Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ6632

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
HD 200.079.567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwijzing door advocaat naar stukken waarin de door hem bijgestane procespartij zélf standpunten verwoord. Uitgangspunt dat advocaat voldoende kenbaar en duidelijk stellingen inneemt in processtukken (rechtsoverweging 4.7).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.079.567/01

arrest van 2 april 2013

in de zaak van

[X.] Accountants B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. E.H.C.K. Reijans,

tegen

[Y.] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.T.G.M. Lamers,

op het bij exploit van dagvaarding van 21 december 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond onder rolnummer 97072/HA ZA 09-819 gewezen vonnis van 22 september 2010 tussen appellante – [appellante] - als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en geïntimeerde – [geïntimeerde] - als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis en het vonnis van 12 mei 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] onder overlegging van producties zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en – kort gezegd – alsnog toewijzing van haar vorderingen en restitutie van hetgeen [appellante] ter uitvoering van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van producties de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben onder overlegging van producties schriftelijk gepleit.

2.4. Partijen hebben om arrest gevraagd.

3. De gronden van het beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In overweging 2 van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

(a) [Y.] (hierna: [bestuurder geïntimeerde]) is bestuurder van [geïntimeerde].

(b) [X.] (hierna: [bestuurder appellante]) heeft namens de opdrachtnemer van [geïntimeerde] in de periode van (in ieder geval) 1980 tot en met 2006 fiscale en administratieve werkzaamheden verricht voor [geïntimeerde].

(c) [appellante] heeft aan [geïntimeerde] facturen gezonden, welkom onbetaald zijn gebleven.

(d) [bestuurder appellante] en [bestuurder geïntimeerde] gingen jarenlang zowel zakelijk als privé met elkaar om. Aan zowel de zakelijke als de vriendschappelijke relatie is in 2006 in einde gekomen.

4.2. [appellante] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de bedragen van € 51.146,53 (onbetaalde declaraties), € 1.788,= (buitengerechtelijke kosten), € 11.947,36 (wettelijke rente tot en met 19 oktober 2009), vermeerderd met de wettelijke rente over € 51.146,53 vanaf 20 oktober 2009, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de gedingkosten.

4.3. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

4.4. [geïntimeerde] heeft in reconventie gevorderd [appellante] te veroordelen tot (1) opheffing van het ten laste van [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslag onder verbeurte van een dwangsom en (2) vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade ten gevolge van dit onrechtmatige beslag, nader op te maken bij staat, onder veroordeling van [appellante] in de gedingkosten.

4.5. De rechtbank heeft in conventie de vorderingen van [appellante] afgewezen, onder veroordeling van [appellante] in de gedingkosten. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de gedingkosten.

4.6. Grief I is een algemene grief.

De grieven II tot en met V richten zich tegen afwijzing door de rechtbank van de gevorderde bedragen van € 16.660,= (factuur 13 augustus 2006),

€ 4.950,= (factuur 13 augustus 2006), € 2.213,40 (factuur 19 oktober 2006), € 231,64 (factuur 9 augustus 2006), € 327,25 (factuur 20 juli 2003) en € 13.129,= (terugbetaling voorgeschoten aanslag successierecht).

Grief VI is gericht tegen afwijzing van de vorderingen terzake de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

Grief VII is gericht tegen de veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

Geen grief is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering ter zake het bedrag van € 13.635,02 (factuur 14 augustus 2006). Dit oordeel strekt het hof derhalve tot uitgangspunt.

Het hof zal hierna eerst grief I behandelen (4.7), dan de vorderingen die middels de grieven II tot en met V aan de orde zijn gesteld (4.9-4.12), en tenslotte de grieven VI en VII (4.13).

4.7.1. De kop van grief I luidt ‘algemeen’. Vervolgens legt [appellante] haar eigen commentaar op het bestreden vonnis over, gestaafd met 15 bijlagen (prod. 1 mvg), onder de vermelding dat de inhoud hiervan geldt als in de memorie van grieven letterlijk herhaald en ingelast.

