Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ9638

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
10-05-2013
Zaaknummer
HV 200.108.881
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Totstandkoming huwelijkse voorwaarden staande huwelijk na bedreiging (art.3:44 lid 2 BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2013/90 met annotatie van M.M. Schouten
EB 2013/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 11 april 2013

Zaaknummer: HV 200.108.881

Zaaknummer eerste aanleg: 201892 / FA RK 09-5979-2

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. K.T.J.M. Pijls-olde Scheper,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.J.W.M. Sliepenbeek.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 maart 2012 en de daaraan voorafgegane tussenbeschikking van 8 juli 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 juni 2012, heeft de man verzocht voormelde beschikking van 23 maart 2012 voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te vernietigen ter zake de daarin uitgesproken vernietiging van de akte “Huwelijksvoorwaarden staande huwelijk & verdeling en levering” zoals gepasseerd op 11 juli 2007, en opnieuw rechtdoende:

(i) te beschikken dat de vrouw niet is geslaagd in haar bewijsopdracht, dat zij de volmacht voor het ondertekenen van de genoemde akte heeft getekend na bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden;

(ii) het verzoek van de vrouw tot vernietiging van de genoemde akte af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen;

(iii) te bepalen dat de afwikkeling van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden zal geschieden conform de genoemde akte.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 september 2012, heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn grieven te verwerpen en zijn verzoeken af te wijzen, en voormelde beschikking te bekrachtigen.

Tevens heeft de vrouw incidenteel appel ingesteld en daarbij verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij geen beslissing is genomen over het door haar gestelde vergoedingsrecht (ter zake met uitsluiting door haar verkregen gelden tot een bedrag van € 198.333,80). Voorts heeft zij daarbij verzocht te bepalen dat zij uit de ontbonden huwelijksgemeenschap vóór de verdeling bij helften eerst het genoemde bedrag zal ontvangen.

2.2.1. Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 18 oktober 2012, heeft de man verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidentele appel dan wel dit af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 februari 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Pijls-olde Scheper;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Sliepenbeek.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw d.d. 29 oktober 2012;

- het faxbericht van de advocaat van de man d.d. 5 november 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 16 januari 2013;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 22 januari 2013;

- het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 30 januari 2013;

- de ter zitting door de advocaten van partijen overgelegde en voorgedragen pleitnotities.

Voormeld faxbericht met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 30 januari 2013 is ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn.

De man heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten.

3. De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1. Het verweerschrift in incidenteel appel is deels gewijd aan het principaal appel. In de zijdens de vrouw ten behoeve van de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde pleitnotitie is daartegen bezwaar gemaakt en is verzocht het verweerschrift in incidenteel appel in zoverre buiten beschouwing te laten.

Het hof overweegt als volgt. Nu zijdens de vrouw, ter onderbouwing van haar verweer tegen het door de man ingestelde hoger beroep, bij verweerschrift tevens incidenteel appel, stukken zijn overgelegd die niet eerder in het geding gebracht hadden kunnen worden, in het bijzonder productie 1 (houdende het zaaksdossier van de behandelend notaris, op 13 april 2012 aan de vrouw gezonden), de vrouw bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft kunnen reageren op hetgeen de man in zijn verweerschrift in incidenteel appel nog heeft aangevoerd en zij van die mogelijkheid ook gebruik heeft gemaakt, waardoor de vrouw naar het oordeel van het hof niet in haar belangen is geschaad, gaat het hof aan dit bezwaar voorbij.

3.2. In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan.

a. Partijen zijn op 25 september 1993 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

b. Staande huwelijk zijn huwelijkse voorwaarden opgesteld, waarbij de bestaande gemeenschap van goederen is verdeeld. De akte “Huwelijksvoorwaarden staande huwelijk & verdeling en levering” is op 11 juli 2007, na voorafgaande goedkeuring door de rechtbank, door notaris [notaris] bij volmacht gepasseerd.

c. De huwelijkse voorwaarden houden, kort samengevat, een beperkte gemeenschap van goederen in die, onder meer, omvat:

“ - alle op heden bestaande tegoeden op bankrekeningen, giro-rekeningen en tegoeden qua beleggingen, samen ongeveer (…) € 900.000,00 (…) minus het bedrag van de [vertrek-regeling]-vertrek-regeling van ongeveer (…) € 225,000,00 (…);

- (…).”

