Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ7182

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
15-04-2013
Zaaknummer
12/711
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:427
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Belanghebbende vult te laat de parkeermeter bij: naheffingsaanslag parkeerbelastingblijft in stand, ofschoon het gaat om een geringe tijdsoverschrijding. Voor de eerste betaling (na het parkeren) moet een belastingplichtige enige tijd gegund worden de betaling te verrichten, maar voor het 'bijvullen van de meter' geldt dat niet. Het is de verantwoordelijkheid van de belastingplichtige tijdig terug te keren naar de parkeerautomaat en op tijd de parkeerbelasting te voldoen.

2. Het Hof slaat, na afweging van het belang van belanghebbende tegenover het belang van een behoorlijke procesgang, geen acht op stukken die een uur voor de zitting digitaal zijn ingediend en de behandelende kamer niet voor de zitting hebben bereikt. Het Hof ziet geen redenen waarom belanghebbende stukken niet eerder had kunnen inbrengen en is voorts van oordeel dat belanghebbende niet redelijkerwijs mocht verwachten dat dermate laat ingediende stukken tijdig de behandelende kamer zouden bereiken. De stukken hebben de Heffingsambtenaar kennelijk evenmin tijdig bereikt, de Heffingambtenaar heeft immers ter zitting er geen blijk van gegeven deze stukken te hebben ontvangen. Gelet op deze omstandigheden beschouwt het Hof de op de zittingsdatum ingebrachte stukken als tardief ingebracht. De stukken geven het Hof voorts geen aanleiding om aan te nemen dat het onderzoek onvolledig is geweest en heropend dient te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013/954 met annotatie van Feenstra
FutD 2013-1095
V-N Vandaag 2013/963
Belastingblad 2013/232
V-N 2013/30.2.4

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/711

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 7 september 2012, nummer AWB 11/6316, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de uitspraak van de Heffingsambtenaar op het bezwaarschrift van belanghebbende inzake de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting, aanslagnummer 0000000.

Onderzoek ter zitting

De zitting heeft plaatsgehad op 21 maart 2013 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord, de Heffingsambtenaar. Belanghebbende is niet verschenen.

De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 25 februari 2013, met nummer 0XXXX00000000, aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie. Hieruit volgt dat de uitnodiging op 26 februari 2013 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 4 april 2013, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Gronden

Vooraf en ambtshalve

Belanghebbende heeft een uur vóór aanvang van de zitting digitaal aanvullende stukken ingediend, welke stukken hij "HB pleitnota" heeft genoemd. Daarvóór had belanghebbende reeds op 11 maart 2013 en 19 maart 2013 aanvullende stukken aan het Hof doen toekomen. In de stukken van 19 maart 2013 heeft hij het voornemen geuit om op woensdag 20 maart 2013 (de dag vóór de zittingsdatum) nog een digitaal schrijven (een pleitnota) in te dienen. Op woensdag 20 maart 2013 zijn er geen stukken van belanghebbende ingekomen bij het Hof.

Het Hof overweegt ten aanzien van de op de zittingsdatum ingebrachte stukken dat deze na de 10-dagen termijn zijn ingebracht, maar dat het Hof niettemin zal bezien of, het belang van belanghebbende afwegende tegen het belang van een behoorlijke procesgang, redenen bestaan de stukken te aanvaarden en tot de stukken van het geding te rekenen.