4.7.2. Het hof merkt op dat in een procedure als de onderhavige als uitgangspunt geldt dat een procespartij haar stellingen voldoende kenbaar en duidelijk in haar processtukken moet laten innemen door haar (hiertoe verplicht ingeschakelde) advocaat. Dit heeft tot gevolg dat een procespartij niet ermee kan volstaan zélf een stuk op te stellen en hiernaar in haar processtuk te (laten) verwijzen, met de vermelding dat de inhoud ervan geldt als herhaald en ingelast. De achtergrond van dit uitgangspunt is dat de andere partij – in het onderhavige geval [geïntimeerde] - zich naar behoren moet kunnen verdedigen.

Nu gesteld noch gebleken is dat in casu een uitzondering op voormeld uitgangspunt aan de orde is, geldt dit uitgangpunt ook in de onderhavige procedure. Dit heeft tot gevolg dat het hof niet zelf (gissenderwijs) stellingen zal putten uit het eigen commentaar van [appellante] en/of de 15 bijlagen.

Wanneer [appellante] in haar processtukken zélf een voldoende duidelijke en kenbare stelling heeft doen innemen, en ter onderbouwing hiervan verwijst naar (een bepaald deel van) haar eigen commentaar en/of (één van) de 15 bijlagen, zal het hof dit stuk (deze stukken) – voorzover te beschouwen als een onderbouwing van de door [appellante] in haar processtukken ingenomen stelling - uiteraard wél meewegen. Bovendien zal het hof (een bepaald deel van) het eigen commentaar van [appellante] en/of (één van) de 15 bijlagen meewegen, wanneer [geïntimeerde] blijkens haar processtukken ervan uitgaat dat [geïntimeerde] hieruit een bepaalde stelling van [appellante] heeft gedestilleerd (in dat geval wordt hoor en wederhoor immers niet geschonden).

4.7.3. In het vervolg van grief I doet [appellante] een beroep op het door haar opgestelde commentaar, voor zover dit betrekking heeft op de werkwijze en communicatie tussen partijen, de (gestelde) valsheid in geschrifte/laster en het (gestelde) dreigen met nepgetuigen. Nog daargelaten dat deze stellingen door [geïntimeerde] worden betwist, blijft [appellante] in gebreke aan te geven welke consequenties aan voormelde stellingen moeten worden verbonden voor wat betreft haar vorderingen. Het hof gaat derhalve aan deze stellingen voorbij.

4.7.4. Voorts doet [appellante] in grief I een beroep op het door haar opgestelde commentaar, voor zover dit betrekking heeft op de periodieke informatievoorziening middels de kosten specificatie-overzichten en de onderbouwing en specificatie van “bedoelde” facturen. Voor zover [appellante] bij de grieven II tot en met VI concreet heeft gemaakt wat zij wat betreft voormelde onderwerpen stelt en op welke bijlagen bij het commentaar een beroep wordt gedaan, zal het hof de stellingen en bijlagen meewegen.

4.8. [appellante] verwijst in haar pleitnota naar een reactie van haarzelf op de memorie van antwoord (prod II pleitnota) en de pleitnota van [geïntimeerde] (prod. III pleitnota), onder de vermelding dat de inhoud van de reacties als in de pleitnota herhaald en ingelast gelden. Duidelijkheidshalve zij reeds hier vermeld dat het hof met deze reacties op dezelfde wijze zal omgaan als met het commentaar met 15 bijlagen (4.7.2).

4.9.1. [appellante] vordert de bedragen van € 16.660,= (factuur 13 augustus 2006; nummer [factuurnummer 3]; prod. 4 inl dagv) en € 4.950,40 (factuur 13 augustus 2006; nummer [factuurnummer 4]; prod. 5 inl dagv).

Ter onderbouwing van de vordering van € 16.660,= voert [appellante] aan dat zij [geïntimeerde] in de periode van 2000 tot en met 2006 in opdracht van [geïntimeerde] zakelijke adviezen heeft gegeven. De adviezen hadden onder meer betrekking op: de plaats van bepaalde kostenposten in de administratie, inruil en verkoop van auto's, omzetbelasting, accijns, in- en export van auto's, verkoop van de garage, saneringen, ins en outs met betrekking tot cliënten/vorderingen, personeel, betalingen aan de belastingdienst, aan- en verkoop van een boerderij in Zwitserland, privé verbouwingen, het geldelijk verkeer met betrekking tot die verbouwingen, bedrijfsaankoop, en overige juridische en fiscale kwesties. In totaal waren met deze extra werkzaamheden 280 uren gemoeid, maar coulancehalve heeft [appellante] hiervan slechts 140 uur in rekening gebracht, aldus [appellante].

