Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ6674

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
HD 200.096.351 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schadevergoeding na mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.096.351

arrest van 2 april 2013

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. G.J.F.M. Linders,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.L.J. van Vloten,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 oktober 2012 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder nummer 141695 / HA ZA 09-777 gewezen vonnissen van 10 februari 2010 en 20 juli 2011.

6 Het tussenarrest van 16 oktober 2012

Bij genoemd arrest is de zaak verwezen naar de rol van 13 november 2012 voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellant] en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7 Het verdere verloop van de procedure

[appellant] heeft een akte na tussenarrest tevens houdende wijziging van eis genomen en daarbij 23 producties overgelegd.

[geïntimeerde] heeft een antwoordakte na tussenarrest tevens reactie op wijziging van eis genomen.

Vervolgens hebben partijen de aanvullende gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8 De verdere beoordeling

8.1. In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat [geïntimeerde] jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld en dat daarvoor geen rechtvaardigheidsgrond bestond.

Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat [appellant] eigen schuld heeft aan het ontstaan van de schade. Het hof heeft het aandeel van [appellant] gesteld op 35% en het aandeel van [geïntimeerde] op 65%.

Het hof heeft verder geoordeeld dat de schade in deze procedure moet worden afgewikkeld, nu het letsel circa zes jaar geleden is veroorzaakt. [appellant] werd in de gelegenheid gesteld zijn schade toe te lichten.

8.2. De stand van zaken is derhalve aldus: [geïntimeerde] heeft [appellant] op 26 oktober 2006 op het hoofd geslagen met een kettingslot. [appellant] is daardoor gewond geraakt en heeft dientengevolge schade geleden. De schade is veroorzaakt door onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] en is aan hem toerekenbaar, met dien verstande dat de vergoedingsplicht van [geïntimeerde] wordt verminderd op grond van artikel 6:101 BW tot 65%.

8.3. [appellant] heeft in zijn akte na tussenarrest zijn eis gewijzigd en in plaats van schadevergoeding op te maken bij staat gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 30.000,-- met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2009. Hij heeft de schade gespecificeerd in een schadestaat van 22 november 2012, productie 20 bij de akte.

8.4. [geïntimeerde] heeft een aantal van de door [appellant] opgesomde posten weersproken en voorts een beroep gedaan op matiging, gelet op het feit dat de schade is ontstaan in een gevecht door toedoen van [appellant], het lange tijdsverloop en [geïntimeerde]s beperkte draagkracht.

8.5. De schadestaat bestaat uit de volgende posten:

A. Materiële schade

8 dagen ziekenhuis á € 25 € 200,00

kleding ex aequo et bono 200,00

post onvoorzien 352,09

diverse kosten opgenomen in productie 17 2.687,03

B. Medische kosten -

C. Reiskosten

ex aequo et bono 100,00

D. Hulp in de huishouding -

E. Verlies Arbeidsvermogen 22.662,99

F. Smartengeld 15.000,00

G. Rente over smartengeld 4.761,84 45.611,85

8.6. [geïntimeerde] heeft in zijn akte de volgende posten betwist:

- Ad A : de post onvoorzien en de in productie 17 opgesomde bedragen

- de posten B en D tot en met G.

8.7. Als niet betwist is toewijsbaar 65% van de somma van € 500,00 voor ziekenhuisopname, kledingschade en reiskosten.

8.8.1. Met betrekking tot het letsel van [appellant] overweegt het hof het volgende.

Bij de inleidende dagvaarding heeft [appellant] de volgende stukken overgelegd:

- Een letselbeschrijving van 27 oktober 2006 van [forensisch geneeskundige], forensisch geneeskundige GGD Zuid Limburg. Daaruit blijkt dat er sprake was van een hoofdwond die gehecht is, een epileptisch insult, gering bloedverlies uit de hoofdwond, een breuk van de sinus frontalis en van de neus, nekklachten en enkele scheur- en kneuswonden aan het hoofd, het gezicht, de kin en een arm.

- Een brief van 15 december 2006 van [huisarts], huisarts. Daaruit blijkt dat [appellant] is geopereerd in het AzM en dat hij uit het ziekenhuis is ontslagen op 2 november 2006 (in het tussenarrest staat abusievelijk 1996) en dat [appellant] een litteken op het voorhoofd heeft van ongeveer 6 cm, wat altijd zichtbaar zal zijn.

