Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8512

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
12-00341
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor hetzelfde belastbaar feit kan ten laste van een belastingplichtige maar éénmaal een primitieve aanslag worden opgelegd. Er is niet sprake van twee verschillende heffingsgrondslagen (HR 7 februari 1973, 16 885, BNB 1973/69). Door het opleggen van een primitieve aanslag gedurende het kalenderjaar is de bevoegdheid tot heffen derhalve uitgeput. De na het kalenderjaar opgelegde tweede primitieve aanslag moet worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1034
Belastingblad 2013/237 met annotatie van M.R.P. de Bruin
V-N 2013/39.25 met annotatie van Redactie
FutD 2013-1108 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00341

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Roermond (hierna: de Rechtbank) van 31 mei 2012, nummer AWB 09/1919, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar van de gemeente Maasgouw,

te Maasbracht

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te noemen aanslag afvalstoffenheffing 2008.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 oktober 2009 onder aanslagnummer 000000 over 2008 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd voor een bedrag van € 20,88. Na tegen de aanslag gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase afgewezen.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 115.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 februari 2013 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft het Hof voor de zitting schriftelijk bericht niet te zullen verschijnen en is ook niet verschenen.

1.5. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is gezonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaringen van de Heffingsambtenaar tijdens het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende is feitelijk gebruiker van het perceel A-straat 6 in Y.

2.2. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 maart 2008 onder aanslagnummer 111111 over 2008 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd voor een bedrag van € 229,44 (hierna ook wel: de eerste primitieve aanslag).

2.3. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 oktober 2009 onder aanslagnummer 000000 over 2008 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd voor een bedrag van € 20,88 (hierna ook wel: de tweede primitieve aanslag).

2.4. De onder 2.2 en 2.3 vermelde aanslagen zijn opgelegd wegens het feitelijk gebruik van het perceel A-straat 6 in Y ter zake waarvan de gemeente op grond van de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer de verplichting tot inzameling van huishoudelijk afval heeft.

2.5. De onder 2.2 vermelde aanslag is gebaseerd op het (vaste) basisbedrag dat de gemeente jaarlijks in rekening brengt voor het 18 maal ledigen van de gft-container en het 14 maal ledigen van de container voor het restafval. (Zie hierna hoofdstuk 1 van na te noemen tarieventabel.)

2.6. Als de gft-containers en de containers voor het restafval vaker worden geleegd dan het onder 2.4 vermelde aantal keren waarvoor het vaste bedrag in rekening wordt gebracht, brengt de gemeente per extra lediging een bedrag in rekening. Na afloop van het belastingjaar heeft de gemeente geconstateerd dat het aantal extra ledigingen van restafval in 2008 3 bedroeg. Voor deze extra ledigingen ontving belanghebbende met dagtekening 31 oktober 2009 het aanslagbiljet afvalstoffenheffing 2008, extra ledigingen ten bedrage van in totaal € 20,88 (3 x € 6,96). Dit bedrag is tussen partijen niet in geschil.

Relevante regelgeving

2.7. Artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (tekst 2008) luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

'1. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, feitelijk gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

(...)

3. Met betrekking tot deze heffingen zijn de artikelen 216 tot en met 219 en 230 tot en met 257 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.'.

2.8. Artikel 231 van de Gemeentewet (tekst 2008) luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

'1. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen.'.

2.9. Artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2008) luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

'4. Voor de toepassing van het derde lid wordt belastingschuld, waarvan de grootte eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak eindigt.'.

2.10. Artikel 13 van de AWR luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

'1. Ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, kan de inspecteur volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag, met toepassing van de in artikel 15 voorgeschreven verrekening van de voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen, vermoedelijk zal worden vastgesteld. Een voorlopige aanslag tot een positief bedrag wordt niet vastgesteld voor de aanvang van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.'.

2.11. Artikel 16 van de AWR luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

'1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

2. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat:

a. een voorlopige aanslag, een voorheffing, een voorlopige teruggaaf of een voorlopige verliesverrekening ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend;

(...)

3. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 11, vierde lid, is te dezen van toepassing. (...)'.

2.12. Mede op grond van artikel 15.33 van de Wet milieu beheer heeft de gemeenteraad in zijn vergadering van 17 december 2003 de 'Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2004' (hierna: Verordening afvalstoffenheffing 2004) vastgesteld. Tegelijkertijd heeft de gemeenteraad de bij deze Verordening behorende Tarieventabel vastgesteld. De Verordening afvalstoffenheffing 2004 en bijborende Tarieventabel zijn gepubliceerd in het blad 'Heel Informatief' van 31 december 2003.

2.13. Nadien zijn de Verordening afvalstoffenheffing 2004 en bijbehorende Tarieventabel gewijzigd bij besluiten van de gemeenteraad in zijn vergaderingen van 16 december 2004,28 april 2005, 15 december 2005 en 14 december 2006. Deze wijzigingen zijn gepubliceerd in het blad 'Heel Informatief' van respectievelijk 22 december 2004, 4 mei 2005, 28 december 2005 en 20 december 2006.

2.14. Voor het jaar 2008 luidt de Verordening afvalstoffenheffing 2004, voor zover te dezen van belang, als volgt:

'Artikel 1 Aard van de belasting en belastbaar feit

1 Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

2 De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze Verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 2 Belastingplicht

1 De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

(...)

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief

1 De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel met inachtneming van de overige leden van dit artikel.

2 Het aantal maal dat per perceel per belastingjaar containers, onderverdeeld naar de verschillende volumes zoals in de tarieventabel is aangegeven en naar rest en gft-afval zomede naar de afzonderlijke inzamelfrequentie voor beide fracties, ter lediging worden aangeboden, wordt aangemerkt als maatstaf van de heffing van de in artikel 1 genoemde belasting.

3 Voor de berekening van de belasting wordt uitgegaan van het aantal maal dat per perceel een container onderverdeeld naar de verschillende volumes en afvalfracties, ter lediging wordt aangeboden en daarbij door de op het inzamelvoertuig aangebrachte registratie-apparatuur wordt geregistreerd.

(...)

Artikel 5 Belastingjaar

Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6 Wijze van heffing

1 De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 lid 1 en 2 van de tarieventabel wordt bij wege van aanslag geheven.

(...)

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1 De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 lid 1 en 2 is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

(...).'.

2.15. Voor het jaar 2008 luidt de bij Verordening afvalstoffenheffing 2004 behorende Tarieventabel, voor zover te dezen van belang, als volgt:

'Hoofdstuk 1. Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing.

1. Het basisbelastingbedrag per perceel en per belastingjaar geldt per container voor het gft-afval en per container voor het restafval, waarbij het gft-afval 18 maal en het restafval 14 maal in het belastingjaar wordt ingezameld. (...)

Hoofdstuk 2. Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing.

1. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1 wordt, indien het aantal ledigingen voor gft-afval uitstijgt boven de 18 maal en voor restafval boven de 14 maal, dan wel het aantal maal dat conform artikel 7 lid 5 en/of 6 is bepaald, de belasting per extra lediging opgelegd als volgt:

Containervolume gft-afval in liters

Tarief

Containervolume restafval in liters

Tarief

25

1,92

25

1,92

40

2,28

60

2,76

60

2,76

80

3,24

80

3,24

140

4,56

140

4,56

240

6,96

‘.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Dient de aanslag te worden vernietigd, omdat deze is aan te merken als een tweede primitieve aanslag?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt, en op hetgeen de Heffingsambtenaar ter zitting geloofwaardig heeft verklaard.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de aanslag. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Belanghebbende betoogt dat de onder 2.2 vermelde aanslag met dagtekening 31 maart 2008 de primitieve aanslag is voor het jaar 2008. Aldus kon nadien geen (primitieve) aanslag meer voor het jaar 2008 worden opgelegd, omdat, aldus belanghebbende, volgens vaste jurisprudentie niet tweemaal een primitieve aanslag kan worden opgelegd. De onder 2.3 vermelde aanslag met dagtekening 31 oktober 2009 moet worden aangemerkt als een tweede primitieve aanslag, zodat die dient te worden vernietigd.