Ter onderbouwing van de vordering van € 4.950,40 voert [appellante] aan dat dit bedrag betrekking heeft op het in opdracht van [geïntimeerde] verlenen van extra assistentie inzake het verzorgen van factureringen, het sorteren en afboeken van dagboeken, en het ondersteunen van verdere uitvoering van zakelijke werkzaamheden. De werkzaamheden zijn verricht in de periode van eind september 2000 tot en met januari 2001, aldus [appellante].

Ter nadere toelichting op beide vorderingen stelt [appellante] dat het ging om extra werkzaamheden. De gebruikelijke werkzaamheden met betrekking tot de loon- en omzetbelasting werden per kwartaal gedeclareerd, en gewoon door [geïntimeerde] betaald. Vanwege de vriendschapsrelatie en het overlijden van de echtgenote van [bestuurder geïntimeerde] is [appellante] van 2000 tot en met 2006 bereid geweest te wachten met betaling te verlangen van de extra werkzaamheden, aldus [appellante]. [geïntimeerde] ontving echter wél jaarlijks een kostenoverzicht waarop het aantal met deze werkzaamheden gemoeide uren werd vermeld, zo stelt [appellante].

4.9.2. [geïntimeerde] betwist onder meer opdracht te hebben gegeven tot het verrichten van de extra werkzaamheden die in rekening zijn gebracht bij voormelde facturen van 13 augustus 2006 ter hoogte van € 16.660,= en € 4.950,40. Voorts betwist [geïntimeerde] dat deze werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht.

4.9.3. De stel- en bewijslast van de - betwiste – stellingen dat (1) [geïntimeerde] (stilzwijgend) aan [appellante] opdracht heeft gegeven tot het verrichten van extra werkzaamheden die in rekening zijn gebracht bij de facturen van 13 augustus 2006 ter hoogte van € 16.660,= en € 4.950,40 (hierna: de extra werkzaamheden), en (2) deze werkzaamheden daadwerkelijk door [appellante] zijn verricht, rust op [appellante].

[appellante] beroept zich ter onderbouwing van voormelde stellingen op faxen van haar aan [geïntimeerde] van 9 oktober 2000, 25 april 2005 en 4 september 2006 met bijlagen (prod. 1 respectievelijk bijlagen 1, 2, 5 mvg). Uit de bij deze faxen behorende faxjournalen blijkt dat [geïntimeerde] de faxen moet hebben ontvangen, aldus [appellante]. In de fax van 9 oktober 2000 schrijft [appellante] aan [geïntimeerde] onder meer dat zij – mede vanwege het overlijden van de echtgenote van [bestuurder geïntimeerde] – bereid is werkzaamheden voor [geïntimeerde] te verrichten die zij pas later in rekening zal brengen, terwijl zij [geïntimeerde] jaarlijks een specificatie van de werkzaamheden zal verstrekken zodat deze van de gemaakte kosten op de hoogte blijft. In de brieven van 25 april 2005 en 4 september 2006 maakt [appellante] eveneens gewag van een dergelijke afspraak, zo stelt [appellante].

[geïntimeerde] betwist echter voormelde faxen van 9 oktober 2002, 25 april 2005 en 4 september 2006, van [appellante] te hebben ontvangen. Partijen correspondeerden ook nooit per fax maar enkel per brief, aldus [geïntimeerde]. Bovendien zijn de faxjournalen niet echt. Het faxnummer dat wordt vermeld op de faxjournalen behorende bij de faxen van 4 september 2006 en van een andere door [appellante] overgelegde fax (van 23 april 2002), is van het advocatenkantoor van de advocaat die [geïntimeerde] in eerste aanleg bijstond, terwijl dit kantoor pas in 2007 is opgericht, aldus [geïntimeerde]. Nu deze faxjournalen niet kloppen zullen de andere faxjournalen ook wel niet kloppen, zo stelt [geïntimeerde].

