Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8509

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
12-00216
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is door de Ontvanger aansprakelijk gesteld voor belastingschulden. Door het laten verschepen van rode brandweerauto’s naar buiten Nederland en de Ontvanger daarover niet te informeren heeft belanghebbende kennelijk onbehoorlijk bestuurd. De Ontvanger heeft niet voldaan aan zijn stelplicht met betrekking tot de invorderingsrente en de kosten, zodat belanghebbende daarvoor niet aansprakelijk is (artikel 32, lid 2 IW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 1060 met annotatie van Beune
FutD 2013-1138
V-N Vandaag 2013/1019
Belastingadvies 2013/16.10
V-N 2013/36.25

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00216

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 30 maart 2012, nummer AWB 11/3350, in het geding tussen

belanghebbende

en

de directeur van de Belastingregio Belastingdienst/Zuidwest van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Ontvanger,

betreffende na te noemen beschikking aansprakelijkstelling.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Ontvanger heeft bij beschikking gedagtekend 15 september 2010 onder kenmerk 0000/0000.00.000./XXX000, (hierna: de beschikking (aansprakelijkstelling)), belanghebbende aansprakelijk gesteld voor een bedrag aan belasting van € 185.095, een bedrag aan kosten van € 12.391 en een bedrag aan invorderingsrente van € 5.347. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Ontvanger bij uitspraak op bezwaar de beschikking aansprakelijkstelling verminderd tot een bedrag van in totaal € 200.333 en het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar afgewezen.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank 's-Gravenhage. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van deze Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De Rechtbank (Breda) heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de beschikking verminderd tot een bedrag van in totaal € 45.777, de Ontvanger veroordeeld in de kosten van het bezwaar en de proceskosten van belanghebbende en hem gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 0,00. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 december 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en de Ontvanger.

1.5. De Ontvanger heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende is in de periode 2007 tot 12 april 2011 (feitelijk) bestuurder geweest van A B.V. (hierna: de B.V.). De activiteiten van de B.V. bestaan uit het modificeren van trucks, verlengen van chassis, aanbrengen dubbele besturing enz.

2.2. De B.V. heeft verschuldigde loonheffingen niet voldaan en voorrang gegeven aan betaling van concurrente schuldeisers.

2.3. De Ontvanger was in ieder geval vanaf januari 2007 op de hoogte van de betalingsproblemen bij de B.V.. De Ontvanger en de B.V. hebben nadien in goed overleg meerdere verschillende betalingsafspraken gemaakt.

2.4. Belanghebbende was tevens bestuurder van B B.V. (hierna: B B.V.). Alle aandelen van B B.V. waren in handen van C B.V., waarvan belanghebbende directeur/enig-aandeelhouder was. B B.V. richtte zich op het modificeren, importeren en exporteren van brandweerauto's en blusmiddelen. B B.V. kreeg, nadat de B.V. bij brief van 28 maart 2006 aan D N.V. had bericht haar export-brandweer technische activiteiten aan B B.V. over te dragen, op 3 april 2006 van D N.V. een order voor de levering van twee brandweerauto's voor € 430.000, waarvan € 215.000 op 12 mei 2006 is voldaan. De autoriteiten te Curaçao hadden op 20 maart 2006 bij D N.V. twee brandweerauto's besteld en de gehele koopsom meteen aan D N.V. betaald. Op 1 augustus 2006 heeft de B.V. van E N.V. twee chassis van de twee, na te noemen, rode brandweerwagens gekocht en deze op dezelfde dag verkocht aan B B.V.. Op 1 september 2007 heeft D N.V. twee sets bepakking besteld bij B B.V. voor € 59.842, waarvan € 29.921 op 18 september 2007 is betaald. De B.V. heeft ten behoeve van B B.V. meerdere werkzaamheden aan de twee, na te noemen, rode brandweerwagens verricht en de B.V. heeft uit dien hoofde een vordering gekregen op B B.V..

2.5. Omdat D N.V. haar betalingsverplichtingen ten opzichte van B B.V. niet nakwam, wilde B B.V. de brandweerwagens niet aan D N.V. leveren. B B.V. is in overleg geweest met de autoriteiten te Curaçao om tot levering van de brandweerauto's aan de autoriteiten te Curaçao te komen tegen betaling van een bedrag aan B B.V.. Op enig moment wilden de autoriteiten te Curaçao levering van de brandweerauto's door D N.V. afdwingen door het leggen van beslag op de brandweerauto's.

