Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ9218

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-05-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
20-000388-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 225 Sr: Veroordeling voor valsheid in geschrifte. Verkoop van paardenvlees als (halal geslacht) rundvlees. Voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000388-12

Uitspraak : 2 mei 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 18 januari 2012 in de strafzaak met parketnummer 02-997507-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] [1950],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

1. het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (verkoopfacturen aan [bedrijf])

2. het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (verkoopfacturen aan [Franse afnemer 1] en [Franse afnemer 2])

3. het medeplegen en doen plegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (halaltraceerbaarheidsformulieren en halalcertificaten)

4. het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (attesten)

veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de straf, en dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De verdediging heeft betoogd dat de inleidende dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard. Verder heeft de verdediging enkele bewijsverweren en een uitvoerig strafmaatverweer gevoerd.

Geldigheid inleidende dagvaarding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard voor zover aan verdachte in het onder 2 en 3 ten laste gelegde wordt verweten dat hij de term ‘halal’ valselijk heeft gebruikt. Volgens de verdediging had de steller van de tenlastelegging moeten aangeven wat onder ‘halal’ wordt verstaan en moeten verduidelijken waaruit die valsheid dan zou bestaan. Over de betekenis van de term ‘halal’ lopen de meningen binnen de moslimgemeenschap uiteen en het is bovendien niet een wettelijk beschermde term, aldus de raadsman.

Het hof overweegt het volgende.

De term ‘halal’ geslacht vlees heeft in het maatschappelijk verkeer een algemeen aanvaarde betekenis. Als een dier ‘halal’ is geslacht wordt daar in het algemeen onder begrepen dat het dier volgens islamitische voorschriften ritueel is geslacht. Dat binnen de moslimgemeenschap verschil van mening bestaat over de precieze inhoud van die voorschriften en dat de tem ‘halal’ niet wettelijk beschermd is, doet daar niet aan af.

Het hof is dan ook van oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen.

Dit oordeel vindt zijn bevestiging in de omstandigheid dat de verdachte en zijn raadsman er ter terechtzitting blijk van hebben gegeven te weten wat de aard van het verwijt was en te weten waartegen verdachte zich had te verdedigen.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf.

Het hof vult de bewijsmiddelen aan met de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, zoals die is vastgelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 april 2013, een en ander voor zover verdachte daarin de ten laste gelegde feiten erkent.

Het hof voegt nog een bewijsoverweging toe en past de straf en de strafmotivering aan.

Overweging met betrekking tot het bewijs

In hoger beroep is door de verdediging nog aangevoerd dat de valsheid van het gebruik van het woord ‘halal’ niet bewezen kan worden verklaard aangezien, aldus de verdediging, niet duidelijk is wat onder ‘halal’ moet worden verstaan.

Het hof verwerpt dit verweer alleen al omdat in de onderhavige zaak steeds buiten geschil is geweest dat het vlees dat verdachte heeft verkocht in het geheel geen behandeling heeft ondergaan, die aansloot of beoogde aan te sluiten bij wat in het algemeen onder halal wordt verstaan immers het betrof geen vlees afkomstig van ritueel geslachte dieren. Door desalniettemin de aanduiding halal voor dat vlees te gebruiken - hetzij door deze term te vermelden op verkoopfacturen, hetzij door bijvoeging van een HCTF document - is de valsheid gegeven.

Hetgeen overigens door de verdediging ten verweer is gevoerd, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen die door de rechtbank aan de bewezenverklaring ten grondslag zijn gelegd en de nadere bewijsoverwegingen in het vonnis.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft samen met anderen gedurende een periode van ongeveer twee jaar hoeveelheden paardenvlees, afkomstig uit Brazilie en Mexico gekocht. Dit vlees werd opgeslagen in een vrieshuis in Breda. Vervolgens werd het vlees op papier verkocht aan de Amsterdamse halal rundvlees slachterij [bedrijf]. [bedrijf] maakte vervolgens facturen en pakbonnen op voor [bedrijf van verdachte] en [opvolgend bedrijf] met betrekking tot identieke hoeveelheden vlees onder de omschrijving rundvlees, halal geslacht. Verdachte wist op deze wijze halaltraceerbaarheidsformulieren te verkrijgen, die hij nodig had voor de handel met Franse afnemers.

In werkelijkheid vonden er tussen [bedrijf van verdachte] en [opvolgend bedrijf] enerzijds en [bedrijf] anderzijds geen leveranties plaats en evenmin was er sprake van slachten door [bedrijf].

Vervolgens werden aan Franse afnemers partijen vlees, (deels) bestaande uit paardenvlees verkocht als halal geslacht vlees, geproduceerd door [bedrijf].

Op soortgelijke wijze werd door gebruikmaking van valse attesten, die bij partijen vlees werden gevoegd, de indruk gewekt dat het om rundvlees, afkomstig uit Duitsland ging terwijl het in werkelijkheid paardenvlees was.

Verdachte heeft door zijn handelwijze de werkelijke aard en herkomst van het vlees dat hij verhandelde verhuld. Verdachte heeft hierdoor meegewerkt aan de mogelijke misleiding van consumenten en bemoeilijking van de traceerbaarheid van de herkomst van het vlees. Dat laatste brengt in het bijzonder risico’s met zich mee wanneer dierziektes of ziekteverspreiders aanwezig lijken te zijn en de bron snel moet worden gevonden. Ongeacht of de bedrijven [bedrijf van verdachte] en [opvolgend bedrijf] zouden meewerken aan de opheldering over de herkomst van het voedsel, zou een eerste vermoeden van de herkomst gebaseerd worden op onjuiste informatie.

Het hof houdt er rekening mee dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep wel openheid van zaken heeft gegeven, de feiten grotendeels heeft erkend en er blijk van heeft gegeven de strafwaardigheid ervan in te zien.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige feiten. Het hof kiest echter voor oplegging van een andersoortige straf dan de rechtbank heeft opgelegd en de advocaat-generaal heeft gevorderd.

Aan de door de rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf is onder meer de veronderstelling ten grondslag gelegd dat verdachte door zijn handelwijze grote winsten heeft gemaakt. Ook is groot gewicht toegekend aan de omstandigheid dat het zeer aannemelijk is dat consumenten van het door verdachte verkochte vlees daadwerkelijk zijn misleid.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat deze strafverzwarende elementen onvoldoende aannemelijk zijn geworden op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting.

Dat door de onjuiste vermelding van de soort en de herkomst van het vlees extra winst zou zijn behaald is niet onderzocht en ook niet gebleken.

Over het vervolgtraject dat het vlees heeft afgelegd, nadat verdachte het met valse kwalificaties had verkocht, is niets bekend. Aangenomen kan worden dat het vlees uiteindelijk bij consumenten terecht is gekomen, maar daarmee staat nog niet vast onder welke benaming en met welke kwalificaties het vlees aan hen, als laatste schakel in de keten, is verkocht.

Voorts houdt het hof rekening met de omstandigheid dat niet is gebleken dat de voedselveiligheid in het geding is geweest.

Dit alles in aanmerking nemend acht het hof een hoge geldboete een passende reactie. Daarnaast zal het hof vanuit het oogpunt van speciale preventie en tevens om de ernst van de zaak tot uitdrukking te brengen een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 50.000,00 (vijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof, griffier,

en op 2 mei 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.