- Een brief van 4 januari 2007 van prof. dr. [KNO arts], KNO arts AzM. Daaruit blijkt dat op een CT scan van de schedel geen intracerebrale afwijkingen zijn gezien en dat het beloop na de operatie voorspoedig was, er waren alleen lichte duizeligheidsklachten.

- Een brief van 19 juni 2008 van huisarts [huisarts]. Daaruit blijkt dat [appellant] last had van een verminderd gehoor, maar dat de gehoortest volledig normaal was. [appellant] had ook last van draaiduizeligheid, maar de KNO arts kon geen afwijkingen vaststellen. Ook hield [appellant] last van hoofdpijn, maar een controle foto gaf geen oorzaken.

Bij de akte van 27 november 2012 heeft [appellant] de volgende stukken overgelegd:

- Een bericht van 4 november 2006 van een waarnemend huisarts betreffende een consult naar aanleiding van de vechtpartij.

- Een specialistenbrief van 16 november 2006 van drs. [neuroloog], neuroloog. Daarin is vermeld dat [appellant] opgenomen is geweest op de afdeling neurologie i.v.m. observatie na trauma capitis door mishandeling, waarbij twee fracturen en een eenmalig epileptisch insult. Mobiliseren was aanvankelijk moeizaam vanwege heftige hoofdpijn, maar op de dag van overplaatsing waren er weinig klachten meer.

- Een uittreksel uit het huisartsendossier, lopend van 19 januari 2006 tot en met

23 augustus 2007. Daaruit blijkt van de opname in november 2006, van gehoorklachten op

3 januari 2007 en van een volledig normale gehoortest op 19 januari 2007. Verder klaagde [appellant] op 9 mei 2007 over hoofd- en aangezichtspijn; hij wilde een foto om een tumor uit te sluiten. Op 18 mei 2007 bleek dat de röntgenfoto negatief was. Op 16 augustus 2007 klaagde [appellant] over duizeligheid; daarbij is opgetekend: “KNO kan niks vinden”.

- Een “Model 2.27 Modelverklaring ten behoeve van arts/deskundige in het kader van de ontheffing van de naturalisatietoets”, voorzien van een stempel van [huisarts 2] en

[huisarts 3], huisartsen te Sittard, gedateerd 21 september 2011, waarin is vermeld: Niet in staat kleine letters in juiste volgorde te schrijven na Trauma Capitis in 2006.

- Een ”rapportage medisch advies inburgeringsexamen” van 5 januari 2012, namens

[arts GGD], arts GGD, waarin is vermeld: Betrokkene heeft tot 2006 staatsexamen Nederlandse taal gedaan. In oktober 2006 kreeg hij een trauma van het hoofd na een onenigheid op het werk. De schedel van zijn voorhoofd liep daarbij verschillende breuken op. Na dit trauma is het voor betrokkene nooit meer hetzelfde geweest, hij verloor zijn baan, raakte in de bijstand, kreeg schulden. Ook is het geheugen en de concentratie sindsdien verminderd. Betrokkenen werkt nu samen met zijn echtgenote in een eigen friture.

Bij onderzoek worden geen ernstige fysieke beperkingen gezien.

De geheugen/concentratieproblemen lijken wel reëel te zijn. De huisarts stuurt een brief mee waarin deze de beperkingen van betrokkenen bevestigt. Met de aldus geobjectiveerde beperkingen wordt betrokkene niet in staat geacht verder te kunnen leren voor het onderdeel schrijven van de inburgeringscursus.

8.8.2. Het hof is van oordeel dat uit deze stukken niet kan worden afgeleid dat [appellant] na het ontslag uit het ziekenhuis in november 2006 nog relevante klachten heeft gehad die kunnen worden toegeschreven aan de mishandeling. Vrijwel alle overgelegde stukken dateren van kort na de mishandeling. Uit de informatie van de huisarts van later datum blijkt dat geen relatie kan worden gelegd tussen mogelijke subjectieve klachten van [appellant] betreffende gehoorproblemen, duizeligheid en pijn en de mishandeling. Weliswaar wordt in de stukken betreffende de ontheffing voor de naturalisatietoets melding gemaakt van geheugen/concentratieproblemen en problemen met het schrijven, en wordt daarbij een relatie gelegd met de mishandeling in 2006, maar niet blijkt dat aan deze vermelding een objectief onderzoek ten grondslag is gelegd. Het hof acht die stukken daarom niet van doorslaggevend belang.