[appellante] heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende kenbaar en duidelijk gereageerd op voormeld verweer van [geïntimeerde]. Derhalve heeft zij haar stelling dat [geïntimeerde] voormelde faxen heeft ontvangen, onvoldoende onderbouwd. Dit geldt te meer daar [appellante] evenmin heeft gereageerd op het verweer van [geïntimeerde] dat het lettertype in de fax van 9 oktober 2000 verschilt van dat van de brief van [appellante] aan [geïntimeerde] van 25 september 2000 (prod. 1 bijlage 6 mvg), en dat ook hieruit blijkt dat de fax van 9 oktober 2000 niet echt is. Nu de groote van de letters van voormelde brieven inderdaad verschillen (terwijl ze in dezelfde periode zijn verstuurd), had [appellante] naar het oordeel van het hof op het verweer moeten reageren.

Overigens heeft [appellante] - voor zover zij zich al voldoende kenbaar en duidelijk heeft beroepen op de brieven van 25 september 2000 en januari 1993 (bijlage 8 akte [appellante] van 16 augustus 2010) – in ieder geval onvoldoende kenbaar en duidelijk gereageerd op de betwisting door [geïntimeerde] van de ontvangst van deze brieven (nrs. 55 en 56 mva). Het hof laat deze brieven derhalve buiten beschouwing.

4.9.4. [appellante] verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat zij daadwerkelijk de extra werkzaamheden heeft verricht naar door haar overgelegde specificaties kostenoverzicht (prod. 1 bijlagen 10a en 10b mvg). [geïntimeerde] betwist de echtheid van deze specificaties. Ter onderbouwing van haar betwisting wijst [geïntimeerde] op de brief van [appellante] aan (de gemachtigde van) [geïntimeerde] van 15 februari 2007, waarin [appellante] onder meer schrijft ‘De overige uren met de heer [bestuurder geïntimeerde] zijn niet direct in rekening gebracht, omdat deze ook niet door mij in de onderhanden werkadministratie zijn opgenomen, alleen in mijn werkagenda's’ (prod. 10 cva in conv/cve in reconv). Naar het oordeel van het hof valt moeilijk voor te stellen dat [appellante] met ‘werkagenda's’ doelde op de specificaties kostenoverzicht die in hoger beroep door haar zijn overgelegd. Weliswaar stelt [appellante] in haar memorie van grieven dat zij met de mededeling dat de uren niet in de administratie maar alleen in de werkagenda's waren opgenomen, bedoelde dat de onderhanden administratie nog niet was verwerkt tot facturen. Echter, hiermee geeft [appellante] nog geen verklaring hoe zij met het woord ‘werkagenda's’ de specificaties kostenoverzicht kan hebben bedoeld. Daar komt bij dat [appellante] bedoelde specificaties pas in hoger beroep overlegt. De verklaring dat dit te wijten was aan het gebrek aan ervaring van de advocaat die [appellante] in eerste aanleg bijstond, is weinig overtuigend. De specificaties betreffen – gelet op het verweer dat [appellante] bekend was (nr. 16 inl dagv) - de kern van de zaak. Daarbij komt dat [appellante] onvoldoende kenbaar en duidelijk heeft gereageerd op het gedetailleerde overzicht van [geïntimeerde] van 17 data van 2001 tot en met 2004, waarop volgens de specificaties van [appellante] besprekingen zouden hebben plaatsgevonden, terwijl dat volgens het overzicht van [geïntimeerde] steeds niet mogelijk was (nr. 85 mva).

[appellante] legt naast het specificatie kostenoverzicht terzake haar factuur van

€ 16.660,= nog een aantal andere stukken over, zoals enkele voorlopige aanslagen vennootschapsbelasting, brieven aan de belastingdienst en een leveringsakte van 20 oktober 2003 (prod. 1 bijlage 10a mvg). Hiermee heeft [appellante] haar stelling dat zij de gedeclareerde werkzaamheden daadwerkelijk heeft verricht, echter onvoldoende onderbouwd. Dit geldt temeer daar volgens het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg zijdens [appellante] is verklaard dat de stukken met betrekking tot voormelde factuur een aantal dozen zouden betreffen.