De beperkte gemeenschap omvat niet, aangezien deze vermogensbestanddelen toekomen aan de man:

“ - de (huidige en toekomstige) aandelen in Olivic B.V.;

- de (huidige en toekomstige) lijfrente-aanspraken jegens Olivic B.V.;

- het bedrag van de [vertrek-regeling]-vertrek-regeling van ongeveer (…) € 225.000,00 (...);

- de (huidige en toekomstige) pensioenrechten van de man;

- (…) 100% (…) van het (huidige en toekomstige) variabele salaris van de man, waaronder bonussen en tantièmes;

- (…) 100% )(…) van (huidige en toekomstige) incidentele inkomsten van de man, waaronder vertrekregelingen en startregelingen;

- het huidige en toekomstige door erfrecht ontvangen vermogen;

- het toekomstige door gift ontvangen vermogen;

- (…).”

De beperkte gemeenschap omvat niet, aangezien deze vermogensbestanddelen toekomen aan de vrouw:

“ - de eventueel toekomstige pensioenrechten van de vrouw;

- (…) 100% (…) van het eventueel toekomstige variabele salaris van de vrouw, waaronder bonussen en tantièmes;

- (…) 100% )(…) van eventueel toekomstige incidentele inkomsten van de vrouw, waaronder vertrekregelingen en startregelingen;

- het huidige en toekomstige door erfrecht ontvangen vermogen;

- het toekomstige door gift ontvangen vermogen;

- (…).”

d. Bij beschikking van 8 juli 2010 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

e. De echtscheidingsbeschikking is op 14 oktober 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3. In eerste aanleg heeft de vrouw, voor zover in hoger beroep van belang, verzocht:

(i) de verdeling zoals deze heeft plaatsgevonden op of rond 11 juli 2007 te vernietigen, primair op grond van benadeling voor meer dan een kwart (artikel 3:196 BW) en subsidiair op grond van bedreiging en misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 2 en lid 4 BW);

(ii) de akte huwelijksvoorwaarden, zoals gepasseerd op 11 juli 2007, te vernietigen, primair op grond van dwaling (artikel 6:228 BW), subsidiair op grond van bedreiging en misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 2 en lid 4 BW);

met bevel aan partijen over te gaan tot verdeling van de alsdan tussen hen bestaande gemeenschap van goederen onder verrekening ten gunste van de vrouw van al hetgeen zij onder uitsluiting uit nalatenschap en schenking heeft ontvangen.

3.4. De rechtbank heeft in haar tussenbeschikking van 8 juli 2010, onder meer, de vrouw opgedragen te bewijzen dat zij de volmacht voor het ondertekenen van de akte huwelijksvoorwaarden heeft getekend na bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden door de man.

3.5. De rechtbank heeft in verband met deze bewijsopdracht de volgende getuigen gehoord:

- de vrouw (als partijgetuige);

- notaris [notaris];

- mw. [de moeder van de vrouw], de moeder van de vrouw;

- dhr. [broer van de vrouw], broer van de vrouw;

(allen op 20 december 2010)

- dhr. [getuige 1.];

- mw. [getuige 2.];

(beiden op 22 juni 2011)

- de man (op 28 september 2011).

3.6. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang geoordeeld dat de vrouw is geslaagd in de haar bij de tussenbeschikking van 8 juli 2010 gegeven bewijsopdracht. Daartoe heeft de rechtbank, wat de bedreiging betreft, onder meer overwogen dat uit de verklaringen van [broer van de vrouw], [getuige 1.] en [getuige 2.] blijkt dat het voor de man van groot belang was dat de huwelijkse voorwaarden tot stand kwamen, de vrouw dit helemaal niet wilde, en zij is bewogen tot het tekenen van de volmacht voor het passeren van de akte huwelijksvoorwaarden uit angst voor een echtscheiding en voor problemen in verband met zwart geld van haar familie in België.

Voorts heeft de rechtbank de bedoelde akte huwelijksvoorwaarden op de door de vrouw bewezen gronden, te weten bedreiging en misbruik van omstandigheden, vernietigd; de vordering (het hof begrijpt: het verzoek) van de vrouw tot vernietiging van de verdeling afgewezen (aangezien de verdeling is geschied bij de genoemde akte en deze wordt vernietigd, heeft de vrouw, aldus de rechtbank, bij vernietiging van de verdeling geen belang); en de verdeling van de gemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, bevolen.

