Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ9238

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
20-002570-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:49, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Het begrip afvalstoffen 2. Veroordeling art. 8.1 Wet milieubeheer 3. Vrijspraak art. 13 Wet bodembescherming

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2013/79 met annotatie van T. van der Meulen
JAF 2013/279 met annotatie van Van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5249
M en R 2013/124 met annotatie van L.E.M. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002570-12

Uitspraak : 23 april 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 juli 2012 in de strafzaak met parketnummer

01-995022-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1967],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van feit 1 primair en feit 3. Hij is ter zake van, kort gezegd:

- feit 1 subsidiair: het medeplegen van het in werking hebben van een inrichting zonder de daarvoor vereiste vergunning, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven,

- feit 2: het medeplegen van het plegen van handelingen op de boden waardoor - naar men wist of redelijkerwijs kon vermoeden - de bodem kon worden verontreinigd, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven, en

- feit 4: het medeplegen van het in werking hebben van een inrichting zonder de daarvoor vereiste vergunning, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven,

veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,00, subsidiair 85 dagen vervangende hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte ter zake van feit 1 primair, feit 2 en feit 4 zal veroordelen tot een geldboete van € 10.000,00, subsidiair 85 dagen vervangende hechtenis.

De verdediging heeft vrijspraak van de gehele tenlastelegging bepleit, subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair en feit 4, meer subsidiair toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht dan wel oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De ‘Akte beroep’ van 19 juli 2012 houdt geen beperking in van het hoger beroep. Gelet daarop richt het hoger beroep van de verdachte zich mede tegen de door de eerste rechter gegeven vrijspraak van hetgeen aan de verdachte onder 3 ten laste werd gelegd. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op het gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover in hoger beroep aan de orde- ten laste gelegd dat:

1.

[rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 2] en/of [rechtspersoon 3] en/of

[rechtspersoon 4] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van

1 januari 2010 tot en met 22 juli 2010 te Asten, gemeente Asten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, een in of op perceel [adres 1] gelegen inrichting, te weten een inrichting voor de opslag van diverse producten, tuin/feestartikelen, speelgoed, automaterialen, verpakkingen en dergelijke zonder daartoe verleende vergunning hebben (heeft) veranderd, of de werking daarvan hebben (heeft) veranderd door het opslaan van bedrijfsafvalstoffen, te weten een hoeveelheid carbon black, met een capaciteit van meer dan 35 m3 en/of het overslaan en/of het bewerken en/of het verpakken/ompakken en/of - nadat die inrichting was veranderd of de werking daarvan was veranderd - deze inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

subsidiair,

[rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 2] en/of [rechtspersoon 3] en/of

[rechtspersoon 4] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van

1 januari 2010 tot en met 22 juli 2010, althans op of omstreeks 22 juli 2010 te Asten, gemeente Asten, aan of nabij de [adres 1], tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning een afvalstoffeninrichting als bedoeld in categorie 28 van het “Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer”, zijnde een in Bijlage 1 onder ll. van het “Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer” aangewezen inrichting, in werking hebben (heeft) gehad, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

2.

[rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 2] en/of [rechtspersoon 3] en/of

[rechtspersoon 4] op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juni 2010 tot 20 juli 2010 te Asten, op een perceel gelegen aan of nabij de [adres 1], tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk handelingen op of in de bodem hebben (heeft) verricht, immers hebben zij (heeft zij) carbon black, op zodanige wijze opgeslagen en/of omverpakt en/of vervoerd en/of verwerkt, dat de bodem op of aan dit perceel hiermee werd vervuild en/of hebben zij (heeft zij) (vervolgens) die carbon black daar laten liggen, tengevolge waarvan die carbon black op of in de bodem kon geraken, zulks terwijl zij wisten (zij wist) of redelijkerwijs hadden (had) kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast en toen niet alle maatregelen hebben (heeft) genomen die redelijkerwijs van hen (haar) gevergd konden worden teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging of aantasting zich voordeed, de verontreiniging en/of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en/of deze zoveel mogelijk ongedaan te maken, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

4.

[rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 2] en/of [rechtspersoon 3] en/of [rechtspersoon 5] en/of [rechtspersoon 6] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 augustus 2010, te Deurne, gemeente Deurne, in een of meer loodsen op of aan het terrein aan de [adres 2], tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning een afvalstoffeninrichting als bedoeld in categorie 28 van het “Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer”, zijnde een in Bijlage 1 onder ll. van het “Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer” aangewezen inrichting, in werking hebben (heeft) gehad, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat:

1. de politie en daarmee het openbaar ministerie onzorgvuldig hebben gehandeld door een onjuist en tendentieus persbericht te laten uitgaan;

2. het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging dan wel het gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat het openbaar ministerie mogelijke medeverdachten niet heeft vervolgd;

3. het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat - nu het bestuurlijk bevoegd gezag kennelijk geen grond heeft gezien om handhavend op te treden - verdachte erop mocht vertrouwen dat ook een strafrechtelijke vervolging achterwege zou blijven.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.1.1

Ad 1.

De politie Brabant Zuid-Oost heeft een dag na de aanhouding van verdachte een persbericht naar buiten gebracht. Dit persbericht is op onderdelen niet geheel zorgvuldig gebleken, in het bijzonder wat betreft de omschrijving van de aard van de bij verdachte aangetroffen carbon black. Aan de politie kan in zoverre onzorgvuldigheid worden verweten. Dit kan echter, anders dan de verdediging stelt, niet worden gezien als een zodanig ernstige schending van fundamentele beginselen van het strafproces, dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging zou moeten leiden.

B.1.2

Anders dan de verdediging vermag het hof voorts niet in te zien dat de onzorgvuldige berichtgeving door de politie in de weg zou hebben gestaan aan een eerlijk proces voor verdachte als bedoeld in artikel 6 EVRM.

B.1.3

Het hof volstaat ermee op te merken dat al te stellige en onvoldoende door feiten gestaafde uitlatingen in de pers door de politie niet wenselijk zijn, zeker niet lopende het strafproces.

B.2.1

Ad 2.

Volgens de verdediging had het voorts op de weg van het openbaar ministerie gelegen om ook [rechtspersoon 7] en [X] te vervolgen ter zake de door hen verrichte handelingen met betrekking tot carbon black. Het getuigt volgens de verdediging van een onzorgvuldige rechtspleging van de zijde van het openbaar ministerie dat verdachte wel is vervolgd en de mogelijke medeverdachten niet.

B.2.2

Het hof stelt voorop dat de officier van justitie in onafhankelijkheid kan beslissen over het al dan niet vervolgen van een verdachte, hetgeen is neergelegd in het ‘opportuniteitsbeginsel’. De enkele aangevoerde omstandigheid dat derden wier gedragingen - beweerdelijk - evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging zouden kunnen zijn, al dan niet ten onrechte niet zijn vervolgd, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging tegen de verdachte.

B.2.3

Dat het openbaar ministerie wel verdachte, maar niet [rechtspersoon 7] en [X] heeft vervolgd, is dan ook geen grond voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

B.3.1

Ad 3.

Uit een brief van de gemeente Asten van 12 november 2007 blijkt dat de inrichting van verdachte aan de [adres 1] te Asten op 26 september 2007 is gecontroleerd in het kader van een zogeheten handhavingsestafette (bijlage H bij de pleitnota uit eerste aanleg). Deze controle had kennelijk - zo blijkt uit de brief van de gemeente - voornamelijk betrekking op de brandveiligheid van de inrichting. De constateringen die de gemeente in het kader van die controle heeft gedaan, zijn vermeld in het Rapport Bouw en Woningtoezicht en Milieu en betreffen aspecten van brandveiligheid (eveneens bijlage H bij de pleitnota uit eerste aanleg).

