Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ7408

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
19-04-2013
Zaaknummer
HD 200.121.997 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Beslagrecht.

Rechtsgeldige betekening vonnis?

De grosse van een vonnis draagt niet de handtekening van de rechter.

Betekening van een afschrift in plaats van een grosse leidt niet tot nietigheid of een non-existente betekening.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 19
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 66
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 160
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 230
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 231
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 430
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 434
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 438
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2013/50 met annotatie van mr. J.W. Westenberg
Prg. 2013/169
NJF 2013/320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.121.997/01

arrest van 9 april 2013

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr.ing P.M.A.C. van de Laak te Moergestel,

tegen

1.Stichting Pensioenfonds ABP, Stichting

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder te noemen: het ABP,

advocaat: mr. J.G. van Ek te Heerlen,

2.[G & I] Gerechtsdeurwaarders & Incassobureau B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder te noemen: de deurwaarder,

advocaat: mr. M. van Loo,

geïntimeerden,

op het bij exploot van dagvaarding van 11 februari 2013 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in kort geding gewezen vonnis van 25 januari 2013 tussen [appellant] als eiseressen en het ABP als gedaagde en de deurwaarder als niet verschenen gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. C/03/177611/kg za 13-10)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, de inleidende dagvaarding en de pleitnota van [appellant] (die zich in het griffiedossier bevinden). Blijkens dat vonnis zijn door het ABP en de deurwaarder geen schriftelijke stukken overgelegd.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. In de appeldagvaarding heeft [appellant] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vorderingen.

2.2. Het ABP en de deurwaarder hebben bij afzonderlijke memories van antwoord, met vijf respectievelijk een productie(s), de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. Het hof doet recht op het griffiedossier.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de appeldagvaarding.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.Bij vonnis van 31 januari 2012 (met zaak-/rolnummer 237154/KG ZA 11-806), gewezen tussen [zaaksnaam] c.s. als eisers en [appellant] en de Stichting Hollandpromote.com (een stichting onder leiding van [appellant]) als gedaagden, heeft de voorzieningenrechter te ’s-Hertogenbosch, recht doende in kort geding, een aantal verboden en geboden aan [appellant] opgelegd, waaraan door [appellant] aan [zaaksnaam] c.s. te betalen dwangsommen zijn verbonden. Partijen hebben niet gesteld dat van deze uitspraak hoger beroep is ingesteld, zodat het hof ervan uitgaat dat dit niet gebeurd is, althans dat de beslissing nog van kracht is.

4.1.2.Van dit vonnis is op 3 februari 2012 door de deurwaarder, in de persoon van de heer [deurwaarder], op verzoek van [zaaksnaam] c.s. aan [appellant] bevel tot betaling gedaan. Het bij de inleidende dagvaarding overgelegde stuk is kennelijk bestemd voor de stichting, gelet op de omcirkeling van nummer 2 vóór de naam van de stichting. Blijkens de tekst van het exploot pagina 2 bovenaan, is de grosse van genoemd vonnis op het adres van de stichting (hertzelfde als dat van [appellant]) gelaten.

Op 10 februari 2012 is door dezelfde deurwaarder op verzoek van [zaaksnaam] c.s. herhaald bevel tot betaling gedaan aan. Het bij de inleidende dagvaarding geproduceerde stuk is, blijkens de omcirkeling van het nummer 1 voor zijn naam, gedaan aan [appellant] (niet dat aan de stichting). Het exploot vermeldt onder meer:

1.(…) [appellant], (…) wonende te [woonplaats] aan het adres (…) aldaar mijn exploit doende en afschrift dezes en van na te melden executoriale titel, latende aan: (…)

UIT KRACHT VAN:

de grosse van het vonnis in kort geding (…)

De beide exploten zijn bij inleidende dagvaarding overgelegd zonder het vonnis van 31 januari 2012, dat kennelijk wel was aangehecht.

4.1.3.Op 15 februari 2012 is ten verzoeke [zaaksnaam] c.s. uit kracht van voornoemd vonnis executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van [appellant] onder het ABP, zulks tot verhaal van toegewezen proceskosten en de volgens [zaaksnaam] c.s. door [appellant] verbeurde dwangsommen, tezamen bedragende € 81.845,50.

