Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ6698

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
HD 200.097.143
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanspraak op uitoefening aanspraken uit hoofde van verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden ontzegd vanwege betrokkenheid bij moord op echtgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2013/71
RFR 2013/86

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.097.143/01

arrest van 12 maart 2013

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

verder: [appellante],

advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg,

tegen:

1. [Y.],

2. [Z.],

3. [A.],

allen wonende te [woonplaats],

erfgenamen van [erflater],

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het voorwaardelijk incidenteel appel,

verder: de erven [erflater],

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 oktober 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 3 augustus 2011 tussen [appellante] als gedaagde en [erflater] als eiseres (na haar overlijden voortgezet door haar erven).

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 187305/HA ZA 08-559)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 25 november 2009 en 28 april 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] is tijdig van het eindvonnis van 3 augustus 2011 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft [appellante] negen grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen van de erven [erflater].

2.2 Bij memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel hebben de erven [erflater] de grieven van [appellante] bestreden, in het voorwaardelijk incidenteel appel een grief aangevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

2.3 Bij memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel heeft [appellante] de grief van de erven [erflater] bestreden.

2.4 Op 10 december 2012 hebben de erven [erflater] een zestal strafdossiers verpakt in drie dozen ter griffie van het hof gedeponeerd.

2.5 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

In het principaal appel en in het voorwaardelijk incidenteel appel

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling

In het principaal appel en in het voorwaardelijk incidenteel appel

4.1 De memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel is grotendeels gewijd aan het principaal appel (nrs. 4-10). Gelet op de zogenaamde twee-conclusieregel in hoger beroep (die inhoudt dat beide partijen in beginsel ieder eenmaal concluderen) laat het hof, nu het voor een uitzondering op die regel geen grond ziet, buiten beschouwing hetgeen [appellante] in die memorie heeft aangevoerd naar aanleiding van de memorie van antwoord in het principaal appel van de erven [erflater].

4.2 De vaststelling van de feiten in het tussenvonnis van 25 november 2009 onder 3.1 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat.

4.3 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende:

1. [appellante] is op 14 juni 1997 gehuwd met [broer van erflater]. Hun huwelijk is geëindigd door het overlijden van [broer van erflater] op 1 of 2 juni 1998. Deze is toen in de door de echtgenoten gedeelde woning in [woonplaats], België, om het leven gebracht.

2. Tussen [broer van erflater] en [appellante] waren van kracht de huwelijkse voorwaarden die bij notariële akte van 28 mei 1997 waren opgemaakt.

3. Ingevolge de huwelijkse voorwaarden bestond tussen de echtgenoten generlei gemeenschap van goederen. Onder het kopje "verrekening vermogen" is in de betrokken akte opgenomen:

"Wanneer het huwelijk wordt ontbonden door overlijden zonder dat tussen de echtgenoten een scheiding van tafel en bed is uitgesproken en ieders vermogen alsdan een positief saldo heeft, vindt een dusdanige verrekening plaats dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde, gelijk aan die waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest, indien tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen had bestaan.

Deze verrekening zal niet plaatsvinden indien ten tijde van het overlijden een gerechtelijke procedure tot echtscheiding dan wel scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt, welke nog niet heeft geleid tot een inschrijving in de daartoe bestemde registers van een rechterlijke uitspraak."

Deze bepaling wordt hierna "verrekenbeding" genoemd.

4. Bij arrest van het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen van 1 december 2006, is [appellante] veroordeeld onder meer tot 25 jaar opsluiting ter zake van, samengevat, het plegen of het medeplegen dan wel medeplichtigheid aan het opzettelijk en met voorbedachten rade doden van [broer van erflater]. Bij arrest van het Hof van Cassatie van België van 17 april 2007 zijn de cassatieberoepen van [appellante] tegen het arrest van het Hof van Assisen verworpen.

5. De rechtbank Breda heeft bij vonnis van 1 oktober 2007, kort gezegd, verlof verleend voor de tenuitvoerlegging in Nederland van deze straf. Daarbij is onder meer het beroep van [appellante] op artikel 6 EVRM verworpen. Bij arrest van

2 juli 2008 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep tegen deze uitspraak verworpen.

6. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, België, van 17 februari 2009 is, kort samengevat, [appellante] erfrechtelijk onwaardig verklaard om te erven van [broer van erflater] en om enig recht te putten uit diens testament.