2.6. Daarop is de Ontvanger verzocht beslag te leggen op de brandweerauto's bij een e-mail van 4 juni 2009, die, voor zover te dezen van belang, luidt als volgt:

'Van: F - B bv

Datum:04/06/09 13:58:50

Aan: G@belastingdienst.nl

Onderwerp: Vordering van A op B per 31122008

Geachte heer G,

Hierbij verstrek ik u de beloofde gegevens tbv de beslaglegging op de 2 bedrijfswagens, zijnde rode brandweerwagens voorzien van alle noodzakelijke voorzieningen, gebouwd in opdracht van D bv, bestemd voor Brandweer Curacao.

1. De vordering van A op B per 31/12/2008.

2. de chassisnummers van de voertuigen:

3. de lokatie van de voertuigen

1. zie bijlage vordering groot € 200.141,-

2. J, type XX XX 00.000 XX, XXXXX 00 XXXX 000000

J, type XX XX 00.000 XX, XXXXX 00 XXXX 111111

3. De lokatie van de voertuigen is momenteel:

B

H-straat 4C

---- -- K

Op de voertuigen moet nog een betaling binnenkomen van € 244.921

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geinformeerd.

Mocht ik u verder nog van dienst te kunnen zijn, dan hoor ik het graag.

Met vriendelijk groeten,

[Hof: dochter belanghebbende]

A bv

L-straat 4

---- -- Y

Tel. 0000-000000

Fax 0000-111111

Email: M@M.com'

Bij de mail is een debiteurenoverzicht gevoegd van de B.V. waaruit blijkt dat de B.V. een vordering heeft van € 200.141,18 op B B.V..

2.7. Daarop heeft de Ontvanger ten behoeve van door de B.V. onbetaald gelaten belastingschulden op 11 juni 2009 beslag gelegd op de bovenvermelde brandweerauto's.

2.8. Nadien zijn de B.V. en de Ontvanger tot en met juli 2010 met elkaar in gesprek geweest op welke wijze belastingschulden zouden kunnen worden voldaan door de levering van de brandweerauto's aan de autoriteiten te Curaçao tegen betaling van een bedrag door deze autoriteiten (bijlage 47 bij het verweerschrift in eerste aanleg). Toen uiteindelijk de Ontvanger de brandweerauto's executoriaal wilde verkopen op 16 september 2010 bleek dat de brandweerauto's niet meer op het adres in K aanwezig waren en naar Curaçao waren verscheept. Hierop is door de rijksbelastingdienst een relaas van onttrekking van de brandweerauto's opgemaakt en is aan de brandweerauto's een waarde toegekend van € 20.000. Op verzoek van de voor de Ontvanger werkzame fraudecoördinator is de waarde vervolgens aangepast tot een bedrag van € 120.000.

2.9. De brandweerauto's zijn op 23 februari 2010 in opdracht van B B.V. verscheept naar Curaçao. Daarop zijn de brandweerauto's geleverd aan de autoriteiten te Curaçao tegen betaling van een bedrag aan B B.V.. Met dit bedrag zijn (deels) belastingschulden gedelgd van B B.V. en andere gelieerde vennootschappen.

2.10. De Ontvanger heeft bij beschikking van 15 september 2010 belanghebbende op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) aansprakelijk gesteld voor een bedrag aan belasting van € 185.095, een bedrag aan kosten van € 12.391 en een bedrag aan invorderingsrente van € 5.347. Bij de beschikking is het volgende overzicht gevoegd:

aanslagnummer

vervaldag

aanslagbedrag

kosten

rente

20-10-2008

1010220020082008

13.748

564

824

20-11-2008

5.547

415

309

4-12-2008

6.034

449

324

18-12-2008

4.974

377

257

1-1-2009

5.390

404

268

20-1-2009

6.588

485

310

17-2-2009

5.238

395

225

3-3-2009

5.890

437

243

17-3-2009

4.413

395

173

31-3-2009

4.282

319

160

14-4-2009

4.034

301

145

30-4-2009

9.678

679

334

15-5-2009

3.919

295

130

24-6-2009

4.172

310

122

9-7-2009

3.840

289

108

23-7-2009

4.273

344

115

7-8-2009

5.892

424

153

25-8-2009

3.521

268

86

10-9-2009

4.842

355

113

29-9-2009

4.700

346

103

15-10-2009

4.689

346

98

3-11-2009

5.285

385

103

19-11-2009

4.297

319

79

8-12-2009

8.950

628

154

13-1-2010

3.874

292

57

2-2-2010

3.832

289

51

17-2-2010

3.874

292

52

4-3-2010

4.087

304

54

23-3-2010

5.378

391

64

7-4-2010

3.900

292

42

7-5-2010

3.850

289

34

4-6-2010

3.918

295

27

1-7-2010

5.773

418

30

29-7-2010

2.666

0

0

26-8-2010

2.644

0

0

23-9-2010

7.103

0

0

Totaal

185.095

12.391

5.347

2.11. De Ontvanger heeft vervolgens het faillissement aangevraagd van de B.V., waarop in april 2011 de B.V. failliet is verklaard.