4.1.4.[appellant] heeft gesteld dat bij de betekening van het vonnis aan hem door de deurwaarder niet is voldaan aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten. Volgens hem is het betekende vonnis niet ondertekend door de rechter en ontbreekt de vermelding “in naam der Koningin”.

4.1.5.[appellant] verwijst naar een uitspraak van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam van 20 november 2012, gegeven naar aanleiding van een door [appellant] (en zijn echtgenote) tegen gerechtsdeurwaarder [deurwaarder] ingediende klacht. De kamer overwoog onder meer:

8.3 Op 3 februari 2012 heeft de gerechtsdeurwaarder een exploot uitgebracht, waarbij uit kracht van de grosse van het vonnis van 31 januari 2012 bevel tot betaling is gedaan. Volgens wettelijk voorschrift dient een afschrift van de grosse aan het exploit te zijn gehecht. Volgens klager echter kon het betekende exemplaar van het vonnis door het ontbreken van de woorden ‘in naam der koningin’ en de handtekening van de rechter niet als grosse worden aangemerkt.

8.4 De Kamer constateert dat zich bij de overgelegde stukken meerdere versies van het vonnis d.d. 31 januari 2012 bevinden, zowel met, als zonder de woorden “In naam der Koningin” en zowel met, als zonder handtekening van de rechter. De gerechtsdeurwaarder heeft echter niet weersproken dat aan het exploot van 3 februari 2012 een kopie van de op 31 januari 2012 gefaxte versie van het vonnis was gehecht, waarop de bewuste woorden en handtekening ontbreken. Voorts constateert de Kamer dat in het exploot van 3 februari 2012 niet is gerelateerd dat überhaupt betekening van de grosse heeft plaatsgevonden. Op grond van het voorgaande neemt de Kamer als vaststaand aan dat geen afschrift van de grosse aan klager is betekend.

Van deze uitspraak is zowel door [appellant] als door de deurwaarder hoger beroep ingesteld. De daarop betrekking hebbende stukken zijn overgelegd bij memorie van antwoord van de deurwaarder. Het hof kan de stellingen van [appellant] in deze stukken niet in de beoordeling betrekken omdat in beginsel alleen stellingen die in de gedingstukken zelf naar voren zijn gebracht in de beoordeling kunnen worden betrokken. Bovendien dienen de stukken voor een tuchtrechtelijke beoordeling, niet de civielrechtelijke. Het hof neemt aan dat de Notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het Gerechtshof te Amsterdam nog geen beslissing heeft genomen.

4.1.6.Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] kopieën van het vonnis van 31 januari 2012 overgelegd. Productie 7 is een kopie met op pagina 1 in de kop een stempel van het woord ‘afschrift’. Het stuk is niet ondertekend door de rechter maar vermeldt onderaan de woorden ‘w.g. de rechter’ (met w.g. zal bedoeld zijn: was getekend). Daaronder staan de woorden: “Voor afschrift” en “De griffier van de rechtbank ’s-Hertogenbosch” en een stempel van die rechtbank. Eveneens als productie 7 is overgelegd een kopie van dat vonnis, zonder stempel in de kop, zonder de woorden ‘w.g. de rechter’ en zonder stempel van de rechtbank maar met twee, onleesbare, handtekeningen waarvan het hof aanneemt dat die zijn geplaatst door de rechter en de griffier.

4.1.7.Als bijlagen bij productie 5 bij de memorie van antwoord van de deurwaarder - een brief van [appellant] aan [deurwaarder] d.d. 4 februari 2012 - is overgelegd een kopie van genoemd exploot van 3 februari 2012 ten behoeve van de stichting, direct gevolgd door een kopie van het vonnis met in de kop van pagina 1 het stempel van de woorden ‘in naam der Koningin’, en onderaan de woorden ‘w.g. de rechter’ en ‘Voor eerste grosse’ en ‘De griffier van de rechtbank ’s-Hertogenbosch. Er staat een stempel geplaatst en de naam ‘[naam]’, dat is niet de rechter, en de datum ‘31 januari 2012’.