4.2. De Heffingsambtenaar betoogt dat onder 2.2 vermelde aanslag met dagtekening 31 maart 2008 en onder 2.3 vermelde aanslag met dagtekening 31 oktober 2009 weliswaar hetzelfde belastbaar feit betreffen, maar dat wordt geheven naar verschillende grondslagen. Aldus berusten de aanslagen op verschillende grondslagen van dezelfde afvalstoffenheffing, zodat wel tweemaal een primitieve aanslag mocht worden opgelegd. Hierbij verwijst de Heffingsambtenaar onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 7 februari 1973, 16 885, BNB 1973/69 en van 26 juni 1974, 17 382, BNB 1974/228.

4.3. Het Hof stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie de hoofdregel is, dat ter zake van hetzelfde belastbaar feit ten laste van een belastingplichtige maar éénmaal een primitieve aanslag kan worden opgelegd. Door het opleggen van een primitieve aanslag is de bevoegdheid tot heffen derhalve in beginsel uitgeput. Zie in dit verband, naast de onder 4.2 vermelde arresten, het arrest van de Hoge Raad 6 december 1922, B 3158; 11 november 1925, B 3697; van 25 oktober 1978, nr. 18 790, BNB 1979/6; van 17 december 1980, nr. 20 184, BNB 1981/24; van 15 mei 1985, nr. 22 920, BNB 1985/272 en van 26 maart 2010, nr. 09/02804, LJN: BL8877.

4.4. Een eerste uitzondering op de onder 4.3 vermelde hoofdregel is dat ter zake van hetzelfde belastbare feit wordt geheven naar verschillende grondslagen. Zie in dit verband het arrest van de Hoge Raad van 11 november 1925, B 3697 en van 7 februari 1973, 16 885, BNB 1973/69.

4.5. Een tweede uitzondering op de onder 4.3 vermelde hoofdregel is dat een naar de vorm van een (tweede) primitieve aanslag opgelegde belastingaanslag als navorderingsaanslag in stand kan blijven doordat aan de vereisten voor navordering is voldaan. Zie de onder 4.3 vermelde jurisprudentie.

4.6. De Heffingsambtenaar heeft zich beroepen op onder 4.4 bedoelde uitzondering. De Heffingsambtenaar heeft betoogd, dat sprake is van twee verschillende grondslagen:

(1) De afvalstoffenheffing (het vaste basisbedrag) die wordt geheven voor het 18 maal inzamelen van gft-afval en het 14 maal inzamelen van het restafval is naar haar aard een tijdvakheffing waarvan de grootte bij aanvang van het belastingjaar of latere aanvang belastingplicht vaststaat.

(2) De afvalstoffenheffing zoals die wordt geheven voor de extra ledigingen is naar haar aard een tijdstipheffing.

Naar het Hof begrijpt bedoelt de Heffingsambtenaar juist te stellen dat (1) de afvalstoffenheffing (het vaste basisbedrag) die wordt geheven voor het 18 maal inzamelen van gft-afval en het 14 maal inzamelen van het restafval naar haar aard een tijdstipheffing is (naar het tijdstip 1 januari 2008) en (2) de afvalstoffenheffing zoals die wordt geheven voor de extra ledigingen, beoordeeld over het hele kalenderjaar, naar haar aard een tijdvakheffing is.

4.7. Het Hof overweegt als volgt.

4.8. Het Hof leidt uit artikel 4 van de Verordening afvalstoffenheffing 2004 en uit de bijbehorende Tarieventabel af dat het aantal ledigingen van containers voor het gft-afval en van containers voor het restafval de grondslag vormt van het belastbare feit: het gebruik van een perceel waarvoor een inzamelplicht van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

4.9. Hieruit volgt reeds dat niet sprake is van verschillende grondslagen. Dat de gemeente een vast basisbedrag heeft willen heffen voor (maximaal) 18 ledigingen van containers voor het gft-afval en 14 ledigingen van containers voor het restafval maakt niet dat de grondslag niet deze ledigingen zou zijn. Immers, zodra dit aantal ledigingen wordt overschreden wordt voor de meerdere ledigingen bijgeheven.

