Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ6729

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
HD 200.112.886
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeidsongeschiktheidsverzekering, verjaring

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 942
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2013/99 met annotatie van H.I. Bulthuis

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.112.886/01

arrest van 2 april 2013

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. D.M. Gijzen te Heerlen,

tegen

Amersfoortse Algemene Verzekering Maatschappij, N.V.,

gevestigd te Amersfoort,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B. Holthuis te Deventer,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 september 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 8 augustus 2012 tussen appellant

– [appellant] – als eiser en geïntimeerde – De Amersfoortse – als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 163712/HAZA 11-650)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing alsnog van zijn vorderingen in eerste aanleg, vermeerderd met de proceskosten en wettelijke rente hierover.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft De Amersfoortse de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist staan de volgende feiten tussen partijen vast.

4.1.1. [appellant] heeft met ingang van 1 augustus 1995 bij De Amersfoortse een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten onder polisnummer [polisnummer] (hierna: de verzekering).

4.1.2. Op 1 juli 2008 heeft [appellant] zich arbeidsongeschikt gemeld bij De Amersfoortse.

4.1.3. Vanaf 1 juli 2008 heeft De Amersfoortse aan [appellant] uitkeringen verstrekt op basis van 100% van het verzekerde bedrag.

4.1.4. Op 29 juli 2008 en 12 november 2008 is [appellant] in opdracht van De Amersfoortse bezocht door twee verschillende arbeidsdeskundigen.

4.1.5. Op 12 januari 2009 is [appellant] B.V., de bouwonderneming van [appellant], failliet verklaard.

4.1.6. Bij brief van 29 mei 2009 (prod. 6 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft De Amersfoortse aan [appellant], voor zover hier van belang, geschreven:

“(…)

Op 23 april bent u bezocht door de heer [arbeidsdeskundige], arbeidsdeskundige. De heer [arbeidsdeskundige] heeft hier een rapport van opgemaakt.(…)

Uit het rapport maken wij op dat uw bedrijf is beëindigd. (…) Nu u geen bedrijf meer heeft, bestaat er ook geen verzekerbaar belang meer. Wij zullen u polis dan ook beëindigen.

De heer [arbeidsdeskundige] heeft met u afgesproken dat wij u nog wel een uitkering zullen verstrekken. Vanaf de datum van zijn bezoek zullen wij u nog maximaal vijf maanden (tot 23 augustus 2009) ondersteunen met een 100% uitkering. (…)”

4.1.7. De Amersfoortse heeft bij brief van 26 november 2009 (prod. 11 bij dagvaarding in eerste aanleg) aan de advocaat van [appellant] bericht, voor zover van belang:

“(…)

Omdat wij van mening zijn dat verzekerde zijn beroep van loodgieter in loondienst uit zou kunnen oefenen, zijn wij van mening dat het faillissement in deze casus niet het einde van het verzekerbaar belang betekent.

De verzekering zal dan ook per de royementsdatum hersteld worden, zijnde per 23 april 2009. (…) Dit houdt echter wel in dat er per 23 april 2009 wederom een premiebetalingsverplichting voor uw cliënt bestaat. (…)

De vordering van verzekerde op een arbeidsongeschiktheidsuitkering zal door ons nader worden beoordeeld. (…)”

4.1.8. Bij brief van 24 december 2009 (prod. 13 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft de advocaat van [appellant] aan De Amersfoortse, voor zover hier relevant, geschreven:

“(…)

Ik stel daarom voor dat u de verzekering weer uitkeert met terugwerkende kracht en dat u daarop de premies weer inhoudt (…)”

4.1.9. Bij aangetekende brief van 19 mei 2010 (prod. 22 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft De Amersfoortse aan de advocaat van [appellant] , voor zover hier van belang, geschreven:

“(…)

Uit het rapport [hof: rapport van [arbeidsdeskundige] van 18 mei 2010] volgt dat er bij uw cliënt geen sprake is van 25% of meer arbeidsongeschiktheid in de zin van de polisvoorwaarden. Er bestaat dan ook geen recht op een uitkering voor uw cliënt.