7. [erflater], eiseres in eerste aanleg, was de enige zus van [ broer van erflater] en, na [appellante], diens eerste erfgename. Zij is op 5 januari 2010 overleden, waarna de procedure door haar erfgenamen is voortgezet, in eerste aanleg op naam van [erflater] en in hoger beroep ten name van de erven [erflater].

4.4 In deze procedure stelt de eisende partij dat [appellante] de hand heeft gehad in de gewelddadige dood van [broer van erflater] en dat een algemeen rechtsbeginsel - dat zijn weerslag heeft gevonden in een bepaling als die van artikel 4:3 BW - zich ertegen verzet dat [appellante] voordeel trekt uit dat handelen. In dit verband is aangevoerd dat het verrekenbeding ertoe strekte [appellante] financieel te bevoordelen. Op grond daarvan vordert de eisende partij, samengevat, verklaring voor recht, primair, dat [appellante] de uitoefening van haar aanspraken uit hoofde van het verrekenbeding wordt ontzegd, subsidiair, dat de verrekeningsvordering van [appellante] wordt gematigd tot nihil, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. [appellante] heeft deze vordering bestreden.

4.5 Bij tussenvonnis van 25 november 2009 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 20 april 2010 plaatsgevonden. Bij tussenvonnis van

28 april 2010 heeft de rechtbank de eisende partij toegelaten te bewijzen dat [appellante] de hand heeft gehad in het overlijden van [broer van erflater]. Deze heeft hiertoe het volledige dossier van het strafproces in België overgelegd. Bij eindvonnis van 3 augustus 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bewijs is geleverd en voor recht verklaard dat aan [appellante] wordt ontzegd de uitoefening van haar aanspraken uit hoofde van het verrekenbeding zoals opgenomen onder “verrekening vermogen” in de huwelijksvoorwaarden tussen [appellante] en [broer van erflater], opgemaakt bij notariële akte van 28 mei 1997.

4.6 De rechtbank heeft aan het oordeel over de bewijslevering het volgende ten grondslag gelegd:

Tussen partijen is niet in geding dat [broer van erflater] op gewelddadige wijze om het leven is gebracht in de slaapkamer waar op dat moment [appellante] aanwezig was. In de kern stelt [appellante] dat zij van het gebeuren niets gezien, niets gehoord en niets gemerkt heeft. Dit vraagt om een verklaring. Immers moet naar het oordeel van de rechtbank de nabijheid van het gewelddadig, moorddadig handelen in beginsel op enigerlei wijze door haar zijn waargenomen, in welke zin van sensorisch waarnemen dan ook. De rechtbank constateert evenwel dat [appellante] geen verklaring geeft voor haar stelling dat ze niets heeft waargenomen terwijl zij opmerkt nimmer te hebben beweerd bedwelmd te zijn geweest (vide randnummer 39 van haar conclusie van antwoord). Een dergelijk opstelling is in het licht van de zojuist [= eerder in het vonnis] vermelde omstandigheden ontoereikend om haar stelling dat zij van het gevecht en de doodslag niets heeft waargenomen, aannemelijk te kunnen maken. [appellante] kan niet volstaan met de verwijzing naar de verklaring van dr. [arts 1] dat bedwelming niet uitgesloten kan worden. Noch kan worden volstaan met de verwijzing naar de verklaring van de buurman dat zij ‘in shock verkeerde’, de verklaring van dr. [arts 2] dat [appellante] ‘compleet van de wereld en verdwaasd, na uren nog niet helder’ was, nu een dergelijke psychische toestand ook uit andere oorzaken verklaard kan worden. Ook de verwijzing naar de opmerking van dr. [arts 1] dat urineverlies verklaard kan worden door bedwelming, acht de rechtbank niet voldoende nu onvoldoende is komen vast te staan dat, indien het hier al gaat om urine van [appellante], daaruit noodzakelijkerwijze volgt dat zij ten tijde van de geweldsuitoefening tegen [broer van erflater] daadwerkelijk in een toestand van bedwelming verkeerde. De rechtbank constateert verder dat [appellante] een andere mogelijke verklaring slechts als suggestie oppert: onder randnummer 39 van haar conclusie na tussenvonnis brengt zij als voorbeeld naar voren dat zij gedurende die waarneming onderhevig zou kunnen zijn geweest aan een psychische blokkade of diepgewortelde schrik als gevolg waarvan zij verhinderd was te willen/kunnen spreken. [appellante] stelt evenwel niet zij zich in een zodanige toestand bevond, maar het laat bij het schetsen van een denkbare omstandigheid, zodat zulks in casu niet kan worden vastgesteld. Andere omstandigheden waaruit volgt dat [appellante] niet heeft kunnen waarnemen, zijn niet voldoende gesteld, noch is de rechtbank daarvan voldoende gebleken.