2.12. Op 31 januari 2011 is in verband met de onderhavige aansprakelijkstelling executoriaal beslag gelegd op het woonhuis van belanghebbende.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 36, lid 3, van de Invorderingswet 1990 van belanghebbende en is hij, zo dat het geval is, tot het juiste bedrag aansprakelijk gesteld?

II. Is belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag aansprakelijk gesteld voor de kosten en de invorderingsrente op grond van artikel 36 Invorderingswet 1990 in samenhang met artikel 32, lid 2 van de Invorderingswet 1990?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Ontvanger is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt en op hetgeen partijen tijdens de zitting hebben verklaard.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Ontvanger en tot vernietiging van de beschikking. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1. Belanghebbende heeft bij brief van 28 maart 2011 bij de Rechtbank 's-Gravenhage beroep ingesteld tegen de uitspraak van 16 februari 2011. De Rechtbank 's-Gravenhage heeft partijen bij brief van 1 april 2011 medegedeeld dat het beroepschrift is ontvangen. Bij brief van 21 juni 2011 heeft de Rechtbank 's-Gravenhage partijen ervan in kennis gesteld dat de zaak zal worden behandeld door de Rechtbank Breda als nevenzittingsplaats van de Rechtbank 's-Gravenhage. Bij brief van 27 juni 2011 heeft de Rechtbank (Breda) partijen in kennis gesteld van de ontvangst van het beroep van belanghebbende vanuit de Rechtbank 's-Gravenhage. De Rechtbank (Breda) heeft het beroep ter zitting van 16 maart 2012 behandeld en op 30 maart 2012 uitspraak gedaan, waartegen belanghebbende bij het Hof hoger beroep heeft ingesteld.

4.2. Ten tijde van het door belanghebbende tegen de uitspraak van de Ontvanger ingestelde beroep was belanghebbende woonachtig te Y. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, voor zover hier van belang, indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een onderdeel van de rijksbelastingdienst de rechtbank binnen het rechtsgebied, waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft, bevoegd. Aangezien belanghebbende ten tijde van het door hem - op 29 maart 2011 - ingestelde beroep woonachtig was te Y, was de Rechtbank Middelburg in beginsel aan te merken als de rechtbank, die bevoegd was om het beroep inhoudelijk te behandelen. Op grond van artikel 27 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst tot 1 juli 2011) treedt evenwel de Rechtbank 's-Gravenhage in de plaats van de andere rechtbanken in het ressort 's-Gravenhage als het gaat om de behandeling van rijksbelastingzaken. De in hoger beroep bestreden uitspraak is gedaan door de Rechtbank (Breda) en niet door Rechtbank 's-Gravenhage.

4.3. Uit het Aanwijzingsbesluit nevenzittingsplaats rijksbelastingzaken rechtbank, Stcrt. 2008, 157, p. 19 volgt, dat de Rechtbank (Breda) van 17 augustus 2008 tot en met 16 augustus 2011 bevoegd was om onderhavige zaak te behandelen. Hieruit volgt dat de Rechtbank (Breda) ten tijde van het onderzoek ter zitting van 16 maart 2012 bij de Rechtbank en op het moment dat uitspraak werd gedaan - 30 maart 2012 - niet (meer) bevoegd was op grond van dit Aanwijzingsbesluit.

4.4. Bij Wet van 19 mei 2011 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet op de rechterlijke indeling, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enkele andere wetten naar aanleiding van de evaluatie van de modernisering van de rechterlijke organisatie en in verband met de regeling van het klachtrecht inzake gedragingen van rechterlijke ambtenaren (Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie), Stb. 2011, 255 is in artikel II bepaald dat het arrondissement Middelburg behoort tot het rechtsgebied van het Hof. Dit artikel is in werking getreden per 1 juli 2011 (Stb. 2011, 256). Gelet op het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst na 30 juni 2011; hierna: AWR) treedt de Rechtbank (Breda) in de plaats van de andere rechtbanken in het ressort 's-Hertogenbosch als het gaat om de behandeling van rijksbelastingzaken.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat de Rechtbank (Breda) bevoegd was ten aanzien van onderhavige zaak.