Zoals wij reeds eerder aan u hebben meegedeeld bestaat er – door het in kracht herstellen van de polis per 23 april 2009 – wederom een premiebetalingsverplichting voor uw cliënt. Daar er geen recht bestaat op een uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering kunnen wij de verschuldigde premie niet met een te verstrekken uitkering verrekenen. (…)

Het bovenstaande houdt een afwijzing van de vordering tot uitkering van uw cliënt in. Wij zeggen hierbij dan ook de termijn van artikel 7:942 lid 3 BW aan. Deze termijn eindigt op 19 november 2010. (…)”

4.1.10. De advocaat van [appellant] heeft De Amersfoortse bij aangetekende brief van

15 september 2010 (prod. 23 bij dagvaarding in eerste aanleg) :

“(…)

Inzake: [appellant] / De Amersfoortse II

(…)

In opgemelde kwestie deel ik u ter behoud van rechten namens cliënt mede, dat onverkort op uitkering aanspraak wordt gemaakt. (…)”

4.1.11. Bij brief van 8 juni 2011 (prod. 26 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft de advocaat van [appellant] aan De Amersfoortse bericht:

“(…)

Inzake: [appellant] / De Amersfoortse II

(…)

In opgemelde kwestie werd de evrjaring gestuit en onverkort aanspraak op uitkering gemaakt.

Ter staving daarvan treft u bijgaand in kopie aan de rapportages van dr. [psychiater], psychiater en de heer [arbeidsdeskundige 2], arbeidsdeskundige.

Ik verzoek u mij binnen 14 dagen na dagtekening van dit schrijven mede te delen of een en ander voor u aanleiding is uw eerdere beslissing te herzien en cliënt alsnog met terugwerkende kracht een uitkering toe te kennen, bij gebreke waarvan ik u zal dagvaarden voor de daartoe bevoegde rechter. (…)”

4.1.12. Bij brief van 4 juli 2011 (prod. 27 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft De Amersfoortse aan [appellant] meegedeeld dat de verzekering is beëindigd. Blijkens het bijgevoegde aanhangsel is de verzekering beëindigd per 23 april 2009, met als reden wanbetaling.

4.1.13. Bij brief van 5 juli 2011 (prod. 28 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft De Amersfoortse aan de advocaat van [appellant] bericht, voor zover hier van belang:

“(…)

De claim van uw cliënt is verjaard is en wij nemen de claim dan ook niet in behandeling.

In onze brief van 19 mei 2010 hebben wij de vordering tot uitkering van uw cliënt afgewezen en de termijn van 6 maanden aangezegd. Deze brief hebben wij aangetekend met bericht van ontvangst naar u verstuurd. De termijn zou eindigen op 19 november 2010.

Met uw brief van 15 september 2010 heeft u namens uw cliënt de termijn gestuit, met als gevolg dat de termijn is geëindigd op 15 maart 2011. (…)”

4.2. In eerste aanleg heeft [appellant] een verklaring voor recht gevorderd dat de verzekeringsovereenkomst tussen partijen onverminderd geldig is, althans vanaf

23 april 2009 in stand is gebleven en een verklaring voor recht dat de daaraan gekoppelde arbeidsongeschiktheidsuitkering onverminderd geldig is, althans vanaf 23 april 2009 in stand gebleven is. Voorts heeft [appellant] gevorderd dat De Amersfoortse zou worden veroordeeld om de arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf 23 april 2009 aan hem te betalen onder verrekening van de door hem aan De Amersfoortse terzake verschuldigde premies, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van De Amersfoortse in de kosten van de procedure. [appellant] legde hieraan – kort gezegd – ten grondslag dat De Amersfoortse toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst. Volgens [appellant] is De Amersfoortse ten onrechte niet tot uitkering overgegaan, terwijl [appellant] blijkens de door hem overgelegde deskundigenrapportages wel degelijk arbeidsongeschikt is in de zin van de polisvoorwaarden.

4.3. Nadat De Amersfoortse verweer heeft gevoerd, heeft de rechtbank in het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, geoordeeld dat er sprake is van verjaring van de vordering van [appellant] jegens De Amersfoortse tot betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering (onder verrekening van premies). Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van [appellant] op artikel 6:248 lid 2 BW faalt en dat [appellant] geen belang meer heeft bij de gevorderde verklaringen voor recht.