Het hof is van oordeel dat [appellant] voor het aannemen van blijvend letsel onvoldoende heeft gesteld, en het ziet daarom geen aanleiding om een onderzoek door een deskundige te laten plaatsvinden. Het hof gaat daarom uit van (tijdelijk) letsel zoals beschreven door

[forensisch geneeskundige].

8.9.1. [appellant] stelt dat hij inkomensschade heeft geleden als gevolg van de mishandeling.

8.9.2. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een beschikking van de rechtbank Maastricht, sector Kanton, van 25 juli 2007 overgelegd. Uit die beschikking blijkt dat [appellant] op

27 oktober 2006 op staande voet is ontslagen in verband het de vechtpartij de dag daarvoor. De kantonrechter stelde vast dat [appellant] in het ontslag heeft berust. De kantonrechter overwoog voorts dat het er alle schijn van had dat [appellant] wel verwijtbaar heeft gehandeld in de aanloop naar en vóór de vechtpartij en dat de werkgever op grond van de op

26/27 oktober 2006 beschikbare gegevens een dringende reden had voor ontslag, indien de werkgever de moeite had genomen [appellant] te horen. Het feit dat de werkgever dat niet heeft gedaan, zodat [appellant] zich niet heeft kunnen verweren tegenover de werkgever, getuigt volgens de kantonrechter niet van goed werkgeverschap. De kantonrechter concludeerde dat de werkgever [appellant] had moeten horen alvorens hem te ontslaan, dat het feit dat hij dat niet heeft gedaan in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, dat de werkgever als hij op andere wijze naar een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [appellant] had gestreefd hem in elk geval langer in dienst had gehouden, maar dat het anderzijds de eigen keuze van [appellant] is geweest om in het ontslag te berusten. Alle omstandigheden afwegend heeft de kantonrechter [appellant] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding toegekend van € 6.000,00 bruto.

8.9.3. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [appellant] op 06-12-2006 aan het werk is gegaan bij [exploitant shoarmazaak], die een shoarmazaak exploiteerde. Hij werkte daar in 2007, 2008 en de eerste vijf maanden van 2009 5 á 10 uur per maand en vanaf 1 juni 2009 heeft hij de shoarmazaak ondergehuurd en exploiteert hij deze samen met zijn vrouw. Hij heeft in de jaren 2007, 2008 en 2009 een aanvullende bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente [woonplaats].

8.9.4. [appellant] stelt dat hij zonder de mishandeling door [geïntimeerde] tot 1 juni 2009 in dienst zou zijn gebleven van [exploitant shoarmazaak]. Zijn inkomen zonder mishandeling zou volgens zijn becijfering vanaf 26 oktober 2006 tot 1 juni 2009 € 51.633,84 hebben bedragen, inclusief een stelpost voor gemiste pensioenopbouw, terwijl zijn inkomen in die periode feitelijk € 28.970,85 heeft bedragen. Hij berekent aldus het netto verlies arbeidsvermogen op € 22.662,99.

8.10. [geïntimeerde] betwist dat causaal verband bestaat tussen zijn handelen en het ontslag van [appellant]. Het hof is het daarmee eens. Uit de hiervoor weergegeven beschikking van de kantonrechter blijkt dat aanleiding voor het ontslag de vechtpartij was, alsmede [appellant]s gedrag in de aanloop naar en vóór de vechtpartij. Dus niet het feit dat [appellant] gewond raakte en daarvan gevolgen ondervond was reden voor het ontslag, maar [appellant]s eigen gedrag. Bovendien heeft [appellant] blijkens de beschikking in het ontslag berust. De conclusie is dat er geen causaal verband bestaat tussen de mishandeling en het ontslag, zodat de uit het ontslag voortvloeiende schade niet door [geïntimeerde] is veroorzaakt. Post E is dus niet toewijsbaar.