4.10. Het beroep van de Heffingsambtenaar op het arrest van de Hoge Raad van 7 februari 1973, 16 885, BNB 1973/69 faalt. In die zaak werd (wel) naar twee op zich zelf staande grondslagen geheven: te weten naar de afgeleverde hoeveelheid motorbrandstof enerzijds en naar het aantal vaste aftappunten met toebehoren anderzijds. Een heffing gebaseerd op de afgeleverde hoeveelheid motorbrandstof heeft inderdaad betrekking op een heel andere grondslag dan een heffing gebaseerd op het aantal vaste aftappunten met toebehoren.

4.11. Met betrekking tot het in het verweerschrift in eerste aanleg, pagina 4 en het tijdens het onderzoek ter zitting door de Heffingsambtenaar aangevoerde, onder 4.6 vermelde, argument dat - naar het Hof begrijpt - de heffing op grond van hoofdstuk 1 van de Tarieventabel een tijdstipheffing zou zijn en dat de heffing op grond van hoofdstuk 2 van de Tarieventabel een tijdvakheffing zou zijn overweegt het Hof als volgt.

4.12. In het onderhavige geval is het belastbare feit het feitelijk gebruik van een perceel ten aanzien waarvan een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Nu, zoals overwogen onder 4.8, uit de Verordening afvalstoffenheffing 2004 en uit de bijborende Tarieventabel kan worden afgeleid dat het aantal ledigingen van containers voor het gft-afval en van containers voor het restafval bepalend is voor de maatstaf van heffing, wordt de omvang van de afvalstoffenheffing mede bepaald door feiten, die zich in de loop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven

- het kalenderjaar - kunnen voordoen. Dit brengt mee dat pas aan het einde van het kalenderjaar kan worden beoordeeld of de heffing volgens hoofdstuk 1 van de Tarieventabel toereikend is.

4.13. Uit hetgeen onder 4.12 is overwogen volgt, dat pas na afloop van het kalenderjaar, in casu 2008, definitief kan worden bepaald hoeveel afvalstoffenheffing is verschuldigd. Voor een dergelijke situatie vloeit uit de AWR voort, dat gedurende het kalenderjaar een voorlopige aanslag kan worden opgelegd (artikel 13 van de AWR) en dat pas na afloop van het kalenderjaar een definitieve aanslag kan worden opgelegd (artikel 11, lid 4 van de AWR). Het standpunt van de Heffingsambtenaar dat er een heffing is naar een vast bedrag op een tijdstip (naar het Hof begrijpt: 1 januari 2008) en een heffing naar extra ledigingen, bepaald over het hele kalenderjaar 2008, is onjuist.

4.14. Ten overvloede overweegt het Hof als volgt. In de situatie dat pas na afloop van het tijdvak definitief kan worden bepaald hoeveel (afvalstoffen)heffing is verschuldigd wordt deze heffing geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop dat tijdvak eindigt (artikel 11, lid 4 van de AWR). In zoverre in artikel 7 van de Verordening afvalstoffenheffing 2004 anders is bepaald is de Verordening afvalstoffenheffing 2004 (jegens belanghebbende) onverbindend. De onder 2.2 vermelde aanslag met dagtekening 31 maart 2008 had niet mogen worden opgelegd.