4.4. De grieven zijn gericht tegen de afwijzing van de vorderingen van [appellant] en tegen de daarop betrekking hebbende overwegingen van de rechtbank over verjaring en over artikel 6:248 lid 2 BW.

4.5. Als eerste zal het beroep van De Amersfoortse op verjaring worden beoordeeld. In dit verband is relevant (zie 4.6.) artikel 7:942 (oud) BW. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. (…)

2. De verjaring wordt gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met de aanvang van de dag, volgend op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij bij aangetekende brief ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen onder eveneens ondubbelzinnige vermelding van het in lid 3 vermelde gevolg.

3. In geval van afwijzing verjaart de rechtsvordering door verloop van zes maanden.

4.6. Vaststaat dat (ingevolge het overgangsrecht) artikel 7:942 (oud) BW (en niet het op 1 juli 2010 in werking getreden nieuwe artikel 7:492 BW) op de onderhavige kwestie van toepassing is. Tevens staat vast dat [appellant] schriftelijk een aanspraak op uitkering door De Amersfoortse heeft gedaan. Partijen zijn het er over eens, dat de (vóór het in werking treden van het nieuwe artikel 7:942 BW verzonden) brief van De Amersfoortse van 19 mei 2010 (zie 4.1.9.) een afwijzing betreft als bedoeld in lid 2 van bovengenoemd artikel 7:942 (oud) BW en dat daarbij is voldaan aan de in die bepaling genoemde formaliteiten. Tussen partijen is niet in geschil dat vervolgens een verjaringstermijn van zes maanden is gaan lopen, zoals bedoeld in lid 3 van artikel 7:942 (oud) BW. Evenmin is tussen partijen nog langer in geschil dat de brief van 15 september 2010 van [appellant] een geldige stuitingsbrief is, die heeft geleid tot stuiting van die lopende verjaring.

Wat partijen verdeeld houdt, is de vraag of er vervolgens direct opnieuw een verjaringstermijn van zes maanden is gaan lopen (standpunt De Amersfoortse) of dat er nog geen verjaringstermijn is gaan lopen (standpunt [appellant]) omdat De Amersfoortse, na ontvangst van de stuitingsbrief van 15 september 2010, niet opnieuw een afwijzing als bedoeld in lid 2 van artikel 7:942 (oud) BW aan [appellant] heeft verstuurd.

4.7. Naar het oordeel van het hof, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden de verjaringsregeling uit artikel 7:942 (oud) BW uitgelegd overeenkomstig het betoog van De Amersfoortse. Anders dan [appellant] lijkt te betogen, heeft lid 2 van artikel 7:942 (oud) BW slechts betrekking op de verjaring (met een termijn van drie jaren) zoals bedoeld in lid 1 van die bepaling. Door schriftelijk aanspraak te maken op uitkering, heeft [appellant] die lopende verjaring aldus overeenkomstig artikel 7:942 lid 2 (oud) BW gestuit (in het bestreden vonnis ook aangeduid als duurstuiting). Toen De Amersfoortse de aanspraak vervolgens bij brief van 19 mei 2010 eveneens overeenkomstig artikel 7:942 lid 2 (oud) BW had afgewezen, ging op grond van artikel 7:942 lid 3 (oud) BW de verjaringstermijn van zes maanden lopen. Op de daarop volgende stuiting door de brief van [appellant] van 15 september 2010 was vervolgens de algemene verjaringsregeling uit titel 11 van Boek 3 BW van toepassing. In artikel 7:942 (oud) BW is daarop immers geen uitzondering gemaakt. Ingevolge de artikelen 3:319 lid 1 en 2 BW begon op de dag na 15 september 2010 een nieuwe verjaringstermijn te lopen, gelijk aan de oorspronkelijke (dus opnieuw zes maanden).