Bij die brief is tevens als bijlage gehecht een kopie van het exploot van 3 februari 2012, nu het aan [appellant] aangeboden stuk - nummer 1 vóór zijn naam is omcirkeld en bij zijn naam staat ‘Hem in persoon die weigert de stukken in ontvangst te nemen (…) - en nu wel met daarachter het vonnis, en wel laatstgenoemde versie, dus met stempel ‘in naam der Koningin’ en niet ondertekend door de rechter.

De genoemde brief begint met de volgende zin:

Hiermede retourneer ik de door u in gesloten enveloppe aangeboden vonnissen, die u op 3 februari 2012 ca 18.30 uur, na mijn weigering deze in ontvangst te nemen, heeft menen in opdracht te moeten achterlaten.

Omdat deze brief eerst bij memorie van antwoord door de deurwaarder in geding is gebracht, kan het hof die brief en de bijlage niet in de beoordeling betrekken of als vaststaand aannemen nu [appellant] zich daaromtrent nog niet heeft uitgelaten.

4.1.8.De deurwaarder is in eerste aanleg bij gemachtigde, niet zijnde een advocaat, verschenen. Na bezwaar door [appellant] is de toelating van die gemachtigde geweigerd en is tegen de deurwaarder verstek verleend.

4.1.9.De voorzieningenrechter heeft het spoedeisend belang aangenomen, maar de vorderingen afgewezen en [appellant] in de kosten verwezen, overwegende:

3.2.De voorzieningenrechter stelt vast dat [zaaksnaam] c.s. niet in dit kort geding zijn betrokken. De gevraagde voorziening, te weten opheffing van het ten verzoeke van [zaaksnaam] c.s. gelegde beslag, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op haar aard, niet buiten de beslagleggers om toegewezen worden. Indien dat wel het geval zou zijn, zou niet worden voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Dit geldt ongeacht wat er zij van de door [appellant] gestelde gebreken aan de betekening en de beslaglegging.

3.3.Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat ABP, als derdebeslagene, heeft voldaan aan haar wettelijke verplichtingen. Van een nadere zorgplicht van ABP – in die zin dat zij de rechtsgeldigheid van de aan de beslaglegging voorafgaande betekening beoordeelt - is in dit verband naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Voorts heeft ABP onbetwist gesteld dat, samengevat, zij door [appellant] niet is verzocht om een overzicht als thans door hem gevorderd en dat [appellant] een dergelijk overzicht eenvoudig buiten rechte kan verkrijgen.

3.4.Op grond van het vorenstaande zullen de vorderingen worden afgewezen. Ook ten aanzien van [G & I], door wie geen verweer is gevoerd, komt de vordering de voorzieningenrechter, gelet op voorgaande overwegingen, ongegrond voor. (…)

4.2.De vordering

4.2.1.De vordering zoals omschreven in het petitum van de inleidende dagvaarding, waarnaar het petitum van de appeldagvaarding verwijst, luidt:

-[de deurwaarder] te gebieden binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis het ten laste van eiser gelegde beslag onder [het ABP] op te heffen en de pensioengelden die zijn overgemaakt door [het ABP] per direct ter beschikking te stellen aan [[appellant]].

-[het ABP] te gebieden binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [[appellant]] een overzicht te verschaffen van de bedragen die zijn overgemaakt aan [de deurwaarder] en vervolgens het volledige maandelijks uit te keren pensioenbedrag over te maken aan [[appellant]].

4.3.De uitspraak van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders

4.3.1.Ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet is de gerechtsdeurwaarder aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder onderscheidenlijk kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

4.3.2.Anders dan [appellant] kennelijk meent, is het hof niet gebonden aan hetgeen de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders heeft overwogen en beslist. Het hof wijst op HR 10 januari 2003, LJN AF0690, waarin werd overwogen (rov. 3.3):

Het wettelijk tuchtrecht voor beroepsbeoefenaren, zoals in het onderhavige geval notarissen, heeft in de eerste plaats tot doel, kort gezegd, in het algemeen belang een goede wijze van beroepsuitoefening te bevorderen. Het tuchtrecht komt tot gelding in een tuchtprocedure waarin, in het algemeen naar aanleiding van een klacht van een belanghebbende, wordt onderzocht of een beroepsbeoefenaar in overeenstemming met deze norm heeft gehandeld en, zo dit niet het geval is, een maatregel kan worden opgelegd. Hiermee strookt dat deze procedure niet in de eerste plaats ertoe dient de klager in geval van gegrondbevinding van zijn klacht genoegdoening te verschaffen, ook al kan dit wel het feitelijke resultaat zijn.