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.6. De Ontvanger heeft belanghebbende aansprakelijk gesteld op grond van artikel 36 van de IW.

4.7. Tussen partijen is niet in geschil, dat belanghebbende de in artikel 36, lid 2 van de IW bedoelde melding van betalingsonmacht van de belastingschulden van de B.V. in ieder geval vanaf januari 2007 aan de Ontvanger geacht moet worden te hebben gedaan (arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2011, 09/03451, LJN: BP2982). Nu het Hof niet is gebleken, dat dit standpunt van partijen berust op een onjuist juridisch uitgangspunt sluit het Hof zich daarbij aan.

4.8. Alsdan rust ingevolge artikel 36, lid 3, van de IW op de Ontvanger de bewijslast om aannemelijk te maken dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip waarop de mededeling van betalingsonmacht is gedaan dan wel zou moeten zijn gedaan.

4.9. Vaststaat, dat de Ontvanger en de B.V. in ieder geval vanaf januari 2007 tot 23 februari 2010 gezamenlijk in goed overleg zijn opgetrokken door meerdere verschillende betalingsafspraken te maken. De stelling van de Ontvanger ter zitting dat doordat belanghebbende zich niet aan de gemaakte afspraken zou hebben gehouden sprake is van onbehoorlijk bestuur heeft hij tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Immers, weliswaar is aannemelijk dat de B.V. niet al deze afspraken stipt is nagekomen, maar ook is aannemelijk dat, zoals belanghebbende ter zitting gemotiveerd heeft gesteld, in goed overleg weer nieuwe afspraken zijn gemaakt.

4.10. De Ontvanger heeft voorts aangevoerd dat belanghebbende de Ontvanger heeft misleid door hem in juni 2009 niet te informeren, dat de eigendom van de brandweerauto's niet bij de B.V. berustte en dat daarom sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Belanghebbende heeft gesteld dat de eigendom van de brandweerauto's niet bij de B.V. berustte en dat de B.V. ook nimmer om beslaglegging op de brandweerauto's heeft verzocht, maar heeft verzocht om beslaglegging op de vordering van de B.V. op B B.V..

4.11. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat de onder 2.6 geciteerde mail aanleiding heeft kunnen geven tot verwarring tussen partijen. Anders dan belanghebbende heeft gesteld wordt in die mail wel verzocht om beslaglegging op de brandweerauto's. Dat is ook logisch, omdat aldus gepoogd werd om de beslaglegging door de autoriteiten te Curaçao te pareren. De vraag door wie om deze beslaglegging werd verzocht is minder eenduidig te beantwoorden. Deze mail is verstuurd vanaf een mailadres van B B.V., maar als afzender is opgenomen de B.V.. Voorts is het onderwerp van de mail de eerder genoemde vordering van de B.V. op B B.V. en is als bijlage een overzicht gevoegd van deze vordering, hetgeen steun geeft aan de stelling van belanghebbende dat niet de B.V. om de beslaglegging op de brandweerauto's heeft verzocht. Gegeven de verwarrende inhoud van de mail had het op de weg van de Ontvanger gelegen om nader onderzoek te doen naar hetgeen door de B.V. (dan wel B B.V.) werd gevraagd. Bovendien had het op zijn weg gelegen, de eigendom van de brandweerauto's op enigerlei wijze te verifiëren, nu hij daarop ten behoeve van de belastingschulden van de B.V. beslag wilde leggen. Uit het vorenstaande volgt dat de Ontvanger niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door belanghebbende is misleid, in die zin dat belanghebbende opzettelijk onjuiste informatie zou hebben verschaft.

4.12. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.9-4.11 is het Hof, met de Rechtbank, van oordeel dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur tot 23 februari 2010 geen sprake is.

4.13. De stelling van de Ontvanger dat de omstandigheid dat de brandweerauto's op 23 februari 2010 zijn verscheept een strafbaar feit als bedoeld in artikel 198 van het Wetboek van Strafrecht zou vormen, en dus reeds alleen daarom al sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, faalt. Niet uitgesloten is immers dat het begaan van een strafbaar feit, daargelaten of daarvan hier sprake is, zodanig in het belang van de vennootschap kan zijn dat niet sprake is van onbehoorlijk bestuur, laat staan dat het begaan van een strafbaar feit altijd kennelijk onbehoorlijk zou zijn.