Deze uitleg sluit ook aan bij de bedoeling van de wetgever, zoals verwoord in de Memorie van Toelichting bij het voorstel tot onder meer wijziging van artikel 7:942 (oud) BW. Daarin (Kamerstukken II 2008/2009, 32 038, nr. 3) is, voor zover hier van belang, vermeld:

“(…) Het op 1 januari 2006 in werking getreden nieuwe verzekeringsrecht kent in artikel 7:942 BW een specifieke regeling voor de verjaring van een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering. Ingevolge artikel 7:942 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tegen de verzekeraar door verloop van drie jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekerde met de opeisbaarheid van de uitkering bekend is geworden. Krachtens lid 2 wordt de verjaring gestuit door een schriftelijke mededeling waarbij aanspraak op uitkering wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn begint ingevolge de tweede zin van dit lid eerst te lopen met de aanvang van de dag volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij bij aangetekende brief de aanspraak afwijst. Bij erkenning bedraagt de nieuwe verjaringstermijn weer drie jaren (artikel 3:319 lid 2 BW), bij afwijzing zes maanden (artikel 7:942 lid 3 BW). Deze korte verjaringstermijn van zes maanden kan door onder meer een schriftelijke aanmaning in de zin van artikel 3:317 BW worden gestuit. De verzekerde die zich niet kan vinden in de afwijzing is dan wel genoodzaakt om iedere zes maanden opnieuw te stuiten teneinde zijn rechten veilig te stellen (zie wederom artikel 3:319 lid 2 BW). (…)”

4.8. Op grond van het voorgaande, had [appellant] na zijn stuitingsbrief van 15 september 2010 zijn vordering jegens De Amersfoortse tot het doen van een uitkering binnen zes maanden opnieuw dienen te stuiten. Vaststaat dat hij dit niet heeft gedaan en dat hij na 15 september 2010 voor het eerst pas op 8 juni 2011 weer een brief aan De Amersfoortse heeft gestuurd. Dit betekent, dat er sprake is van verjaring van de vordering tot het doen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering van [appellant] jegens De Amersfoortse. Grief 1 faalt.

4.9. [appellant] betoogt voorts in grief 2 dat het beroep van De Amersfoortse op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, als bedoeld in de artikelen 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW. [appellant] stelt daartoe onder meer dat als hij aan artikel 7:942 (oud) BW een onjuiste lezing geeft, hij dan heeft gedwaald omtrent inhoud en betekenis van het artikel. Voorts stelt hij dat het De Amersfoortse onmiskenbaar duidelijk moet zijn geweest wat [appellant] beoogde en dat zij in haar afwijzingsbrief van 19 mei 2010 niet heeft gewezen op het feit dat na verloop van de termijn van zes maanden, telkens opnieuw een termijn van zes maanden ging lopen. Verder voert hij aan dat artikel 7:942 (oud) BW is vervangen door het huidige artikel 7:942 BW, onder andere omdat de minister de verjaringstermijn van zes maanden te kort vond. Ook voert [appellant] aan, dat het slechts het overgangsrecht was dat er aan in de weg stond dat het nieuwe artikel al per 1 juli 2010 van toepassing werd. Tenslotte stelt [appellant] nog, dat zijn belang bij afwijzing van het beroep op verjaring onevenredig veel groter is dan het belang van De Amersfoortse bij honorering daarvan.

4.10. Volgens De Amersfoortse is er geen sprake van een situatie waarin de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de weg staat aan haar beroep op verjaring. Zij betwist onder meer de door [appellant] gestelde slechte omstandigheden. Tevens wijst zij er op, dat indien [appellant] een terechte claim zou hebben wegens arbeidsongeschiktheid, dan de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van zijn advocaat zou dienen uit te keren waartoe De Amersfoortse (zonder verjaring) gehouden zou zijn geweest.

4.11. Nu het bij de verjaring van de vordering van [appellant] gaat om een tussen [appellant] en De Amersfoortse krachtens de wet geldende regel, zou slechts een beroep op artikel 6:2 lid 2 BW [appellant] eventueel kunnen baten. Artikel 6:248 lid 2 BW is in dit verband niet van toepassing.

4.12. Aan een verjaringstermijn dient in beginsel, mede vanwege het beginsel van de rechtszekerheid, strikt de hand te worden gehouden. Desondanks zou zich ingevolge artikel 6:2 lid 2 BW de situatie kunnen voordoen dat bovengenoemde verjaringsregeling niet van toepassing is, namelijk voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bij toepassing van artikel 6:2 lid 2 BW dient de nodige terughoudendheid in acht te worden genomen.

4.13. Ten aanzien van de door [appellant] ter onderbouwing van zijn beroep op artikel 6:2 lid 2 BW aangevoerde stellingen over de werking van artikel 7:942 (oud) BW, overweegt het hof als volgt.