4.9.5. Uit het voorgaande volgt dat [appellante] onvoldoende heeft aangevoerd om haar stellingen te kunnen dragen dat (1) [geïntimeerde] [appellante] (stilzwijgend) opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de extra werkzaamheden die in rekening zijn gebracht bij de facturen van 13 augustus 2006 ter hoogte van € 16.660,= en € 4.950,= (hierna: de extra werkzaamheden), en (2) deze extra werkzaamheden daadwerkelijk door [appellante] zijn verricht. Derhalve zal [appellante] niet in de gelegenheid worden gesteld deze stellingen te bewijzen, nog daargelaten dat zij ter zake deze stellingen geen voldoende specifiek en/of relevant bewijsaanbod heeft gedaan.

4.9.6. Het bovenstaande brengt met zich dat de vorderingen van € 16.660,= en € 4.950,= moeten worden afgewezen.

Grief II faalt.

4.10.1. [appellante] vordert een bedrag van € 2.213,40 (factuur 19 oktober 2006; nummer [factuurnummer 5]; prod. 1 inl dagv).

De factuur heeft betrekking op het in opdracht van [geïntimeerde] afhandelen en sorteren van de dossiers dagboeken, loonadministratie en omzetbelasting, correcties omzetbelasting en loonheffing vanwege onjuiste adressering, en interne werkzaamheden, aldus [appellante].

4.10.2. [geïntimeerde] betwist dat [appellante] de door haar gestelde werkzaamheden daadwerkelijk heeft verricht. Bovendien had [appellante] haar bij brief van 22 augustus 2006 geschreven geen werkzaamheden meer voor [geïntimeerde] te verrichten, zodat zij een ander voor haar administratieve werkzaamheden had ingeschakeld. Voor het verrichten van de ná 22 augustus verrichtte werkzaamheden ontbrak een opdracht, aldus [geïntimeerde].

4.10.3. [appellante] schrijft (onder meer) [geïntimeerde] bij brief van 22 augustus 2006 (prod. 11 inl dagv) onder meer: ‘(..) laat het onverlet dat wij geen gehoor zullen geven aan uw verzoek om opgemelde samenstellingsopdracht op dit moment te aanvaarden en onze werkzaamheden hangende de onbetaaldheid van de factuurs cq. openstaande bedrag volledig staken. Daarnaast zullen wij voor eventuele toekomstige werkzaamheden zoals hierboven aangegeven, vooraf een voorschot van u moeten ontvangen omdat wij niet willen werken onder dezelfde condities zoals dat in het verleden heeft plaatsgevonden mede gezien uw huidige manier van functioneren naar ondergetekende. (..) Zolang wij deze bedragen: zie brief van 13 augustus 2006 en het voorschot niet van u ontvangen hebben staken wij alle activiteiten jegens u en uw ondernemingen.’ [geïntimeerde] stelt - naar het hof begrijpt - dat [appellante] bij de bewuste factuur van 19 oktober 2006 werkzaamheden in rekening heeft gebracht, die zijn verricht ná verzending van voormelde brief van 22 augustus 2006. Nu [appellante] deze stelling niet betwist, gaat het hof uit van de juistheid ervan.

Gezien de hierboven aangehaalde passages uit de brief van 22 augustus 2006 en het gegeven dat [geïntimeerde] niet tot betaling van de door [appellante] gevorderde bedragen en het voorschot (ten bedrage van 6.000,= exclusief BTW) is overgegaan, geldt naar het oordeel van het hof als uitgangspunt dat voor de na 22 augustus 2006 door [appellante] voor [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden een (expliciete) opdracht van [geïntimeerde] was vereist. [appellante] heeft echter niet gesteld dat [geïntimeerde] een dergelijke opdracht heeft verstrekt, noch voldoende aangevoerd om een uitzondering op voormeld uitgangspunt te rechtvaardigen. [appellante] stelt weliswaar dat de werkzaamheden onderhanden werk betreffen die [appellante] vanwege de op haar rustende zorgplicht correct moest afwerken, maar dit strookt niet met het gegeven [appellante] [geïntimeerde] in voormelde brief van 22 augustus 2006 schrijft dat alle werkzaamheden volledig zullen worden gestaakt. Bovendien schrijft [appellante] in voormelde brief dat de indiening van zowel de aangifte omzetbelasting over de maand juli en de verwerking van de loonadministratie, niet zullen worden voortgezet.

