Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ9645

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-05-2013
Datum publicatie
10-05-2013
Zaaknummer
HV 200.117.889
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen zijn bij de vaststelling van de partnerbijdrage bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Voor een wijziging van deze partnerbijdrage dient artikel 1:159 lid 3 BW naar analogie te worden toegepast (HR 23 oktober 1987, NJ 1988, 438). Het hof dient in het licht van het voorgaande te beoordelen of er sprake is van een zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat deze meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle bestaande omstandigheden, naar de maat¬staven van redelijkheid en billijkheid, ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.

Het hof is van oordeel dat de beëindiging van het dienstverband van de man, noch de stijging van de woonlasten van de man een ingrijpende wijziging van omstandigheden oplevert als hiervoor bedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2013-0091
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 2 mei 2013

Zaaknummer: HV 200.117.889/01

Zaaknummer eerste aanleg: 115255 / FA RK 12-489

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. S. Smeets, thans mr. A. Hollman,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C. Riechelmann-van Ravenstein.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 3 oktober 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 december 2012, heeft de man verzocht, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de beschikking van de rechtbank Amsterdam d.d. 10 juni 2009 te wijzigen in die zin dat de man met ingang van 1 januari 2012 niet langer gehouden is een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen, dan wel subsidiair voormelde beschikking van de rechtbank Amsterdam te wijzigen in die zin dat de man met ingang van 1 januari 2012 een bijdrage van € 418,14 bruto per maand verschuldigd is aan de vrouw, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 februari 2013, heeft de vrouw verzocht het verzoek van de man af te wijzen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Hollman;

- de vrouw, bijgestaan door mr. R.A.H. Juliger, waarnemend voor mr. Riechelmann-van Ravenstein.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 6 september 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 4 december 2012, ingekomen ter griffie van het hof op 13 maart 2013;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 11 maart 2013.

3. De beoordeling

3.1. Partijen zijn op 23 maart 1973 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geen nog minderjarige kinderen geboren.

3.2. Bij beschikking van 10 juni 2009 heeft de rechtbank Amsterdam onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 11 juni 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.1. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de regeling, zoals tussen partijen is overeengekomen in het aan de beschikking gehechte, door partijen op 15 april 2009 ondertekende echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant), als in de beschikking herhaald en ingelast wordt beschouwd en deel uitmaakt van de beschikking.

3.2.2. In het convenant is, voor zover thans van belang, onder 1.1. opgenomen:

“Partijen wijken bewust af van de alimentatieberekening volgens de Trema-normen. De man neemt bewust en weloverwogen de keuze voor betaling van een aanzienlijk hogere alimentatieverplichting. Zij komen zelf het volgende overeen: de man verstrekt aan de vrouw een partneralimentatie van € 1.270,00 bruto per maand”

Voorts is onder 1.1. opgenomen dat, indien de man een aanzienlijke teruggang heeft in zijn inkomen in de periode dat hij de leeftijd tussen de 65 en 67 jaar bereikt, de partneralimentatie zal worden herzien naar de Trema-normering.

Onder 1.2. is vervolgens opgenomen dat, indien de vrouw inkomsten uit een arbeidsverhouding verwerft, die inkomsten tot maximaal € 19.000,- bruto per jaar niet in mindering worden gebracht op de partneralimentatie. Het meerdere wordt voor de helft in mindering gebracht op de partneralimentatie.

3.2.3. De bijdrage voor de vrouw beloopt ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2012 € 1.327,94 bruto per maand en per 1 januari 2013 € 1.350,51 bruto per maand.

3.3. Bij de bestreden beschikking d.d. 3 oktober 2012 heeft de rechtbank Roermond het verzoek van de man om de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2012 op nihil te stellen, dan wel (subsidiair) op € 418,14 bruto per maand vast te stellen, afgewezen.

3.4. De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. De grieven van de man betreffen – zakelijk weergegeven – :

- een beroep op meerdere wijzigingen van omstandigheden, op grond waarvan de overeengekomen onderhoudsbijdrage niet langer in stand kan blijven (grief 1 en 2);

- de behoefte van de vrouw aan de eerder vastgestelde bijdrage (grief 3).

Ingangsdatum wijziging

3.6. De ingangsdatum van een eventuele wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 1 januari 2012, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Wijziging van omstandigheden

3.7. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1. Het hof stelt vast dat, zoals ondubbelzinnig blijkt uit de tekst van het convenant, partijen bij de vaststelling van de partnerbijdrage bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, hetgeen de man ook niet uitdrukkelijk heeft betwist.