4.14. Voorts stelt de Ontvanger dat belanghebbende de brandweerauto's op 23 februari 2010 aan het beslag heeft onttrokken en dat daarom sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Belanghebbende heeft gesteld dat de eigendom van de brandweerauto's niet bij de B.V. berustte, dat daarom de verscheping van de brandweerauto's op 23 februari 2010 niet ertoe heeft geleid dat de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger zijn verminderd en dat dus belanghebbende niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de onbetaald gebleven belastingschulden van de B.V..

4.15. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Vaststaat dat belanghebbende niet alleen bestuurder was bij de B.V., maar ook bij B B.V.. De verscheping van de brandweerauto's op 23 februari 2010 lag derhalve binnen de invloedsfeer van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof had belanghebbende, als bestuurder van de B.V. wetende van het beslag, zich redelijkerwijs moeten realiseren dat door deze verscheping en het aanwenden van het, voor de brandweerauto's van de autoriteiten te Curaçao (alsnog) ontvangen, bedrag voor andere dan belastingschulden van de B.V. zou leiden tot het onbetaald blijven van de belastingschulden van de B.V.. Bovendien verwijt de Ontvanger belanghebbende terecht dat belanghebbende, zijnde de bestuurder van de B.V., hem niet heeft geïnformeerd over de verscheping van de brandweerauto's op 23 februari 2010 en hem nadien heeft misleid door te veinzen dat de belastingschulden van de B.V. nog zouden kunnen worden voldaan door een mogelijke levering van de brandweerauto's aan de autoriteiten te Curaçao.

4.16. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.14-4.15 is het Hof, met de Rechtbank, van oordeel dat vanaf 23 februari 2010 belanghebbende kennelijk onbehoorlijk heeft bestuurd.

4.17. Vraag I moet aldus worden beantwoord, dat belanghebbende terecht kennelijk onbehoorlijk bestuur wordt verweten en hij dus terecht aansprakelijk is gesteld voor onbetaald gebleven belastingschulden van de B.V., maar dat de hoogte ervan

- overeenkomstig de Rechtbank heeft beslist in zijn uitspraak onder 2.10 en waartegen partijen in hoger beroep als zodanig geen grieven hebben aangevoerd - moet worden beperkt tot € 43.193.

Vraag II

4.18. Voor de aansprakelijkheid met betrekking tot de invorderingsrente en de kosten is in artikel 32, lid 2 IW bepaald dat aansprakelijkheid daarvoor alleen aanwezig is indien het belopen daarvan aan belanghebbende is te wijten. Op de Ontvanger rust dienaangaande de stelplicht en bewijslast.

4.19. De Ontvanger heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan het belopen van de invorderingsrente en de kosten, die zijn belopen na het opleggen van de naheffingsaanslagen, aan belanghebbende zou zijn te wijten. Aldus heeft de Ontvanger niet voldaan aan zijn stelplicht. Belanghebbende is derhalve ten onrechte aansprakelijk gesteld voor de invorderingsrente en de kosten.

4.20. Vraag II moet ontkennend worden beantwoord.

Slotsom

4.21. De omstandigheid dat de aansprakelijkstelling wellicht kan leiden tot een gedwongen verkoop van het woonhuis van belanghebbende kan niet leiden tot vermindering van de beschikking. Deze omstandigheid ligt in de sfeer van de invordering, waarvoor de belastingrechter niet bevoegd is.

4.22. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd en de beschikking moet worden verminderd tot een bedrag van € 43.193 aan belasting.

Ten aanzien van het griffierecht

4.23. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 115 te worden vergoed.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.24. Nu de Ontvanger geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld en geen grieven heeft aangevoerd tegen het oordeel van de Rechtbank inzake de kosten van het bezwaar zal het Hof de beslissing van de Rechtbank met betrekking tot deze kosten in stand laten.

Ten aanzien van de proceskosten

4.25. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.26. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 472 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 944.

4.27. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht, de kosten van het bezwaar en de proceskosten,

- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van de Ontvanger,

- vermindert de beschikking tot een bedrag van € 43.193,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 115 vergoedt,

- veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de kosten van het bezwaar en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 18 april 2013 door P. Fortuin, voorzitter, P.A.G.M. Cools en G.D. van Norden, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.