3.7. Beide partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

In het principaal appel

3.8. De man voert – kort samengevat – aan dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, omdat zij alles wat zij tijdens hun huwelijk zouden opbouwen, wilden delen. Toen vervolgens bleek dat nalatenschappen met een uitsluitingsclausule buiten de gemeenschap van goederen vielen en de familie van de vrouw zeer vermogend was, ontstond een discrepantie in datgene wat partijen bij het aangaan van het huwelijk voor ogen hadden en de feitelijke situatie. Om dit recht te zetten heeft de man contact opgenomen met notaris [notaris]. De notaris heeft toen geadviseerd de onderhavige huwelijkse voorwaarden overeen te komen. Voor vernietiging van deze huwelijkse voorwaarden is volgens de man geen grond aanwezig.

3.9. Volgens de vrouw heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat zij in haar bewijsopdracht is geslaagd en heeft de rechtbank ook terecht de meergenoemde akte vernietigd. De vrouw voert daartoe – kort samengevat – aan dat zij de huwelijkse voorwaarden, die voor haar vérstrekkende negatieve financiële gevolgen hadden, niet wenste. Door die voorwaarden zou de vrouw haar recht op pensioenverevening “weggeven”, afzien van een deel van toekomstige inkomsten, door haar met uitsluiting verkregen vermogen met de man moeten delen, terwijl de man voorts, op grond van die voorwaarden, enkele honderdduizenden euro’s “naar zich toe zou halen”; dit terwijl partijen al veertien jaar een klassiek huwelijk met drie jonge kinderen hadden, waarin zij beiden met niets startten. De vrouw, en met haar vier andere getuigen, hebben voorts verklaringen afgelegd over de bedreigingen door de man, terwijl de man zelf heeft verklaard gezegd te hebben dat het geen zin had door te gaan met het huwelijk als de oorspronkelijke intentie er niet meer was.

Ten slotte is volgens de vrouw het proces van totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden niet zorgvuldig geweest. De man heeft dat proces, buiten de vrouw om, voorgekookt en tot aan het passeren van de notariële akte geregisseerd. De notaris, aldus de vrouw, heeft zich daarbij nimmer vergewist van de expliciete instemming van de vrouw.

3.10. De grieven 1 tot en met 15 van de man richten zich in de kern tegen de bewijswaardering door de rechtbank en de conclusie die de rechtbank daaraan heeft verbonden, dat de vrouw is geslaagd in het haar opgedragen bewijs dat zij de volmacht voor het ondertekenen van de akte huwelijksvoorwaarden heeft getekend na bedreiging (artikel 3:44 lid 2 BW).

Met de rechtbank is ook het hof van oordeel dat de vrouw op basis van het bijgebrachte bewijs, en met name de door de rechtbank in dit verband aangehaalde verklaringen, geslaagd is in de genoemde bewijsopdracht. Het hof overweegt, in dat verband, nog het volgende. Degene die onder invloed van bedreiging een rechtshandeling heeft verricht, zoals hier de vrouw, heeft weliswaar de wil om die rechtshandeling tot stand te brengen, maar niet kan worden gezegd dat deze wil berust op een werkelijk en volwaardig proces van vrije wilsvorming. Hiervoor ziet het hof ook een sterke aanwijzing in de omstandigheid dat het initiatief bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden steeds is uitgegaan van de man. De man heeft, blijkens zijn eigen verklaring, notaris [notaris] benaderd; het eerste gesprek alleen met de notaris gevoerd dus zonder de vrouw; nadien ook alleen contacten onderhouden met de notaris (zoals blijkt uit de e-mail-correspondentie overgelegd als prod. 1 bij het verweerschrift tevens incidenteel appel; uit welke correspondentie, in het bijzonder uit de e-mail van de man aan de notaris d.d. 15 november 2006, bovendien naar voren lijkt te komen dat de man de notaris zag als behartiger van vooral zijn belangen); en de verschillende concepten voor de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw voorgelegd, (naar zijn zeggen na overleg met haar) zelf aangepast en de aldus gewijzigde concepten ook zelf gemaild aan de notaris. Voorts acht het hof in dit verband tekenend de omstandigheid dat de man bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden zichzelf een dusdanig dwingende rol heeft toegekend dat hij daarover heeft verklaard dat de vrouw bij hem geen bezwaar heeft “aangetekend” tegen de huwelijkse voorwaarden, noch ter zake bij hem “aan de bel heeft getrokken” of bij hem heeft “aangegeven dat zij (…) wilde stoppen met het proces van de huwelijkse voorwaarden”. Hoe dan ook volgt uit dit beweerde zwijgen van de vrouw geenszins dat gezegd kan worden dat haar wil heeft berust op een werkelijk en volwaardig proces van vrije wilsvorming.

