enerzijds door op basis van valse/vervalste/valselijk opgemaakte facturen, fictieve leveranciers/klanten in de VMD te laten invoeren. Anderzijds heeft verdachte bedragen onder de € 50.000,- klaar gezet om te laten overboeken naar de fictieve leveranciers/klanten. Verdachte wist immers dat deze betalingen dan niet meer werden gecontroleerd door de afdeling Treasury.

Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte uit hoofde van haar dienstbetrekking als APA (en dus deel van de chain of commands) de onverschuldigde betalingen onder zich heeft gehad.

Het hof is voorts van oordeel dat het handelen van verdachte, deels op grond van bevoegdheden uit hoofde van haar dienstbetrekking en door vervolgens controles binnen de chains of commands te ontduiken, als heer en meester over de betalingen heeft kunnen beschikken. Verdachte heeft immers door haar handelen bewerkstelligd dat betalingen op rekeningen werden overgemaakt die zij van tevoren heeft laten toevoegen aan de VMD. Hierdoor heeft verdachte zich wederrechtelijk de betalingen toegeëigend. De enkele omstandigheid dat uit het dossier niet blijkt dat de door [benadeelde partij] onverschuldigd betaalde bedragen nadien weer bij verdachte terecht zijn gekomen, maakt het vorenstaande niet anders.

Bijgevolg verwerpt het hof de verweren van de verdediging.

E.

De verdediging heeft voorts het voorwaardelijke verzoek gedaan om, indien het hof komt tot een bewezenverklaring ter zake feit 1 primair, subsidiair danwel meer subsidiair en bij de bewijsvoering gebruik maakt van aangetroffen bestanden op de huiscomputer van verdachte, de rechercheur te horen die het onderzoek heeft verricht naar deze computer. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat uit het dossier niet blijkt op welke wijze het onderzoek naar de bestanden in deze computer heeft plaatsgevonden en welke zoektermen zijn gebruikt.

Ad E.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het onderzoek aan de in de woning van verdachte aangetroffen computer d.d. 17 april 2009 (zaaksdossier C 3/1, pagina’s 314-317) op welke wijze het digitale onderzoek naar opgeslagen gegevens in deze computer heeft plaatsgevonden. In voornoemd proces-verbaal zijn tevens de door de rechercheur gebruikte zoektermen weergegeven.

Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek van de verdediging dan ook af, nu het verzoek feitelijke grondslag mist en het hof bovendien niet is gebleken van de noodzaak tot het horen van de verzochte getuige.

Ten aanzien van feit 2

F.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 primair ten laste gelegde - kort gezegd - witwassen van een giraal geldbedrag van € 1.113.422,37, zijnde het totaalbedrag van de door verdachte naar [bedrijf 4], [bedrijf 6], [bedrijf 7], [bedrijf3] en [bedrijf 5] overgeboekte bedragen. De verdediging heeft in dit verband primair verwezen naar het feit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan haar onder 1. ten laste gelegde. Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de verdediging aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verduisterde bedragen uiteindelijk volledig bij haar en/of haar medeverdachte terecht zijn gekomen. Evenmin is gebleken dat verdachte aan een groter deelnemingsverband heeft deelgenomen.

Ad F.

Het primaire verweer van de verdediging wordt verworpen nu het hof, gelet op het overwogene onder ad A t/m ad E, wel feit 1 primair bewezen zal verklaren.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder ad C en ad D heeft het hof vastgesteld dat verdachte, deels op grond van bevoegdheden uit hoofde van haar dienstbetrekking en door vervolgens controles binnen de chains of commands te ontduiken, als heer en meester over de onverschuldigde betalingen heeft kunnen beschikken. Verdachte kon immers door haar handelen bewerkstelligen dat betalingen op rekeningen werden overgemaakt die zij van tevoren heeft laten toevoegen aan de VMD. Door het handelen van verdachte heeft zij zich de onverschuldigde betalingen toegeëigend.

Verdachte heeft deze bedragen klaar gezet voor betaling, teneinde die bedragen te laten overmaken van de rekening van [benadeelde partij] naar de rekeningen van de door haar aan de VMD toegevoegde fictieve leveranciers/crediteuren van [benadeelde partij]. Door deze laatste handeling werden de geldbedragen (onverschuldigd) overgedragen aan de fictieve leveranciers/crediteuren van [benadeelde partij]. Daar komt bij dat andere adresgegevens van deze fictieve leveranciers waren opgenomen dan uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt. Uit het handelen van verdachte leidt het hof af dat de door verduistering toegeëigende geldbedragen door verdachte zijn weggesluisd/overgedragen, met als kennelijk doel het veiligstellen van de uit dat misdrijf verkregen geldbedragen.

Het feit dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of verdachte ook (een deel van) de revenuen van deze witwashandelingen heeft verkregen en of zij deel uit maakte van een groter deelnemingsverband, doen naar het oordeel van het hof niet af aan het feit dat verdachte door haar handelen de opbrengsten van haar misdrijf heeft overgedragen naar fictieve leveranciers/crediteuren, met als kennelijk doel het witwassen van uit dat misdrijf verkregen geldbedragen.

Wel zal het hof verdachte partieel vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van het verduisterde geldbedrag, in de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht door de woorden ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’, nu het hof op basis van de in het dossier voorhanden zijnde informatie niet kan vaststellen of verdachte deel uitmaakte van een groter deelnemingsverband.

G.

Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Ad. G

Gelet op de hoeveelheid overboekingen die verdachte heeft laten verrichten alsmede de periode waarover de overboekingen zich hebben uitgestrekt, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van het door verdachte tot een gewoonte maken van witwassen.