Het Hof overweegt daartoe als volgt. Het Hof ziet geen redenen waarom belanghebbende de op de zittingsdatum ingediende stukken niet eerder had kunnen inbrengen, bij voorbeeld bij de voornoemde aanvullende stukken van 11 of 19 maart 2013 of, zoals aangekondigd, op 20 maart 2013. Belanghebbende zelf heeft evenmin goede redenen aangevoerd voor het zo laat indienen van deze stukken.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet redelijkerwijs mocht verwachten dat stukken die hij op de dag van de zitting digitaal inbrengt tijdig, dat wil zeggen voorafgaande aan de zitting, de behandelende kamer bereiken. In dit geval hebben de op de zittingsdatum ingediende stukken de behandelende kamer niet tijdig bereikt en konden de stukken derhalve niet ter zitting besproken worden. De stukken hebben de Heffingsambtenaar kennelijk evenmin tijdig bereikt, de Heffingambtenaar heeft immers ter zitting er geen blijk van gegeven deze stukken te hebben ontvangen. Gelet op deze omstandigheden beschouwt het Hof de op de zittingsdatum ingebrachte stukken als tardief ingebracht. De stukken geven het Hof voorts geen aanleiding om aan te nemen dat het onderzoek onvolledig is geweest en heropend dient te worden. Het Hof laat de stukken ingebracht op de zittingsdatum dan ook buiten beschouwing bij de beoordeling van onderhavig geschil.

Ten aanzien van het geschil

Het Hof verwijst voor de feiten naar onderdelen 2.1. en 2.2. van de uitspraak van de Rechtbank.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe overwogen, dat parkeerbelasting is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, dat belanghebbende voor zijn geparkeerde auto parkeerbelasting had betaald tot 19.59 uur, dat om 20.11 uur geen belasting was betaald voor het parkeren na 19.59 uur en dat de naheffingsaanslag daarom terecht is opgelegd. De Rechtbank heeft vervolgens overwogen dat niet relevant is dat belanghebbende om 20.19 uur alsnog een parkeerkaartje heeft gekocht, omdat de tweede betaling (c.q. het tweede parkeerkaartje) immers niet de tijd tussen 19.59 uur en 20.19 uur dekt.

Het Hof acht de oordelen van de Rechtbank juist.

Belanghebbende voert in hoger beroep de volgende grieven aan

I. De Verordening parkeerbelasting is niet duidelijk en/of niet te vinden.

Het Hof verwerpt deze grief. Op grond van het bepaalde in artikel 225 en 234 van de Gemeentewet kan een gemeente een parkeerbelasting instellen. De gemeente Middelburg heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door middel van de "Verordening parkeerbelasting 2002" (hierna: de Verordening), welke Verordening op de voorgeschreven wijze is gepubliceerd. Artikel 11 van de Verordening luidt: "het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de parkeerbelastingen". Het college heeft deze nadere regels opgenomen in een "voorschrift parkeerkaartje en parkeervergunning" (hierna: het Voorschrift), vastgesteld op 20 november 2001. Dit voorschrift bevat, kort gezegd, dat het parkeerkaartje of de parkeervergunning duidelijk van buitenaf leesbaar aan de binnenzijde van de voorruit van het voertuig dient te worden geplaatst. Dit voorschrift is in werking getreden op 1 januari 2002. Gelet hierop faalt belanghebbendes stelling, dat uit de Verordening en/of het Voorschrift onverbindend en/of onduidelijk zouden zijn. De omstandigheid dat belanghebbende de Verordening, naar hij stelt, niet kon vinden op het internet, is niet van belang.

II. Het bedrag van € 1,70 aan naheffing parkeerbelasting is aanvaardbaar, maar het bedrag van € 52 dat bij de naheffingsaanslag aan kosten in rekening is gebracht, is exorbitant. Bovendien staat dit bedrag niet in de Verordening noch in de daarbij behorende tarieventabel.

Deze grief faalt eveneens. De Gemeentewet schrijft voor dat de gemeente kosten in rekening brengt bij een naheffingsaanslag (artikel 234, lid 6, Gemeentewet). Die kosten mogen niet hoger zijn dan een bepaald maximum; dat staat in lid 7 van artikel 234 van de Gemeentewet en wordt uitgewerkt in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. De gemeente Middelburg heeft de kosten in rekening gebracht conform artikel 9 van de Verordening en de daarbij horende tarieventabel (hierna: de Tarieventabel). Zij is daarbij binnen de grenzen van de Gemeentewet gebleven. Belanghebbende klaagt weliswaar terecht dat in de door de Heffingsambtenaar voorafgaande aan de zitting ingediende, abusievelijk incomplete kopie van de Tarieventabel het bedrag van de kosten niet is te vinden, maar deze klacht baat hem niet, omdat de Tarieventabel op de wettelijk voorgeschreven wijze is vastgesteld en gepubliceerd en daarmee verbindend is.