3.11.1. Hetgeen de man in hoger beroep heeft aangevoerd, kan het hof niet tot een ander oordeel brengen ter zake het slagen van de vrouw in het haar opgedragen bewijs.

De man klaagt allereerst over het oordeel van de rechtbank dat uit de verklaringen van de vrouw, [broer van de vrouw], [getuige 1.] en [getuige 2.] blijkt dat het voor de man van groot belang was dat de huwelijkse voorwaarden tot stand kwamen en dat de vrouw dit helemaal niet wilde.

Volgens de man was het niet alleen de wens van hem, maar ook van de vrouw dat de huwelijkse voorwaarden tot stand kwamen. Uit de verklaringen van de vrouw en [getuige 1.] volgt weliswaar dat de vrouw de huwelijkse voorwaarden niet wilde, maar aan hun verklaringen, beiden partijgetuigen, moet minder gewicht worden toegekend dan aan de verklaring van de man en notaris [notaris]. Uit de verklaring van de notaris volgt, volgens de man, dat óók de vrouw de huwelijkse voorwaarden wilde opstellen.

De vrouw betwist het standpunt van de man.

Het hof oordeelt als volgt. De man licht zijn standpunt dat [getuige 1.] partijgetuige is in de zin van artikel 164 Rv niet toe. [getuige 1.] is geen partij in deze procedure en dus ook geen partijgetuige. De vrouw is dat wel. Haar verklaring kan (op grond van artikel 164 lid 2 Rv) omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Dat bewijs is er, zoals de man ook erkent, in de vorm van de verklaring van [getuige 1.]. Anders dan de man meent, kunnen derhalve zowel de getuigenverklaring van de vrouw zelf, als die van [getuige 1.] in de bewijswaardering worden betrokken.

Over de verklaring van notaris [notaris], overweegt het hof als volgt. Tijdens het enige gesprek dat de notaris vóór totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden met de vrouw heeft gehad (waarbij ook de man aanwezig was) konden partijen, aldus de notaris, het niet eens worden over de huwelijkse voorwaarden. Daarna is er nog contact geweest tussen de notaris en het e-mail adres van de man, waarover de notaris heeft verklaard: “Van veel cliënten heb ik maar één adres. (…) Ik ga er vanuit dat de concepten [voor de huwelijkse voorwaarden] door beide partijen zijn besproken”. Voorts heeft de notaris over de door de vrouw verleende volmacht verklaard: “Als ik drie concepten [huwelijkse voorwaarden] maak en twee volmachten laat tekenen in vier-vijf maanden ben ik ervan overtuigd dat dat is wat partijen wensen. (…) Ik heb niet uit één item de overtuiging gehad dat deze wijziging was wat de vrouw wilde. Dat ontwikkelt zich uit het samenstel van de concepten en de volmachten. Ik durf het dus een zorgvuldige akte te noemen.” Wat er van die zorgvuldigheid ook zij, naar het oordeel van het hof blijkt uit de verklaring van notaris [notaris] niet dat de notaris na het eerste en enige gesprek over de huwelijkse voorwaarden nog contact heeft gehad met de vrouw. Ook uit de omstandigheid dat partijen maar één e-mail adres hadden, zoals ter zitting van dit hof is gebleken, vloeit allerminst voort dat de vrouw kennis heeft genomen van de e-mails van de notaris. Evenmin blijkt uit [notaris]’ verklaring, zoals de vrouw ook betoogt, dat hij zich bij haar heeft vergewist van haar gemoedstoestand of haar daadwerkelijke instemming met de huwelijkse voorwaarden. In de verklaring van de notaris kan naar het oordeel van het hof dan ook geen aanwijzing worden gelezen dat óók de vrouw de huwelijkse voorwaarden wilde opstellen.