4.15. De Heffingsambtenaar heeft niet gesteld dat de onder 2.3 vermelde aanslag met dagtekening 31 oktober 2009 beschouwd zou moeten worden als een navorderingsaanslag. Indien en voor zover de Heffingsambtenaar bedoeld heeft te stellen dat sprake zou zijn van een feit, namelijk het totale aantal ledigingen over 2008, dat hem ten tijde van het opleggen van de eerste primitieve aanslag niet bekend was en ook redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn kan dat er niet toe leiden dat de tweede primitieve aanslag in stand kan blijven (als een navorderingsaanslag). Immers, ten tijde van het opleggen van de eerste primitieve aanslag wist de Heffingsambtenaar dat hij niet bekend kon zijn met het aantal ledigingen over het gehele kalenderjaar. Nu de Heffingsambtenaar ten tijde van het opleggen van de eerste primitieve aanslag heeft aanvaard een eerste primitieve - definitieve - aanslag op te leggen zonder kennis te (kunnen) hebben van het definitieve aantal ledigingen over het komende kalenderjaar is ingevolge het in hoofdstuk III van de AWR opgenomen systeem zijn heffingsbevoegdheid uitgeput.

4.16. Uit al het vorenoverwogene volgt dat de onder 2.3 vermelde aanslag met dagtekening 31 oktober 2009 een tweede primitieve aanslag is. Omdat door het opleggen van de eerste primitieve aanslag, de onder 2.2 vermelde aanslag met dagtekening 31 maart 2008, de bevoegdheid tot heffing door de Heffingsambtenaar reeds is uitgeput moet de tweede primitieve aanslag worden vernietigd.

Slotsom

4.17. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond. De uitspraak van de Rechtbank en de aanslag dienen te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.18. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de gemeente aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 respectievelijk € 115 te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.19. Nu de aanslag wordt vernietigd vanwege een (onjuiste) rechtsopvatting, die de Heffingsambtenaar in redelijkheid niet heeft kunnen verdedigen, is sprake van een aan hem te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2 van de Awb. Mitsdien acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), op 1 (punt) x € 235 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 235.

4.20. De Heffingsambtenaar heeft gesteld, dat omdat belanghebbende wordt vertegenwoordigd door zijn eigen B.V. en hij als eigenaar van de woning ook zelf een rechtstreeks belang heeft bij de uitkomst van deze procedure belanghebbende niet als een derde kan worden beschouwd. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

4.21. Het Bpb definieert het begrip derde niet. Vaststaat dat belanghebbende in bezwaar en (hoger) beroep naar buiten toe vertegenwoordigd is door een civielrechtelijke rechtspersoon, te weten X1 B.V.. Het bezwaar-, beroep- en hoger beroepschrift zijn telkens gesteld op briefpapier van X1 B.V. en ondertekend door haar directeur. Niet in geschil is dat het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand het doel en de feitelijke werkzaamheid van de B.V. vormt. De Heffingsambtenaar stelt, naar het Hof verstaat, voor om voor de toepassing van vergoedingen van proceskosten af te wijken van het civiele recht. Daartoe bestaat naar het oordeel van het Hof onvoldoende aanleiding. Voldoende is dat een belastingplichtige en de vennootschap zakelijk handelen, dat wil zeggen handelen als waren zij onafhankelijke derden. Gesteld noch gebleken is dat dit niet het geval is.

4.22. Dat wordt niet anders doordat die derde/bijstandverlener een B.V. is die optreedt door middel van haar directeur/aandeelhouder en evenmin wanneer het een zaak betreft die de directeur/eigenaar persoonlijk aangaat.

4.23. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De onder 4.20 vermelde stelling van de Heffingsambtenaar faalt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.24. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Bpb, op:

- 1 (punten) x € 472 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank, en

- 2 (punten) x € 472 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) in verband met de behandeling van van het hoger beroep bij het Hof,

is in totaal € 1.416.

4.25. Voor de onder 4.20 bedoelde stelling van de Heffingsambtenaar verwijst het Hof naar hetgeen is overwogen onder 4.21-4.23.

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het bij de Rechtbank ingediende beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vernietigt de aanslag met dagtekening 31 oktober 2009,

- gelast dat de gemeente Maasgouw aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 156 vergoedt,

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in een tegemoetkoming van de kosten van het bezwaar, de kosten van het geding bij de Rechtbank en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een bedrag van € 1.651, en

- wijst de gemeente Maasgouw aan als rechtspersoon, die de kosten van het bezwaar en de proceskosten aan belanghebbende moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 12 april 2013 door P. Fortuin, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en A.C. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.