B.3.2

Uit een brief van 9 oktober 2007 van de politie Zuid-Oost Brabant blijkt dat de inrichting van verdachte aan de [adres 1] te Asten op 4 oktober 2007 is onderzocht door het regionale milieuteam van de politie (bijlage G bij de pleitnota uit eerste aanleg). Naar aanleiding daarvan is verdachte verzocht informatie te verschaffen over de in zijn inrichting opgeslagen goederen, waaronder ‘blackpearls 800’.

Van het onderzoek op 4 oktober 2007 is een proces-verbaal van bevingen opgemaakt (p. 30 van het politiedossier, onderzoek 2219100206 [X]). In een proces-verbaal juridische inkadering afval is voorts geverbaliseerd dat er geen proces-verbaal is opgemaakt tegen verdachte, dat hem is medegedeeld dat de carbon black als afval afgevoerd moest worden en dat de onderzoeksinformatie is overgedragen aan het bevoegde gezag van de gemeente Asten. Een en ander in opdracht van de officier van justitie (p. 11 van het politiedossier, onderzoek 2219100206 [X]).

B.3.3

Het hof stelt het volgende voorop.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Zo’n geval doet zich voor wanneer het openbaar ministerie tot vervolging overgaat terwijl bij de verdachte op grond van door het openbaar ministerie gedane - of aan deze toe te rekenen - toezeggingen, de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat hij niet zal worden vervolgd.

Het handelen of nalaten van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan raakt niet het recht van het openbaar ministerie tot strafvervolging over te gaan.

B.3.4.

Aan de omstandigheid dat de politie in 2007 in opdracht van de officier van justitie geen “proces-verbaal” heeft opgemaakt ter zake de toen aangetroffen partij carbon black, heeft de verdachte niet de gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd aangezien hij het carbon black niet als afval heeft afgevoerd zoals hem blijkens het proces-verbaal p. 11 destijds wel is gezegd te doen.

Ten aanzien van verwachtingen die door het handelen of nalaten van de gemeente Asten zouden zijn gewekt met betrekking tot de vraag of het openbaar ministerie op enig moment tot vervolging van de verdachte zou overgaan, wordt het volgende overwogen.

De gemeente Asten is niet een voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan zodat haar handelen of nalaten het recht van het openbaar ministerie tot strafvervolging over te gaan niet raakt.

Voorts overweegt het hof dat de verdachte uit de omstandigheid dat in het kader van het bestuursrechtelijk optreden in 2007 door de gemeente in de correspondentie niet over de partij carbon black wordt gerept, niet gerechtvaardigd de conclusie heeft kunnen trekken dat het bestuurlijk bevoegde gezag de partij carbon black niet als afvalstof zou hebben gezien en om die reden zou hebben afgezien van handhaving. Het ontbreken van een verwijzing naar carbon black in de stukken die de gemeente heeft opgemaakt naar aanleiding van een controle op brandveiligheid, kan geenszins die vergaande conclusie rechtvaardigen.

B.3.5

Voor honorering van het niet-ontvankelijkheidsverweer op basis van schending van het vertrouwensbeginsel is dan ook geen plaats.

C.

Naar ’s-hofs oordeel kunnen op grond van het voorgaande de stellingen van de verdediging op zich, noch in samenhang, leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan. In het bijzonder ontbreekt het bewijs dat de ten laste gelegde verandering van de (werking van de) inrichting van verdachte, plaatsvond in de periode van januari 2010 tot en met 22 juli 2010. De opslag van carbon black, volgens de steller van de tenlastelegging de omstandigheid die de inrichting deed veranderen, vond immers ook ruim voor die tijd al plaats.

Het hof acht voorts niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt namelijk niet dat de carbon black die in de inrichting van verdachte op de grond lag, de bodem als gedefinieerd in artikel 1 Wet bodembescherming had bereikt of kon bereiken. De carbon black werd immers op een dichte betonnen vloer en op een op grint en steengruis gelegde nauw gesloten klinkervloer aangetroffen.

Gelet op het voorgaande wordt verdachte vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. subsidiair

[rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 2] en/of [rechtspersoon 3] in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 juli 2010 te Asten, gemeente Asten, aan of nabij de [adres 1], tezamen en in vereniging opzettelijk zonder daartoe verleende vergunning een afvalstoffeninrichting als bedoeld in categorie 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zijnde een in Bijlage 1 onder ll. van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer aangewezen inrichting, in werking hebben gehad, aan welke bovenomschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

4.

[rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 3 en/of [rechtspersoon 5] en/of [rechtspersoon 6] in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 augustus 2010, te Deurne, gemeente Deurne, in loodsen op of aan het terrein aan de [adres 2], opzettelijk zonder daartoe verleende vergunning een afvalstoffeninrichting als bedoeld in categorie 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zijnde een in Bijlage 1 onder ll. van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer aangewezen inrichting, in werking hebben (heeft) gehad, aan welke bovenomschreven verboden gedraging, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

C.

De verdediging heeft op basis van verschillende argumenten betoogd dat de in de inrichtingen van verdachte aangetroffen carbon black geen afvalstof was. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

D.1

Artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer luidde - voor zover relevant - ten tijde van het ten laste gelegde als volgt:

“afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.”

D.2

Uit bijlage I bij richtlijn 2006/12/EG blijkt dat vele stoffen en voorwerpen als afvalstof kunnen worden aangemerkt. Niet alleen de afvalstoffen die vallen onder de categorieën die expliciet zijn genoemd, maar - zo staat te lezen in bijlage I - ook alle stoffen, materialen of producten die niet in te delen zijn in een van die categorieën.

D.3

Of stoffen gekwalificeerd kunnen worden als afvalstoffen, wordt dus primair bepaald door het gedrag of de intentie van de houder, namelijk of deze zich van de betreffende stoffen ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

D.4

Bij de beoordeling van de intentie van de houder moet rekening worden gehouden met de doelstelling van de afvalstoffenrichtlijn en moet ervoor worden gewaakt dat aan de doeltreffendheid van de richtlijn geen afbreuk wordt gedaan.

D.5

Ten aanzien van de doelstelling bepaalt de considerans van richtlijn 2006/12/EG dat iedere regeling op het gebied van de verwijdering van afvalstoffen als voornaamste doelstelling moet hebben, de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen. Het begrip afvalstof dient bijgevolg niet restrictief te worden uitgelegd.

D.6

In de onderhavige zaak blijkt met betrekking tot de weg die de bij verdachte aangetroffen carbon black heeft afgelegd, het volgende.

D.7

De blijkens de etikettering uit verschillende partijen bestaande hoeveelheden in de inrichtingen van verdachte aan de [adres 1] te Asten en de [adres 2] te Deurne aangetroffen carbon black waren afkomstig van [X], de voormalige huurder van loodsen van verdachte aan de [straatnaam] te Deurne. [X] - zo wist ook verdachte - had de carbon black op zijn beurt ontvangen van het bedrijf [rechtspersoon 7].

D.8

[rechtspersoon 7] heeft zich in de periode 2002 tot 2004/2005 ontdaan van de carbon black door die via afvalinzamelaar en -transporteur Sita af te laten afvoeren naar [X]. Al de carbon black die [rechtspersoon 7] naar [X] liet afvoeren - behoudens een hoeveelheid teruggehaald materiaal, met een voorraadverschil van 15 ton - was volgens [rechtspersoon 7] afval. De carbon black werd dan ook onder begeleiding van een zogenaamd PMV-formulier afgevoerd (p. 43- 45 politiedossier).

D.9

Een van de PMV-formulieren is opgenomen in het dossier (p. 28 politiedossier). Op dit formulier is de afgevoerde carbon black, onder vermelding datum aanvang transport 23-11-2004, aangeduid met Euralcode 06 13 05, zijnde de code die de betreffende afvalstof heeft op de door de Commissie opgestelde afvalstoffenlijst, behorende bij Beschikking 2000/532/EG (ook wel: Europese afvalcatalogus). De door [rechtspersoon 7] via Sita naar [X] afgevoerde carbon black werd ook door Sita als afvalstof geduid.