III. De klok op de parkeerautomaat loopt 4-5 minuten voor.

Ook deze grief faalt. De Heffingsambtenaar heeft gesteld dat de tijdsweergave op de parkeerautomaat plaatsvindt door de zogenaamde mobitex-tijdsweergave. Ieder uur zoekt de parkeerautomaat zelfstandig verbinding met een satelliet om de tijdsweergave tussen satelliet en parkeerautomaat te synchroniseren. De handterminal van de parkeercontroleur waarmede naheffingsaanslag worden vervaardigd, wordt ten minste eenmaal per dag gesynchroniseerd met de juiste tijdwaarneming. De handterminal wordt dan in verbinding gesteld met de server voor het uitlezen en versturen van de naheffingsaanslagen. Tegelijkertijd wordt dus de tijdsweergave gecontroleerd. Het Hof acht deze stellingen van de Heffingsambtenaar geloofwaardig; het Hof acht onaannemelijk dat de tijdsweergave op de parkeerautomaat 4-5 minuten voorloopt.

IV. Door onjuiste mededelingen van de controleur zijn ongeveer 12-13 minuten verstreken tussen het tijdstip dat belanghebbende de tweede betaling wilde verrichten en het moment dat hij de betaling daadwerkelijk verrichtte.

Belanghebbendes grieven III en IV komen tezamen hier op neer, dat het tijdsverloop tussen 19.59 (het tijdstip waarop het eerste parkeerkaartje verliep) en 20.19 (het tijdstip waarop het tweede parkeerkaartje begon) wordt veroorzaakt door (a) het feit dat de klok op de parkeerautomaat 4-5 minuten voorliep en (b) handelingen van de controleur, die, naar het Hof begrijpt, tezamen nog eens 8 tot 13 minuten in beslag namen. Het Hof heeft hierboven de stelling dat de klok op de parkeerautomaat voorliep, verworpen. Hieruit volgt, dat belanghebbende, ook zonder rekening te houden met de beweerde gedragingen van de controleur, 4 tot 5 minuten te laat was met het kopen van het tweede parkeerkaartje. Anders gezegd: de parkeertijd waarvoor belanghebbende had betaald, was reeds 4 tot 5 minuten overschreden. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2006, nr. 37053, LJN: AD7779, kan ook bij een zo kortdurende overschrijding een naheffingsaanslag worden opgelegd.

V. De tijdsoverschrijding bestaat uitsluitend uit de tijd die nodig is voor het verrichten van de betalingshandeling.

Ook deze grief faalt. Indien iemand komt aangereden en dan zijn auto parkeert, moet hem enige tijd gegund worden om bij de automaat de parkeerbelasting te voldoen, terug te keren naar zijn auto en het kaartje achter de voorruit te plaatsen. Dat was hier echter niet de situatie. Belanghebbende had zijn auto al geparkeerd, en had al betaald voor de periode tot 19.59 uur. Hij had kennelijk meer tijd nodig. Dan is het zijn verantwoordelijkheid om op tijd terug te gaan naar de automaat en op tijd extra parkeerbelasting te betalen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Hij heeft pas betaald om 20.19 uur.

VI. Door de parkeercontroleurs en/of de Heffingsambtenaar

zijn toezeggingen gedaan dat de aanslag niet zou worden

opgelegd of zou worden vernietigd.

Deze laatste grief van belanghebbende treft evenmin doel. De Heffingsambtenaar heeft betwist dat zulke toezeggingen zijn gedaan. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat zulke toezeggingen zijn gedaan.

Gezien het voorgaande is de beslissing van de Rechtbank juist. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten.

Slot

Gelet op al het vorenoverwogene moet worden beslist als bovenvermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, P.J.M. Bongaarts, en S. Bosma, leden, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 april 2013.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 4 april 2013

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.