3.11.2. De man stelt zich voorts op het standpunt dat het oordeel van de rechtbank dat de man dreigde met een echtscheiding en met het doen van aangifte van belastingfraude tegen de familie van de vrouw niet onomstotelijk uit de verklaringen van de getuigen volgt.

De man voert daartoe het volgende aan: “Uit de verklaring van de vrouw en de verklaring van de heer [getuige 1.] zou het bewijs hiervoor wel kunnen gelden, maar vreemd is dat niet wordt aangegeven hoe de man dat dan voor ogen zag. Eveneens is vreemd dat de vraag of dit een reële dreiging was niet door de rechtbank wordt beantwoordt. (…) Volstrekt onbegrijpelijk is dat de rechtbank de verklaring van de vrouw en de verklaring van de heer [getuige 1.], beide partijgetuigen, doorslaggevend vindt.”

Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de mededeling van de man dat “hij misschien gezegd heeft dat het geen zin had door te gaan met het huwelijk als de oorspronkelijke intentie er niet meer was” eerder een bevestiging dan een ontkrachting is van de stelling van de vrouw dat de man dreigde met een echtscheiding.

Volgens de vrouw heeft de rechtbank een en ander terecht geoordeeld.

Het hof stelt, onder verwijzing naar hetgeen het hiervóór overwoog over partijgetuigenverklaringen, voorop dat, anders dan de man betoogt, zowel de getuigenverklaring van de vrouw zelf, als die van [getuige 1.] in de bewijswaardering kunnen worden betrokken. Op grond van die verklaringen, zoals weergegeven in de bestreden beschikking, acht ook het hof bewezen dat de man, kort gezegd, heeft gedreigd met een echtscheiding en met het doen van aangifte tegen de familie van de vrouw. Daarop wijst ook de opmerking van de man zelf dat uit de bedoelde verklaringen “het bewijs hiervoor zou kunnen gelden”.

Met de rechtbank, ziet ook het hof in de mededeling van de man dat “hij misschien gezegd heeft dat het geen zin had door te gaan met het huwelijk als de oorspronkelijke intentie er niet meer was” eerder een bevestiging dan een ontkrachting van de stelling van de vrouw dat de man dreigde met een echtscheiding.

Het (kennelijke) betoog van de man dat het dreigen met een echtscheiding en het doen van aangifte van belastingfraude onvoldoende reëel zijn voor toepassing van artikel 3:44 lid 2 BW (elders in zijn beroepschrift merkt de man nog op dat er geen concrete feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit de bedreiging blijkt), kan in het licht van de daarover afgelegde verklaringen (zoals deze zijn weergegeven in de bestreden beschikking en uit welke verklaringen juist blijkt dat de man die bedreigingen daadwerkelijk heeft geuit), niet slagen.

3.11.3. De man heeft verder aangevoerd het “absoluut onbegrijpelijk” te vinden dat de rechtbank niets doet met de stellingen van de man dat de vrouw zich over een langere periode door meer partijen heeft laten adviseren.

De vrouw voert hiertegen aan dat het feit dat zij de volmacht tekende, ondanks de door haar omgeving geuite bezwaren erop wijst hoe groot de dreiging was die van de man uitging.

Het hof oordeelt hierover als volgt. De omstandigheid dat de vrouw zich heeft laten adviseren over de huwelijkse voorwaarden, doet er niet aan af dat de vrouw uiteindelijk onder invloed van bedreiging de meergenoemde volmacht heeft verleend, zodat de grieven waarmee de man anders betoogt, falen.

3.11.4. De man heeft verder betoogd dat anders dan de rechtbank heeft overwogen, uit geen van de verklaringen volgt dat de bedreigingen stelselmatig en lang van duur waren, en dat de rechtbank haar oordeel dat een redelijk oordelend mens kan worden beïnvloed door de dreiging van een echtscheiding en van problemen in verband met belastingfraude niet heeft gemotiveerd.

Aan de klacht van de man dat de bedreigingen niet stelselmatig of lang van duur waren, gaat het hof voorbij, nu de wet dit niet als vereiste stelt voor bedreiging in de zin van artikel 3:44 lid 2 BW. Terecht heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat een redelijk oordelend mens kan worden beïnvloed door de dreiging van een echtscheiding en van problemen in verband met belastingfraude.