Voor zover er al sprake zou zijn van de door [appellant] gestelde dwaling over inhoud en betekenis van artikel 7:942 (oud) BW, dan dient deze voor zijn rekening te blijven. Zoals ook De Amersfoortse heeft gesteld, heeft [appellant] zich laten bijstaan door een advocaat. Er is ook geen sprake van misleidende, ondeugdelijke of onduidelijke wetgeving. De betekenis van de bewuste bepaling en van het daarvoor geldende overgangsrecht is bovendien onder meer kenbaar uit de Parlementaire Geschiedenis en uit bijvoorbeeld de door De Amersfoortse in haar memorie van antwoord onder nummer 18 genoemde literatuur. Van een plicht voor De Amersfoortse om in haar brief van 19 mei 2010 te waarschuwen voor het steeds terugkeren van een verjaringstermijn van zes maanden, is dan ook geen sprake. Die brief voldeed ook aan de daarvoor op grond van artikel 7:942 (oud) BW geldende vereisten. Als onbetwist door [appellant] staat bovendien vast dat er na die brief ook geen onderhandelingen tussen De Amersfoortse en [appellant] over een uitkering hebben plaatsgevonden.

Dat men op 15 september 2010 bij raadpleging van artikel 7:942 BW slechts de bepaling met de nieuwe termijn van drie jaar zag, maakt nog niet dat men dan niet op de hoogte behoefde te zijn van het voor die bepaling geldende overgangsrecht. Ook op dit punt valt, zeker nu [appellant] was voorzien van rechtsbijstand, niet in te zien waarom hier een waarschuwingsplicht op De Amersfoortse zou rusten.

Ook indien in de nieuwe wettelijke regeling is gekozen voor een langere verjaringstermijn omdat de oude verjaringstermijn te kort werd geacht, brengt dit niet met zich dat daardoor in een zaak als de onderhavige die onder de oude regeling valt, geen geslaagd beroep meer kan worden gedaan op de in die zaak toepasselijke kortere termijn.

4.14. Met betrekking tot de door [appellant] bepleite belangenafweging, wordt het volgende overwogen. De door [appellant] gestelde slechte financiële omstandigheden waarin hij zou verkeren zijn, gelet op de strenge toets als bedoeld in rechtsoverweging 4.12., geen omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de verjaringsregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daar komt nog bij dat De Amersfoortse de gestelde omstandigheden betwist en dat [appellant] ook niet specifiek te bewijzen aanbiedt dat hij geen inkomsten heeft en in een onhoudbare situatie verkeert.

Dat De Amersfoortse beroepsmatig dekking biedt tegen situaties als deze en daarin financieel kan voldoen, kan aan het voorgaande niet afdoen. Artikel 7:492 (oud) BW biedt juist een specifieke verjaringsregeling voor vorderingen tot uitkering jegens de verzekeraar. Dan kan niet tot uitgangspunt worden genomen dat een verzekeraar die de financiële mogelijkheden heeft om dekking te verlenen, zich tegenover haar verzekerde niet met succes op die specifieke verjaringsregeling kan beroepen.

Nu het hier bovendien gaat om toepassing van een wetsbepaling en [appellant] werd bijgestaan door een advocaat, is van de ongelijke verhouding tussen verzekeraar en verzekerde op dit punt ook geen sprake.

4.15. Gelet op al het bovenstaande, is in de onderhavige zaak geen sprake van een situatie waarbij toepassing van de op grond van artikel 7:492 (oud) BW geldende verjaringsregeling gelet op de omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Derhalve faalt grief 2.

4.16. Nu [appellant] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij bij afwijzing van zijn vordering tot uitkering ook geen belang meer heeft bij de gevorderde verklaringen voor recht, staat dit vast en behoeven deze vorderingen ook geen verdere behandeling.

4.17. De slotsom luidt dat de grieven falen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

4.18. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Maastricht van 8 augustus 2012;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van De Amersfoortse worden begroot op € 666,-- aan verschotten en op € 894,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S. Riemens, M.B. Beekhoven van den Boezem en P.M. Arnoldus-Smit en is in het openbaar bij vervroeging uitgesproken door de rolraadsheer op 2 april 2013.