Evenzo kan het oordeel van de tuchtrechter over het handelen van een beroepsbeoefenaar in een civiele procedure een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar aansprakelijk is (vgl. HR 12 juli 2002, nr. C00/274, RvdW 2002, 122), en deze omstandigheid kan een belanghebbende (mede) aanleiding geven een klacht in te dienen, maar dit betekent niet dat een tuchtprocedure tot doel heeft de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de beroepsbeoefenaar vast te stellen. In dit verband is van belang dat bij de beoordeling van de vraag of een tuchtklacht gegrond is andere maatstaven worden gehanteerd dan bij de beoordeling van de civiele aansprakelijkheid, alsmede dat de mede ter bescherming van een gedaagde in een civiele procedure strekkende bewijsregels niet gelden in een tuchtprocedure.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat als uitgangspunt moet worden aanvaard dat een tuchtrechtelijke procedure niet kan worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid, (…)

Bijgevolg dient het hof een eigen onderzoek te doen naar de vraag of de vorderingen van [appellant] civielrechtelijk toewijsbaar zijn.

4.3.3.Het hof neemt voorts in aanmerking dat de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders kennelijk niet bekend was met de hiervoor in rov. 4.1.7 genoemde brief met bijlagen.

4.4.De ondertekening van een rechtelijke uitspraak

4.4.1.[appellant] verwijst in dit verband naar artikel 230 lid 3 Rv waarin staat dat een vonnis wordt ondertekend door de rechter. Met vonnis wordt bedoeld de minuut van het vonnis. Er bestaat maar één origineel van een vonnis en die wordt minuut genoemd. Deze wordt bewaard in de archieven van een gerecht en wordt niet aan partijen verstrekt.

Een grosse is niet een origineel, maar een afschrift van de minuut dat gereed is gemaakt om als executoriale titel te dienen door het plaatsen aan het hoofd van het vonnis van de woorden ‘In naam der Koningin’: artikel 430 lid 2 Rv en artikel 231 Rv. Er wordt in beginsel maar één grosse afgegeven, namelijk aan de partij die is aangewezen het betreffende vonnis ten uitvoer te leggen (hier: [zaaksnaam] c.s). De wederpartij (hier: [appellant]) krijgt een afschrift, een kopie van het vonnis dat niet de woorden ‘In naam der Koningin’ in het hoofd draagt.

De grosse wordt niet door de rechter ondertekend, het is immers niet een origineel (minuut), maar een afschrift. De rechter tekent maar één keer. Vermeld wordt dat het origineel door de rechter is ondertekend met de afkorting w.g., zoals ook hier is gebeurd. Afschriften van vonnis, niet zijnde een grosse, worden uiteraard ook niet door de rechter ondertekend.

Een en ander neemt niet weg dat het gebeurt, zoals kennelijk ook hier, dat (de administratie van) de rechtbank een kopie van de minuut maakt dat als afschrift (en soms ook wel als grosse) wordt afgegeven. Op die kopie is dan (een kopie van) de handtekening van de rechter te lezen. Dit is evenwel niet aan te merken als een door de rechter ondertekend stuk. Het draagt immers geen originele handtekening.

4.4.2.De klacht van [appellant] dat hem een ongetekend vonnis is betekend faalt omdat de wet een dergelijke ondertekening van een grosse door de rechter niet voorschrijft.

4.5.Is de grosse betekend?

4.5.1.[appellant] grondt zijn vordering onder meer op de stelling dat hem geen grosse is betekend. Hij beroept zich daarbij op genoemde uitspraak van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders. Het hof neemt dienaangaande het volgende in overweging.