4.10.4. Uit het voorgaande volgt dat [appellante] onvoldoende heeft aangevoerd om haar stelling te kunnen dragen dat [geïntimeerde] [appellante] opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de werkzaamheden die in rekening zijn gebracht bij de factuur van 19 oktober 2006 ten bedrage van € 2.213,40. Derhalve zal [appellante] niet in de gelegenheid worden gesteld deze stellingen te bewijzen, nog daargelaten dat zij ter zake deze stellingen geen voldoende specifiek en/of relevant bewijsaanbod heeft gedaan.

4.10.5. Het bovenstaande brengt met zich dat de vordering van € 2.213,40 moet worden afgewezen.

Grief III faalt.

4.11.1. [appellante] vordert de bedragen van € 231,46 (factuur 9 augustus 2006; nummer 13061; prod. 2 inl dagv) en € 327,25 (factuur 20 juli 2003; nummer [factuurnummer]; prod. 3 inl dagv).

Ter onderbouwing van de vordering van € 231,46 voert [appellante] aan dat deze betrekking heeft op in de periode van 1 april tot en met 30 juni 2006 in opdracht van [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden ter zake de loonadministratie 2005 en 2006 en de vennootschapsbelasting 2004.

Ter onderbouwing van de vordering van € 327,25 voert [appellante] aan dat deze betrekking heeft op in opdracht van [geïntimeerde] verrichtte werkzaamheden ter zake de successierechten, met name het afwikkelen van fiscale correspondentie en een bezoek aan de belastingdienst aangaande de waardering van de aandelen ter zake de successie.

4.11.2. [geïntimeerde] voert het verweer dat de gedeclareerde werkzaamheden niet zijn verricht. Bovendien zou [appellante] naast de gebruikelijke kwartaalwerkzaamheden geen andere werkzaamheden voor [geïntimeerde] verrichten, aldus [geïntimeerde].

4.11.3. [geïntimeerde] voert weliswaar voormelde verweren, maar zij laat na te reageren op de stelling van [appellante] dat de verplichting om voormelde bedragen is erkend bij brief van de heer [Z.] van 3 december 2008 (prod. 21 inl dagv). Het hof begrijpt de eerste alinea van voormelde brief aldus dat [Z.] deze (mede) stuurde namens [geïntimeerde]. In de brief wordt onder meer vermeld ‘Over de juistheid van de nota [factuurnummer 2] tot een bedrag ad € 231,46 bestaat geen geschil’ en ‘Thans wordt door [bestuurder appellante] accountancy een afschrift overgelegd van de nota [factuurnummer] aan [geïntimeerde] B.V. tot een bedrag van € 327,25. (..) De heer [bestuurder geïntimeerde] kan akkoord gaan met deze nota.’. [geïntimeerde] is in zoverre tekortgeschoten met het onderbouwen van haar verweer, dat zij niet op voormelde gemotiveerde stelling heeft gereageerd.

[geïntimeerde] voert echter wél het verweer dat de vorderingen van € 231,46 en € 327,25 niet toekomen aan [appellante]. Op de brieven en facturen die [geïntimeerde] steeds ontving stond immers niet de naam [appellante], maar de namen [appellante] & Bedrijfsadviseurs dan wel [bestuurder appellante] Accountancy & Bedrijfsadvisering. Deze namen had (heeft) [appellante] niet als handelsnamen geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, aldus [geïntimeerde]. Nu de heer [bestuurder appellante] een eenmanszaak dreef (drijft) onder de naam [bestuurder appellante] Accountancy & Bedrijfsadvisering had [geïntimeerde] een contractuele relatie met hem en niet met het pas in mei 2005 opgerichte [appellante], aldus [geïntimeerde].