Het hof laat in het midden of – zoals de vrouw stelt – de limitatieve wijzigingsgronden in het convenant kunnen worden gezien als een non-wijzigingsbeding ex artikel 1:159 lid 1 en 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu – zoals de rechtbank terecht heeft overwogen – voor een wijziging van de partnerbijdrage die tussen partijen bij overeenkomst is vastgesteld met bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven, artikel 1:159 lid 3 BW naar analogie dient te worden toegepast (HR 23 oktober 1987, NJ 1988, 438).

Het hof dient in het licht van het voorgaande te beoordelen of er sprake is van een zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat deze meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle bestaande omstandigheden, naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.

Nu wijziging slechts in uitzonderingsgevallen is toegelaten, moeten zowel aan de stelplicht van de verzoekende partij als aan de motivering van de rechter, zware eisen worden gesteld.

Beëindiging dienstverband

3.7.2. Niet in geschil is dat de man met ingang van 1 januari 2012 zijn inkomen uit arbeid in dienst van DHL Freights (Netherlands) B.V. (hierna: DHL) is verloren en dat hij met ingang van die datum een WW-uitkering ontvangt die aanzienlijk lager is dan zijn inkomen uit die dienstbetrekking. Evenmin is in geschil dat de man bij de beëindiging van het dienstverband een ontslagvergoeding heeft ontvangen van € 100.000,- bruto en dat hij daarvan € 90.000,- gestort heeft op een zogeheten “Rabo GoudenHanddrukSparen” bij de Rabobank.

Partijen verschillen wel van mening over de vraag of de beëindiging van het dienstverband van de man, een wijziging oplevert als hiervoor bedoeld.

3.7.3. Het hof overweegt dat de man gewezen heeft op zijn leeftijd, zijn geringe vooropleiding en eenzijdige werkervaring, zijn gezondheidssituatie, de huidige economische situatie en zijn daarmee samenhangende kansen op de arbeidsmarkt. Dit kan de man echter niet baten. Vast staat immers dat de man een zodanige ontslagvergoeding heeft ontvangen dat hij daarmee de komende jaren zijn WW-uitkering kan suppleren tot het oorspronkelijke inkomen in dienst van DHL, ad € 2.567.- bruto per maand.

3.7.4. Daarnaast acht het hof de man in staat om wederom inkomen uit dienstverband te gaan genereren, welk inkomen hij eveneens (indien nodig) kan aanvullen tot zijn voorheen genoten inkomen in dienst van DHL. Naar het oordeel van het hof gaat de man er ten onrechte op voorhand vanuit dat hij in de komende jaren er niet in zal slagen een nieuwe baan te vinden.

De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich daadwerkelijk reeds maximaal heeft ingespannen om weer aan het werk te geraken. De vrouw heeft terecht opgemerkt dat uit de door de man overgelegde sollicitatiebrieven blijkt dat hij slechts een aantal keren op vacatures heeft gesolliciteerd, waarbij de functies niet aansloten bij zijn opleiding en ervaring en dat hij voor het overige bijna uitsluitend zogenoemde open sollicitaties heeft verricht, naar functies als ‘facilitair medewerker’, ‘conciërge’ of ‘onderhoudsman’. Het hof is van oordeel dat, gelet op zijn onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw, van de man verwacht worden dat hij ook op andere functies solliciteert. Tevens stelt het hof vast dat de sollicitatiebrieven van de man erg sober zijn.

3.7.5. Voorts overweegt het hof dat de man zijn lichamelijke beperkingen dan wel beperkte belastbaarheid op grond van zijn geestelijke gesteldheid, onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt niet dat de man blijvend niet dan wel verminderd in staat is enige vorm van arbeid te verrichten of dat bij de man een zeker percentage aan verdiencapaciteit resteert.

3.7.6. Het hof gaat er op grond van het voorgaande evenmin op voorhand van uit dat een pensioengat zal ontstaan, maar zelfs indien de man de komende jaren daadwerkelijk niet in de gelegenheid is om zijn pensioen op te bouwen, valt thans niet te beoordelen hoe groot het pensioengat te zijner tijd zal zijn, zodat het hof hiermee geen rekening houdt.