De constatering van de Kamer dat er zich bij stukken meerdere versies van het vonnis bevinden is juist. Dat zijn

-de niet-ondertekende grosse met in het hoofd de woorden ‘In naam der Koningin’ die kennelijk aan (de advocaat van) [zaaksnaam] c.s. is afgegeven,

-een ongetekend afschrift met in het hoofd het woord ‘afschrift’, dat kennelijk aan [appellant] is afgegeven, en

-een kopie zonder enige vermelding in het hoofd. Alleen op de kopie staat (een kopie van) de handtekening van de rechter. Kennelijk gaat het hier om een op enig tijdstip gemaakte kopie van de minuut.

Uit deze constatering valt evenwel niet af te leiden dat de grosse niet is betekend.

De Kamer voor gerechtsdeurwaarders overweegt dat de deurwaarder niet heeft weersproken dat hij een niet-ondertekend stuk waarin de woorden ‘In naam der Koningin’ ontbreken, heeft betekend. Dat heeft de deurwaarder in deze procedure (in haar memorie van antwoord) uitdrukkelijk wel gedaan.

4.5.2.Het hof gaat voorbij aan de overweging van de Kamer als zou niet gerelateerd zijn dat betekening van de grosse heeft plaatsgevonden. In het exploot van 3 februari 2012 is immers wel degelijk gemeld dat betekening van de grosse heeft plaatsgevonden en in het herhaalde betalingsbevel van 10 februari 2012 is expliciet naar de grosse verwezen.

4.5.3.Nu de stelling van [appellant] als zou hem geen grosse zijn betekend gemotiveerd is betwist en uit de stukken niet aanstonds van zijn gelijk blijkt, komt het in het onderhavige civiele geding aan op bewijslevering. Daarvoor is geen plaats in kort geding, in het bijzonder niet in een spoedkortgeding als het onderhavige. Maar zelfs als zou [appellant] in dat bewijs slagen dan nog is geen plaats voor toewijzing van zijn vordering. Zelfs als de deurwaarder abusievelijk een afschrift voor grosse heeft betekend dan kan deze fout eenvoudig worden hersteld (artikel 66 lid 2 Rv) door de grosse alsnog te betekenen en zo een eventuele nietigheid te dekken. Het hof wijst erop dat betekening van de grosse (en niet van het afschrift) slechts de betekenis heeft dat de deurwaarder door zijn opdrachtgever, in casu [zaaksnaam] c.s., is gemachtigd, artikel 434 Rv. Dat een zodanige machtiging ontbreekt blijkt niet en is ook niet aannemelijk. De stelling van [appellant] dat er geen betekening heeft plaatsgevonden, althans een non-existente betekening is gedaan, moet voorshands onjuist worden geacht. Een door een bevoegde deurwaarder uitgebracht exploot is rechtsgeldig totdat de nietigheid is vastgesteld. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [appellant] onredelijk is benadeeld door een eventueel formeel gebrek in de betekening. Overeenkomstig het bepaalde in door de rechter ambtshalve toe te passen artikel 66 lid 1 Rv voert dit tot de conclusie dat er voorshands geen aanknopingspunt is om het exploot nietig te achten.

4.6.De conclusie is dat voorshands aangenomen moet worden dat aan [appellant] het vonnis van 31 januari 2012 op rechtsgeldige wijze is betekend, zodat zijn vorderingen moeten worden afgewezen. De grieven, wat daar ook van mogen zijn, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. De grieven behoeven derhalve geen afzonderlijke bespreking.

Dit geldt ook voor de tot het ABP gerichte vordering om een overzicht te verschaffen van de bedragen die zijn overgemaakt aan de deurwaarder. Hetgeen is overgemaakt aan de deurwaarder volgt uit de pensioenoverzichten die [appellant] zijn verstrekt. Bij een nader overzicht heeft hij geen belang.

4.7.[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen (één punt tariefgroep 2).

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van het ABP worden begroot op € 683,- aan griffierecht en op € 894,- aan salaris advocaat;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de deurwaarder worden begroot op € 683,- aan griffierecht en op € 894,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, I.B.N. Keizer en O.G.H. Milar en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 april 2013.