Volgens het proces verbaal van de comparitie in eerste aanleg is zijdens [appellante] echter verklaard dat [appellante] al bestaat sinds 1995 en als handelsnamen voert [appellante] & Bedrijfsadviseurs en [bestuurder appellante] Accountancy & Bedrijfsadvisering. Verder had [bestuurder appellante] geen eenmanszaak dan wel was er aanleiding het bestaan van een andere B.V. te veronderstellen, aldus [appellante] volgens het proces verbaal.

Het hof constateert evenwel dat in het uittreksel uit het handelsregister ter zake [appellante] van 8 juni 2010 (prod. 2 mva) wordt vermeld, dat [appellante] is opgericht op 31 mei 2005. Dit gegeven strookt niet met de verklaring van [appellante] dat zij al bestaat sinds 1995. Derhalve twijfelt het hof ook aan de getrouwheid van de verklaring dat [bestuurder appellante] geen eenmanszaak had en/of geen aanleiding bestond er vanuit te gaan dat de werkzaamheden door een andere B.V. zouden worden verricht. Nu [appellante] in hoger beroep hierover niet meer duidelijkheid heeft verschaft, heeft zij onvoldoende aangevoerd om haar stelling te kunnen dragen dat [geïntimeerde] haar opdracht had gegeven tot het verrichten van de bewuste werkzaamheden. Derhalve wordt niet toegekomen aan de bewijsaanbiedingen van [appellante], nog daargelaten of deze voldoende specifiek en/of relevant zijn.

4.11.4. Het bovenstaande brengt met zich dat de vorderingen van € 231,46 en € 327,25 moeten worden afgewezen.

Grief IV faalt.

4.12.1. [appellante] vordert een bedrag van € 13.129,=.

Ter onderbouwing van de vordering voert [appellante] aan dat [bestuurder geïntimeerde] een aanslag successierecht ter hoogte van € 13.129,= was opgelegd. Omdat [bestuurder geïntimeerde] niet in staat was tot betaling van de aanslag, heeft [appellante] deze voldaan. Nu tussen [appellante] en [geïntimeerde] was afgesproken dat laatstgenoemde het met de aanslag gemoeide bedrag zou terugbetalen aan [appellante], vordert zij betaling hiervan van [geïntimeerde], aldus [appellante].

4.12.2. [geïntimeerde] voert onder meer het verweer dat [bestuurder geïntimeerde] de aanslag successierecht wilde aanvechten, omdat er een wet op komst was waarbij successieheffing van de partner zou komen te vervallen. Bovendien was de aanslag successierecht opgelegd aan [bestuurder geïntimeerde], zodat [appellante] hoogstens een vordering heeft op [bestuurder geïntimeerde] in privé maar niet op [geïntimeerde]. Daarbij heeft niet [appellante] maar [bestuurder appellante] de aanslag voldaan, zodat [appellante] geen terugbetaling kan vorderen, aldus [geïntimeerde].

4.12.3. Partijen zijn het erover eens dat het gaat om een aanslag successierecht aan [bestuurder geïntimeerde]. De stelling van [appellante] dat zij met [geïntimeerde] had afgesproken dat niet [bestuurder geïntimeerde] maar [geïntimeerde] het met de aanslag gemoeide bedrag van € 13.129,= aan [appellante] zou (terug)betalen, wordt door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist. [appellante] beroept zich ten bewijze van het bestaan van de door haar gestelde afspraak onder meer op de faxen van 9 oktober 2000 en 25 april 2005. Nu [geïntimeerde] de ontvangst van deze brieven gemotiveerd betwist, terwijl [appellante] hierop onvoldoende kenbaar en duidelijk heeft gereageerd (4.9.3), en evenmin voldoende specifiek te bewijzen heeft aangeboden dat zij voormelde faxen heeft verstuurd, is niet komen vast te staan dat dit het geval is. Het hof laat voormelde faxen derhalve buiten beschouwing.