D.10

Vanaf het moment dat [rechtspersoon 7] zich ontdeed van de carbon black tot het moment dat het materiaal in de zomer van 2010 bij verdachte werd aangetroffen, is daaraan nooit het karakter van afvalstof komen te ontvallen (einde-afvalfase). Dit had wel het geval kunnen zijn indien de carbon black in de tussentijd een behandeling voor nuttige toepassing zou hebben ondergaan, als bedoeld in bijlage II B van richtlijn 2006/12/EG (waarnaar verwezen wordt in art. 1.1 lid 1Wet milieubeheer jo. art. 1 richtlijn 2006/12/EG, zoals die luidden ten tijde van het ten laste gelegde).

D.11

Van een dergelijke behandeling is het hof niet gebleken. Eerst heeft [X] de ontvangen carbon black achtergelaten in de loods van verdachte, waardoor ook [X] zich er feitelijk van heeft ontdaan. Ten slotte wilde verdachte zich van de carbon black ontdoen door die te verkopen aan een derde.

D.12

Gelet op het voorgaande is de carbon black vanaf het moment dat [rechtspersoon 7] zich ervan ontdeed aan te merken als een afvalstof en is er daarin nadien geen verandering gekomen.

D.13

De raadsman heeft voorts nog betoogd dat de carbon black een bijproduct is en daarom geen afvalstof.

Het hof passeert ook dit standpunt. Immers niet is gebleken dat de aangetroffen carbon black voldeed aan de door het Europees Hof van Justitie geformuleerde voorwaarden voor bijproducten (zaak C-9/00 (Palin Granit), zoals thans vastgelegd in artikel 5 van Richtlijn 2008/98/EG). Meer in het bijzonder is niet gebleken dat sprake was van een situatie waarin hergebruik zeker was, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces.

D.14

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair en 4 bewezen verklaarde levert telkens op:

het medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, tweede lid, in verbinding met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van de feiten is van de zijde van de verdachte nog een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet wist of kon weten dat de carbon black die hij onder zich had, als afvalstof moest worden beschouwd.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het beroep op AVAS steunt op de stelling dat de verdachte niet wist of kon weten dat de carbon black afval was. Die stelling is evenwel niet aannemelijk gebleken gelet op de omstandigheid dat hij ongevraagd - en niet in een verhoorsituatie - mededeelde aan de opsporingsambtenaar die op 20 juli 2010 onderzoek verrichtte in zijn inrichting dat hij wist dat het afval was (p. 136 van het politiedossier).

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep weliswaar ontkend deze uitlating te hebben gedaan maar het hof heeft evenwel geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het door de verbalisant aldaar gerelateerde.

Voorts overweegt het hof als volgt. Verdachte wist dat de carbon black van [X] van [rechtspersoon 7] kwam. Het materiaal lag inmiddels ook al jaren ongebruikt en zonder bestemming in verdachtes loods. Verdachte kon derhalve weten dat die carbon black als afvalstof moest worden beschouwd.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Hoewel het hof een feit minder bewezen acht dan de rechtbank en de advocaat-generaal, acht het in deze zaak een geldboete als opgelegd door de rechtbank en gevorderd door de advocaat-generaal passend en geboden. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

De kern van de zaak is dat verdachte niet heeft voldaan aan de regels die gelden voor handelingen met betrekking tot afvalstoffen. Verdachte gaf feitelijk leiding aan de onvergunde opslag van afvalstoffen op twee locaties. Juist in het belang van het milieu en de volksgezondheid gelden voor handelingen met betrekking tot afvalstoffen strenge regels. Verdachte heeft zich daar onvoldoende rekenschap van gegeven. In plaats daarvan heeft hij zich bij de opslag van afval carbon black - zowel bij de aanvang als bij de beoogde beëindiging daarvan - uitsluitend laten leiden door economische motieven. Bij deze gang van zaken past een geldboete van zekere omvang; een duidelijk signaal, waar ook een preventieve werking vanuit gaat.

Gelet op het voorgaande is voor een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de verdediging bepleit, geen plaats.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000,00 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend, voorzitter,

mr. J.J. van der Kaaden en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof, griffier,

en op 23 april 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.