8.11. In productie 17 somt [appellant] een achttal schadeposten op, die het hof successievelijk bespreekt.

1) kosten tolk tijdens de zitting van de rechtbank van 15 december 2009. [geïntimeerde] voert daar tegen aan dat [appellant] blijkens de certificaten van 2006 de Nederlandse taal al machtig was. Het hof is van oordeel dat [appellant] kennelijk onvoldoende op zijn kennis van het Nederlands vertrouwde en acht het niet onredelijk dat deze kosten zijn gemaakt. Deze kosten zijn te beschouwen als proceskosten. Het hof komt daarop terug in 8.16.

2) eigen bijdrage toevoeging rechtbankprocedure. Ook deze bijdrage behoort tot de proceskosten. Het hof komt daarop terug in 8.16.

3), 6) en 8) betreffen kosten voor het opvragen van medische gegevens. Deze kosten vormen schade als gevolg van de mishandeling en zijn daarom voor 65% toewijsbaar. Het betreft samen een bedrag van € 173,70.

4) en 5) kosten juridische procedure mr. Mannens (arbeidsprocedure bij de kantonrechter) en 7) kosten voeging in de strafzaak contra [geïntimeerde]. Het betreft hier kosten in andere procedures. De procedure voor de kantonrechter staat niet in causaal verband met deze procedure, zoals blijkt uit het voorgaande. Uit 4.1.4. van het tussenarrest blijkt dat [geïntimeerde] niet strafrechtelijk is vervolgd. Terecht heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat niet is gebleken dat de sub 7) opgevoerde kosten, die zijn gemaakt in november 2006, noodzakelijk waren. De posten 4), 5) en 7) komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

8.12. Onder F voert [appellant] een bedrag voor smartengeld op van € 15.000,00. Gezien hetgeen het hof hiervoor ten aanzien van het letsel van [appellant] heeft overwogen acht het hof de uitspraken uit de Smartengeldbundel waarnaar [appellant] verwijst niet passend, nu het daarin omschreven letsel aanzienlijk ernstiger is dan het letsel van [appellant]. Gezien de aard en de ernst van het letsel acht het hof, rekening houdende met alle omstandigheden en met vergelijkbare gevallen, een bedrag van € 2.500,00 passend voor de door [appellant] geleden immateriële schade. [appellant] vordert wettelijke rente over alle schadeposten, zodat een aparte post voor rente over smartengeld (post G) niet toewijsbaar is.

8.13. Dan resteren nog de posten sub A onvoorzien, B medische kosten en D hulp in de huishouding. Deze drie posten zijn niet onderbouwd en voor wat betreft B en D niet gespecificeerd, zodat ze niet kunnen worden toegewezen.

8.14. De laatste grief van [appellant], grief XIII, heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft niet afzonderlijk te worden besproken.

8.15. De slotsom is dat aan schade toewijsbaar is 65% van € 500,00 (8.7) + € 173,70 (8.11) + € 2.500,00 (8.12), dat is € 2.062,90, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2009, zoals gevorderd.

Het beroep van [geïntimeerde] op matiging wijst het hof af. Met het eigen aandeel in de schade van [appellant] is al rekening gehouden, het enkele tijdverloop is geen reden tot matiging en het is bovendien niet aan [appellant] toe te rekenen, omtrent zijn draagkracht heeft [geïntimeerde] tot slot niet méér gesteld dan dat hij een toevoeging heeft.

8.16. Nu enkele van de grieven slagen worden de vonnissen waarvan beroep vernietigd. Omdat het hof oordeelt dat 35% van de schade voor rekening van [appellant] moet blijven en bovendien een aanzienlijk lager bedrag dan gevorderd wordt toegewezen, beschouwt het hof beide partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Het hof zal daarom de kosten tussen hen compenseren, in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt. Dat brengt mee dat de kosten voor de tolk en de eigen bijdrage van [appellant] voor rekening van [appellant] blijven en niet toewijsbaar zijn (8.11).

9 De uitspraak

Het hof:

vernietigt de vonnissen van 10 februari 2010 en 20 juli 2011, waarvan beroep,

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van de somma van € 2.062,90, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 16 juni 2009 tot de dag van voldoening;

compenseert de proceskosten tussen partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aldus dat ieder zijn eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M.A. de Groot-van Dijken en

P.M. Huijbers-Koopman in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 april 2013.