Het voorgaande moet tot de conclusie leiden dat [appellante], die aanwezig was in de ruimte waar haar echtgenoot op gewelddadige wijze om het leven is gebracht, geen afdoende verklaring geeft voor haar stelling dat zij de feiten niet heeft waargenomen in de hier door de rechtbank bedoelde zin. Derhalve moet het er voor worden gehouden dat zij de betreffende feiten daadwerkelijk heeft waargenomen. Nu [appellante] geen verklaring geeft omtrent hetgeen zij aldus heeft waargenomen en geen enkel inzicht verschaft omtrent haar handelen of het achterwege blijven daarvan, concludeert de rechtbank dat zij de hand heeft gehad in de dood van haar echtgenoot.

Tegen deze overwegingen en oordelen richten zich de eerste acht grieven van [appellante]. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Grief 9 betreft het passeren van haar bewijsaanbod door de rechtbank. Volgens [appellante] gaat het in deze zaak enkel nog om de vaststelling dat zij de betreffende feiten zou hebben waargenomen en hiervoor geen afdoende verklaring heeft gegeven. Tegen dit oordeel richt zich haar hoger beroep (mvg punt 10). Volgens [appellante] heeft zij wel een afdoende verklaring gegeven voor haar stelling dat zij de feiten niet heeft waargenomen: bedwelming kan niet worden uitgesloten. Sterker nog, aldus [appellante]: bedwelming ligt voor de hand (mvg punt 27).

4.7 Alvorens hierop in te gaan overweegt het hof het volgende. Tegen de bewijsopdracht die de rechtbank bij tussenvonnis van 28 april 2010 heeft verstrekt, zijn geen grieven gericht, zodat deze het hof tot uitgangspunt strekt. Dat geldt ook voor de motivering daarvan in het tussenvonnis van 25 november 2009. Deze is tweeledig, enerzijds uitgaande van artikel

6:23 lid 2 BW en anderzijds uitgaande van artikel 6:248 lid 2 BW maar in beide gevallen leidend tot hetzelfde resultaat, namelijk dat de aanspraak van [appellante] niet kan worden gehonoreerd wanneer zij de hand heeft gehad in het overlijden van haar echtgenoot. De motivering van de rechtbank houdt in, kort samengevat:

- [appellante] had, gezien de tekst van het verrekenbeding, belang bij vervulling van de voorwaarde dat haar huwelijk met [broer van erflater] zou worden ontbonden door het overlijden van laatstgenoemde. Die voorwaarde heeft als niet vervuld te gelden, indien [appellante] die vervulling teweeg heeft gebracht. Van een dergelijk teweegbrengen is sprake indien zij de hand heeft gehad in het overlijden van [broer van erflater], waaronder te begrijpen is dat zij dit overlijden heeft begunstigd (r.o. 3.5).

- Echtgenoten zijn elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Indien [appellante] de hand heeft gehad in het overlijden van [broer van erflater], heeft zij deze verplichtingen in ernstige mate en op onherstelbare wijze geschonden. Een verdergaande schending van die verplichtingen is welhaast niet denkbaar. Tegen deze achtergrond is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat zij in dat geval nakoming wenst van de overeenkomst van huwelijksvoorwaarden door op grond van het verrekenbeding aanspraak te maken op een gedeelte van het vermogen van laatstgenoemde (r.o. 3.6).

Tegen deze achtergrond dient het hof het geleverde bewijs te bezien. Het gaat er hierbij niet om vast te stellen of de uitspraak van het Hof van Assisen juist is geweest of op enigerlei wijze de strafrechtelijke procedure over te doen. Die procedure is gelet op de verwerping van de daartegen gerichte cassatieberoepen in overeenstemming met de Belgische wetgeving gevoerd. Overigens is gesteld noch gebleken dat [appellante] zich over die procedure heeft beklaagd bij het EHRM. Dat de strafrechtelijke procedure correct is verlopen, is het gegeven waarvan in de onderhavige procedure uitgegaan moet worden.