H.

De verdediging heeft voorts op diverse (in de overgelegde pleitnota genoemde) punten vrijspraak bepleit voor het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde witwassen van vermogensbestanddelen die bij verdachte en medeverdachte zijn aangetroffen. Daartoe heeft de verdediging (onder meer) aangevoerd dat verdachte aannemelijk heeft gemaakt dat de ten laste gelegde vermogensbestanddelen legaal zijn verkregen.

Aan deze verweren heeft de verdediging tevens twee voorwaardelijke verzoeken gekoppeld, te weten het horen van acht met naam genoemde getuigen en het benoemen van een deskundige op het gebied van Nigeriaans belastingrecht.

Ad. H.

Naar het oordeel van het hof behoeven deze verweren en voorwaardelijke verzoeken geen bespreking meer, nu het hof het onder 2 primair bewezen verklaart.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte door de onder 1 bewezen verklaarde verduistering in dienstbetrekking haar voormalige werkgever grote schade heeft berokkend door een groot bedrag te verduisteren;

- de omstandigheden dat verdachte ernstig misbruik heeft gemaakt van het in haar gestelde vertrouwen;

- de omstandigheid dat door het onder 2 bewezen verklaarde witwassen van grote geldbedragen inbreuk is gemaakt op de integriteit van het financiële en economische verkeer;

- de omstandigheid dat verdachte gedurende een langere tijd veelvuldig geld heeft witgewassen en daar een gewoonte heeft gemaakt;

- de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie

d.d. 6 maart 2013, waaruit blijkt dat zij in Nederland niet eerder ter zake soortgelijke feiten door de strafrechter is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar

met de onderhavige worden opgelegd. Daarbij moet worden opgemerkt dat sprake is van een zeldzaam groot verduisterd bedrag, toegeëigend door een listige handelwijze, waarbij tevens gebruik is gemaakt van (ver)vals(t)e documenten. Gelet hierop acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden in beginsel een passende reactie.

Het hof komt echter tot een mildere strafoplegging. Daartoe heeft het hof rekening gehouden met het gegeven dat er in de hoger beroepsfase sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte heeft immers bij akte van 18 maart 2010 hoger beroep ingesteld en het eindarrest in hoger beroep wordt gewezen op 8 mei 2013. Het hof stelt vast dat, uitgaande van de door de Hoge Raad vastgestelde berechtingstermijn van twee jaar, de termijn is overschreden met bijna veertien maanden, welke overschrijding in de ogen van het hof niet geheel wordt gerechtvaardigd door de bijzondere ingewikkeldheid van de zaak of de procesopstelling van verdachte. Bij deze overweging heeft het hof betrokken dat een deel van de vertraging te wijten is aan de politieke instabiele situatie in Nigeria, zodat getuigen daar niet of slechts na enige tijd konden worden gehoord, hetgeen niet te wijten is aan de verdediging.

Alles overziende - daarbij er van uitgaande dat op grond van de hierboven weergegeven termijnoverschrijding een korting wordt toegepast van 6 maanden - is het hof van oordeel dat veroordeling tot de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden is.

Beslag

Het hof zal geen beslissing nemen met betrekking tot de voorwerpen genoemd op de aan dit arrest gehechte beslaglijst met nummer 62a tot en met 62 f. Zoals de officier van justitie in eerste aanleg heeft medegedeeld ligt op deze goederen, zijnde sieraden, immers conservatoir beslag.

Ten aanzien van het voorwerp genoemd onder 30 op de aan dit arrest gehechte beslaglijst, te weten een gegevensdrager (harddiskrecorder camerasysteem, merk Samsung) overweegt het hof dat dit voorwerp, zoals ook blijkt uit de behandeling van het klaagschrift van de echtgenoot van verdachte, aan de echtgenoot van verdachte dient te worden geretourneerd. Dit voorwerp zal derhalve aan [medeverdachte] worden geretourneerd.

De overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen worden teruggegeven aan verdachte.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.568.355,93. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.113.422,37. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering strekt derhalve tot betaling van € 1.568.355,93.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen onder 1 rechtstreeks schade heeft geleden tot het verduisterde bedrag van € 1.113.422,65.

Zoals is gebleken uit de toelichting op de vordering van [naam], gemachtigde van de benadeelde partij ter terechtzitting op 14 november 2012 is in de civiele zaak die [benadeelde partij] tegen verdachte en medeverdachte heeft aangespannen een nog niet onherroepelijk vonnis gewezen. Naar aanleiding van dit vonnis ligt loonbeslag op de inkomens van verdachte en medeverdachte. [benadeelde partij] heeft uit dit loonbeslag reeds € 3.000,- ontvangen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat [benadeelde partij] thans schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.110.422,65.

Voor het overige is het hof op grond van de voorhanden gegevens onvoldoende in staat een afgewogen beslissing te geven op de gestelde schade die door het bewezen verklaarde handelen van verdachte zou zijn veroorzaakt. Het inwinnen van de benodigde nadere informatie op die punten zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom voor het overige niet in haar vordering worden ontvangen en zal deze bij de civiele rechter moeten aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 321, 322 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de nummers 24 tot en met 61 (met uitzondering van nummer 30) van de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan medeverdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten nummer 30 van de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.110.422,65 (één miljoen honderdtienduizend vierhonderdtweeëntwintig euro en vijfenzestig eurocent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij] een bedrag te betalen van € 1.110.422,65 (één miljoen honderdtienduizend vierhonderdtweeëntwintig euro en vijfenzestig eurocent) ter zake van materiële schade , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. van der Pijl, griffier,

en op 8 mei 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.