[appellante] beroept zich ten bewijze van het bestaan van de afspraak voorts op de verklaring van de heer [getuige 1] (prod. 1 bijlage 3 mvg). Inderdaad verklaart de [getuige 1] dat de heer [bestuurder geïntimeerde] zou hebben gezegd “doe maar alles onder één dak brengen, zodat ik de aanslag successie allemaal via [geïntimeerde] BV terugbetaal”. [geïntimeerde] heeft echter aangevoerd dat hij de heer [getuige 1] nooit heeft gezien of gesproken, hetgeen door [appellante] niet voldoende kenbaar en duidelijk is betwist. Derhalve twijfelt het hof aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1].

Het bovenstaande brengt met zich dat [appellante] haar stelling dat zij met [geïntimeerde] had afgesproken dat niet [bestuurder geïntimeerde] maar [geïntimeerde] het met de aanslag gemoeide bedrag van € 13.129,= aan [appellante] zou (terug)betalen, niet op voorhand heeft bewezen. Nu [appellante] ter zake deze stelling geen voldoende specifiek en/of relevant bewijsaanbod heeft gedaan, zal zij niet in de gelegenheid worden gesteld dit bewijs alsnog te leveren. De stelling is derhalve niet komen vast te staan.

4.12.4. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van € 13.129,= moet worden afgewezen. Grief V faalt.

4.13. [appellante] vordert tot slot buitengerechtelijke incassokosten van € 1.788,=, alsmede een bedrag aan wettelijke rente van € 11.947,36 (tot en met 19 oktober 2009)en de wettelijke rente over het bedrag van € 51.146,53 vanaf 20 oktober 2009 tot aan de dag ter voldoening.

Nu geen der vorderingen van [appellante] toewijsbaar is (4.6-4.12), dienen ook deze vorderingen te worden afgewezen.

De grieven VI en VII falen.

4.14.1. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van de daadwerkelijke volledige proceskosten van [geïntimeerde]. Deze vordering is door de rechtbank (impliciet) afgewezen. Uit het gegeven dat [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord voormelde vordering handhaaft en vermeerderd, begrijpt het hof dat [geïntimeerde] incidenteel appel instelt tegen voormelde afwijzing door de rechtbank.

4.14.2. Ter onderbouwing van de vordering stelt [geïntimeerde] onder meer dat [appellante] haar enkel heeft aangesproken, omdat zij de relatie met [appellante] had verbroken en [bestuurder appellante] hierover rancuneus was. Bovendien is de memorie van grieven van [appellante] chaotisch en onoverzichtelijk, waardoor voor [geïntimeerde] onduidelijk is waartegen zij zich moet verweren. Verder brengt [appellante] dubieuze stukken in het geding, aldus [geïntimeerde].

4.14.3. De vordering tot vergoeding van alle door [geïntimeerde] in verband met de onderhavige procedure gemaakte kosten, is slechts toewijsbaar ingeval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente gegronde ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (HR 6 april 2012, LJN BV7828, NJ 2012/233).

4.14.4. In het licht van voormelde maatstaf heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd een grondslag aangevoerd voor toewijzing van de vordering tot vergoeding van haar daadwerkelijke en volledige proceskosten. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen. Nu de vordering toch wordt afgewezen, zal [appellante] niet in de gelegenheid worden gesteld een memorie van antwoord in incidenteel appel te nemen.

4.15. Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen, zodat het bestreden volgens zal worden bekrachtigd.

[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het (principaal) appel.

[geïntimeerde] is in het incidenteel appel weliswaar in het ongelijk gesteld, maar [appellante] heeft niet gereageerd op dit (verborgen) appel, zodat het hof ervan uitgaat dat [appellante] ter zake dit appel geen kosten heeft gemaakt. Derhalve zal [geïntimeerde] niet worden veroordeeld in de kosten in het (incidenteel) appel.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Roermond van 22 september 2010;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het principaal hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 1.769,= aan verschotten en op € 3.262,= aan salaris advocaat;

wijst af hetgeen door [geïntimeerde] in hoger beroep meer of anders is gevorderd;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, L.R. van Harinxma thoe Slooten en E.K. Veldhuijzen van Zanten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 april 2013.