De uitkomst van de strafrechtelijke procedure valt weliswaar buiten het bereik van artikel 161 Rv omdat het niet gaat om een uitspraak van een Nederlandse strafrechter, zoals die bepaling vereist, maar dat laat onverlet dat die uitkomst voor de onderhavige procedure zonder meer zwaarwegend geacht dient te worden. Indien bewezen is te achten, dat [appellante] de hand heeft gehad in het overlijden van [broer van erflater], en dat is vanzelfsprekend ruimer dan medeplegen of medeplichtigheid, kan zij haar aanspraak uit het verrekenbeding niet geldend maken.

4.8 De enige verklaring die [appellante] in hoger beroep aanvoert voor haar stelling dat zij niets heeft bemerkt van de gebeurtenissen die zich in de slaapkamer afspeelden, is de mogelijkheid van bedwelming. Die mogelijkheid is tijdens de strafrechtelijke procedure in België aan de orde geweest. In opdracht van de onderzoeksrechter zijn onderzoeken uitgevoerd door onder meer dr. P. de Cock, prof. dr. P. Daenens, prof. dr. J. Tytgat,

dr. M. Bogaerts, dr. R. de Bandt en dr. R. Deberdt. De rapporten van deze deskundigen zijn in de procedure overgelegd. Uit deze rapporten komt met betrekking tot de mogelijke bedwelming van [appellante] naar voren dat niet is kunnen worden vastgesteld dat daarvan sprake is geweest. De rapporten die [appellante] heeft overgelegd van de door haar ingeschakelde deskundigen, prof. dr. [arts 2] en dr. [arts 1], bevatten commentaar op de andere onderzoeken, maar hebben niet geleid tot bijstelling van de bevindingen of conclusies die daarin zijn opgenomen. Anders dan de erven [erflater] ziet het hof geen aanleiding de onafhankelijkheid van beide door [appellante] benaderde deskundigen in twijfel te trekken. Een en ander brengt [appellante] evenwel niet verder. Uit de rapporten van prof.

[arts 2] en dr. [arts 1] blijkt dat volgens hen bedwelming niet uitgesloten geacht kan worden, maar daarmee is nog niet gezegd dat daarvan in dit geval ook daadwerkelijk sprake is geweest. Het standpunt dat [appellante] daarover in de loop van de procedure heeft ingenomen, is ambivalent. Enerzijds benadrukt zij dat zij nooit heeft beweerd dat zij bedwelmd is geweest, anderzijds stelt zij dat zij het niet kan weten of zij bedwelmd is geweest en uiteindelijk vindt zij dat bedwelming voor de hand ligt. Bij dit alles stelt [appellante] nergens dat zij bedwelmd is geweest en nog veel minder uit welke concrete feiten en/of onderzoeksgegevens dat blijkt. Het opperen van de mogelijkheid van bedwelming respectievelijk het niet uitgesloten achten daarvan is naar het oordeel van het hof niet een voldoende onderbouwing van dit verweer. Hiermee heeft [appellante] wel een mogelijke verklaring voor de door haar gestelde onwetendheid gegeven, maar zeker geen afdoende verklaring. Indien zou komen vast te staan dat sprake is geweest van bedwelming (hetgeen [appellante], zoals gezegd, niet met zoveel woorden stelt) dan is daarmee nog niet gezegd dat deze van zodanige aard geweest is of kan zijn geweest dat alle gebeurtenissen in de slaapkamer, zowel jegens [broer van erflater] (met name de vechtpartij, het mishandelen en het vermoorden zelf) als jegens haarzelf (tapen aan handen, voeten en hoofd) volledig aan haar voorbijgegaan zijn. Ook op dat punt schieten de stellingen van [appellante] tekort. Dit brengt mee dat de grieven 1 tot en met 8 van [appellante] worden verworpen. Voor bewijslevering is, gegeven dit oordeel over het gebrek aan onderbouwing van de door [appellante] opgeworpen stelling, geen grond (vgl. HR 14 november 2003, NJ 2005,269). Het bewijsaanbod van [appellante] dient daarom te worden gepasseerd. Dit betekent dat ook grief 9 wordt verworpen.

4.9 Nu alle grieven van [appellante] in het principaal appel zijn verworpen, zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. De voorwaarde waaronder het incidenteel appel was ingesteld is niet vervuld, zodat dit geen behandeling behoeft. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van de erven [erflater] begroot op € 284,= aan vast recht en op € 894,= aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 maart 2013.