3.7.7. De man heeft ter zitting verklaard dat hij de bruto ontslagvergoeding op een speciale spaarrekening van de Rabobank heeft laten storten en dat hij het bedrag heeft vastgezet tot hij de leeftijd van 66 jaar heeft bereikt, maar dat hij alsnog ervoor kan kiezen de ontslagvergoeding in maandelijkse netto termijnen aan hem te laten uitkeren.

Het hof merkt op dat er, ook indien de man er niet in slaagt een nieuwe baan te vinden, op het moment dat zijn recht op WW-uitkering verloopt nog ruim € 59.600,- resteert van de ontslagvergoeding, zodat hij tot februari 2017 door de bank een bedrag kan laten uitkeren ter hoogte van zijn in dienst van DHL genoten loon ad € 2.567,- bruto per maand.

Indien de man na verloop van tijd de hele ontslagvergoeding heeft opgesoupeerd en hij (tezamen met zijn nieuwe partner) dient rond te komen van een uitkering op bijstandsniveau, kan mogelijk sprake zijn van een situatie die dan een verzoek als het onderhavige rechtvaardigt.

3.7.8. Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de beëindiging van het dienstverband van de man niet een ingrijpende wijziging van omstandigheden is als hiervoor bedoeld.

Gelet op het voorgaande komt het hof niet meer toe aan een bespreking van het verweer van de vrouw, voor zover zij heeft betoogd dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies.

Verhoging woonlasten

3.7.9. Het hof stelt vast dat de maandelijkse rente en kosten ter zake de hypotheek van de man ten tijde van de echtscheiding € 143,33 per maand bedroegen en sinds januari 2012 € 377,75 bedragen. De man is echter op enig moment gaan samenwonen met zijn nieuwe partner. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de man zijn woonlasten kan delen, zodat hooguit rekening kan worden gehouden met een stijging van de woonlasten van € 45,55 per maand. Het hof is van oordeel dat deze stijging van de woonlasten van de man zo gering is, dat het evenmin als een ingrijpende wijziging kan worden aangemerkt als hiervoor bedoeld.

Het hof is derhalve van oordeel dat, in het licht van alle bestaande omstandigheden, naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, de vrouw ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mag verwachten.

3.8. Het hof concludeert op grond van al het voorgaande dat de eerste en tweede grief van de man niet slagen, zodat het hof niet toekomt aan een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht.

De man heeft zijn derde grief ingetrokken, zodat de behoefte van de vrouw ook op die grond geen nadere bespreking meer behoeft.

3.9. Wel zal het hof bij de vaststelling van de alimentatie, zoals met partijen ter zitting besproken, rekening houden met het meerdere inkomen van de vrouw boven het bedrag van € 19.000,- bruto per jaar, een en ander conform het bepaalde in artikel 1.2 van voornoemd convenant. Partijen hebben daar ter zitting ook mee ingestemd.

3.9.1. Blijkens de jaaropgave 2012 heeft de vrouw in dat jaar een inkomen genoten van € 23.739,- bruto. Dit betekent dat in 2012 een bedrag van € 2.369,50 bruto (= € 197,45 bruto per maand) in mindering dient te worden gebracht op de partneralimentatie die € 1.327,94 bruto per maand bedroeg. De man dient derhalve in de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 1.130,49 bruto per maand.

3.9.2. Het hof kan thans niet vooruitlopen op het jaarinkomen van de vrouw in 2013 en toekomstige jaren. Partijen kunnen evenwel, conform voornoemd artikel in het convenant en de door het hof op grond daarvan gehanteerde rekenwijze, in de toekomst zelf vaststellen wat het door de man aan de vrouw verschuldigde bedrag aan partneralimentatie is, rekening houdend met de eigen inkomsten van de vrouw.

3.10. Het hof zal de bestreden beschikking op grond van het voorgaande vernietigen en beslissen als na te melden.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 3 oktober 2012 voor zover het de periode vanaf 1 januari 2012 tot 31 december 2012 betreft;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2009, alsmede het daaraan gehechte, door partijen op 15 april 2009 ondertekende echtscheidingsconvenant, doch uitsluitend voor zover het de onderhoudsbijdrage in de periode vanaf 1 januari 2012 tot 31 december 2012 betreft;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud dient te voldoen een bedrag van € 1.130,49 per maand in de periode vanaf 1 januari 2012 tot 31 december 2012;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.L. Schaafsma-Beversluis, M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2013.