3.11.5. Zijdens de man is voorts aangevoerd dat de vrouw pas in november 2009, ruim twee jaar na het passeren van de meergenoemde akte, voor het eerst een beroep heeft gedaan op vernietiging van die akte, omdat sprake zou zijn van bedreiging.

Voor zover de man hiermee een beroep heeft willen doen op verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 3:52 lid 1 sub b BW verjaart de rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling ingeval van bedreiging drie jaren nadat deze invloed heeft opgehouden te werken. Al aangenomen dat de invloed van de bedreiging heeft opgehouden te werken direct na de ondertekening door de vrouw van de volmacht voor het passeren van de akte, welke ondertekening volgens de man plaatsvond op 9 juli 2007, kan van verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging daarvan geen sprake zijn nu de vrouw die rechtsvordering heeft ingesteld bij aanvullend verzoekschrift houdende nevenvoorzieningen van 9 november 2009, dus ruim vóór het verstrijken van de driejaarstermijn. Het (eventuele) beroep van de man op verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging uit hoofde van bedreiging verwerpt het hof derhalve.

3.12. Nu aldus, ook naar het oordeel van het hof, de vrouw is geslaagd in haar bewijsopdracht dat zij de volmacht voor het ondertekenen van de akte huwelijksvoorwaarden heeft getekend na bedreiging (artikel 3:44 lid 2 BW), behoeven de overige grieven, die zich alle keren tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw (tevens) is geslaagd in haar bewijsopdracht dat zij de volmacht voor het ondertekenen van de akte huwelijksvoorwaarden heeft getekend na misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW), geen bespreking meer. Die grieven kunnen immers niet leiden tot de door de man verzochte vernietiging van de bestreden beschikking.

In het incidenteel appel

3.13. De vrouw voert – kort samengevat – aan dat de rechtbank in de bestreden beschikking ten onrechte niet heeft beslist op het gehele petitum van de vrouw, namelijk waar zij een bevel tot verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft verzocht onder verrekening ten gunste van de vrouw van al hetgeen zij onder uitsluiting uit nalatenschap en schenking heeft ontvangen.

3.14. Volgens de man moet het verzoek van de vrouw in incidenteel appel worden afgewezen. De rechtbank heeft, anders dan de vrouw betoogt, wél beslist heeft op het gehele petitum van de vrouw. De rechtbank heeft immers de verdeling van de gemeenschap bevolen en het meer of anders verzochte afgewezen.

De man voert voorts – kort samengevat – aan dat aan de vrouw een aantal schenkingen is gedaan; zo deze schenkingen al beschouwd kunnen worden als onder uitsluiting ontvangen, zijn zij in ieder geval opgegaan in de huwelijksgemeenschap en (voor het merendeel) verteerd.

De man voert voorts aan dat, indien het hof zou oordelen dat de schenkingen aan de vrouw zouden toekomen, ook rekening moet worden gehouden met de bedragen die de vrouw aan de huwelijksgemeenschap heeft onttrokken. Het gaat daarbij volgens de man om een bedrag van € 58.000,-. Verder zou dan nog rekening moeten worden gehouden met, onder meer, een bedrag van € 47.000,- dat op naam van de kinderen zou staan, maar door de vrouw zou zijn overgeboekt naar haar privérekening.

3.15. Het hof begrijpt uit de grief van de vrouw dat zij de (wijze van) verdeling integraal aan het hof voorlegt. Dienaangaande overweegt het hof als volgt. Indien de rechter op grond van artikel 3:185 BW wordt verzocht de (wijze van) verdeling vast te stellen, dienen aan de rechter voldoende gegevens te worden verschaft om die (wijze van) verdeling te kunnen vaststellen. De rechter zal dan onder meer inzicht moeten hebben in de omvang van de ontbonden huwelijksgemeenschap per de datum van ontbinding van het huwelijk. Voorts dient de rechter inzicht te hebben in de waarde van de boedelbestanddelen. De vrouw heeft evenwel nagelaten de gegevens te verstrekken die vereist zijn om tot een integrale verdeling van de huwelijksgemeenschap te kunnen komen. Daarmee acht het hof de grief in het incidenteel appel onvoldoende onderbouwd zodat deze wordt verworpen.

In het principaal en incidenteel appel

3.16. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4. De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 maart 2012 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.A. Meulenbroek, G.J. Vossestein en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2013.