Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ3488

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-03-2013
Datum publicatie
08-03-2013
Zaaknummer
HD 200.099.961 E
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BU2968, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Materiële en immateriële schade ten gevolge van een onrechtmatig gebiedsverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.099.961/01

arrest van 5 maart 2013

in de zaak van

[X.],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

appellant,

advocaat: mr. A.P. van Knippenbergh,

tegen:

de Gemeente Eindhoven,

zetelende te Eindhoven,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H. Nieuwenhuizen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 oktober 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder nummer 229485/HA ZA 11-725 gewezen vonnis van 2 november 2011.

Het hof zal de nummering van dat arrest voortzetten.

6. Het tussenarrest van 9 oktober 2011

Bij genoemd arrest heeft het hof de gemeente in de gelegenheid gesteld een procesbesluit in het geding te brengen en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

De gemeente heeft bij akte een besluit van het college van burgemeester en wethouders overgelegd waaruit blijkt dat besloten is verweer te voeren in het hoger beroep in het geding tussen [appellant] en de gemeente.

[appellant] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling

8.1. Naar het oordeel van het hof is thans sprake van een geldig procesbesluit van de gemeente. Het hof zal overgaan tot de behandeling van de grieven.

8.2 In de memorie van antwoord heeft de gemeente opgemerkt dat zij zich omwille van een efficiënte procedure neerlegt bij het oordeel van de rechtbank dat de gemeente jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld. Nu de gemeente daarmee heeft berust in dit oordeel van de rechtbank staat dit oordeel (waartegen de grieven zich niet richten) in hoger beroep niet langer ter discussie.

8.3 De grieven I tot en met IV keren zich tegen de afwijzing door de rechtbank van een aantal posten betreffende de door [appellant] gestelde materiële schade. [appellant] voert hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat [appellant] voor wat betreft de geleden schade als gevolg van het besluit van de gemeente in dezelfde situatie gebracht had dienen te worden als waarin hij zou hebben verkeerd als het onrechtmatige gebiedsverbod achterwege zou zijn gebleven. Als de gemeente het gebiedsverbod niet zou hebben uitgevaardigd zou [appellant] zoals te doen gebruikelijk gehuisvest zijn in het kader van het Samenwerkingsmodel Nazorg volwassen (ex-) gedetineerden; in concreto zou dit betekenen dat [appellant] de beschikking zou hebben gehad over een woning en aldus geen zwervend bestaan buiten [plaatsnaam] hoefde te leiden, zodat hij de bedoelde schade niet zou hebben geleden.

8.4 Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft het door [appellant] bedoelde criterium niet miskend door te overwegen dat de schade niet het gevolg is van de het gegeven gebiedsverbod, maar van het feit dat [appellant] niet over een woning in [plaatsnaam] heeft kunnen beschikken.

Het was aan [appellant] zijn stelling dat hij materiële schade heeft geleden te bewijzen. [appellant] heeft gesteld dat hij zonder het gebiedsverbod in de periode dat dat verbod heeft gegolden op grond van het Samenwerkingsmodel nazorg volwassen (ex-)gedetineerden over een woning in [plaatsnaam] zou hebben beschikt. Daarmee baseert ook [appellant] zijn vordering mede op de feitelijke mogelijkheid over een woning in [plaatsnaam] te beschikken in de periode dat het gebiedsverbod gold. In zoverre faalt grief I.

8.5 Ook overigens faalt de grief, omdat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat het aan het gebiedsverbod kan worden toegerekend dat [appellant] in de periode dat dat gold en daarna niet over een woning in [plaatsnaam] kon beschikken.

Het beroep dat [appellant] op het Samenwerkingsmodel doet onderbouwt zijn stellingen onvoldoende. Anders dan [appellant] aanvoert, kan uit dat model immers niet worden afgeleid dat [appellant] in bedoelde periode in ieder geval over een woning in [plaatsnaam] zou hebben beschikt.

In rechtsoverweging 4.6. van het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het Samenwerkingsmodel geen rechtstreekse verplichtingen van gemeenten jegens burgers doet ontstaan. [appellant] heeft dit niet betwist, en het hof deelt het oordeel van de rechtbank. Uit dit model blijkt slechts dat op gemeenten een inspanningsverplichting rust met betrekking tot het aanbieden van een woning aan uit de gemeente afkomstige ex-gedetineerden. De gemeente is daarvan kennelijk ook uitgegaan bij de voorstellen die zij [appellant] heeft gedaan. Uit de door de gemeente aan [appellant] voorgelegde overeenkomst (productie 5 bij dagvaarding in eerste aanleg) blijkt dat de gemeente in het kader van de te sluiten overeenkomst zich zou "inspannen om de in [plaatsnaam] actieve woningbouwcorporaties ertoe aan te zetten, in weerwil van het door hen gevoerde beleid, op de kortst mogelijke termijn aan [appellant] passende woonruimte aan te bieden." Daaruit kan niet worden afgeleid dat, ook indien het verbod van de gemeente er niet zou zijn geweest, [appellant] onmiddellijk na het einde van zijn detentie door toedoen van de gemeente over een (sociale huur-)woning in [plaatsnaam] zou hebben beschikt. [appellant] heeft dat ook niet gesteld, doch slechts verwezen naar de volgens hem bestaande verplichting van de gemeente.

Het enkele feit dat – zoals [appellant] in de memorie van grieven heeft aangevoerd – een reclasseringsmedewerker hem in de penitentiaire inrichting heeft bezocht om afspraken te maken over een woning in de gemeente Eindhoven na het einde van de detentie impliceert niet dat dit overleg in ieder geval (onmiddellijk na het einde van de detentie, en dus reeds in de periode dat het verbod heeft gegolden) tot het verschaffen van een woning zou hebben geleid. Het hof merkt hierbij nog op dat uit de hiervoor aangehaalde clausule uit de door de gemeente voorgestelde overeenkomst blijkt dat de gemeente er op heeft gewezen dat de woningbouwcorporaties kennelijk een beleid hadden waarin niet zonder meer plaats was voor het toewijzen van een woning aan iemand als [appellant].

Uit eerder genoemd model blijkt bovendien dat de eerste verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij de (ex-)gedetineerde ligt, zodat van [appellant] mocht worden verlangd dat hij zich ook zelf zou inzetten voor het verkrijgen van een woning. Uit de door [appellant] de zelf overgelegde brief van de gemeente Eindhoven (productie 15 bij dagvaarding in eerste aanleg) blijkt dat de gemeente wel degelijk inspanningen heeft verricht ten behoeve van [appellant] en aan [appellant] ook voorstellen zijn gedaan ten aanzien van huisvesting (zoals nachtopvang bij NEOS). [appellant] is echter op de aangeboden mogelijkheden niet ingegaan, dan wel was niet bereid aan daaraan verbonden voorwaarden te voldoen. Dat de gestelde voorwaarden gelet op de omstandigheden van het geval onaanvaardbaar waren is het hof niet gebleken.

8.6 Uit het voorgaande volgt dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij, als de gemeente het gebiedsverbod niet had uitgevaardigd, in ieder geval direct na zijn detentie wel direct of op afzienbare termijn in [plaatsnaam] had kunnen wonen. Dat het verbod ook na de opheffing ervan tot consequentie heeft gehad dat [appellant] niet in [plaatsnaam] kon wonen is gesteld noch gebleken.

De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat [appellant] een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd bij het berekenen van zijn schade, in ieder geval voor zover het betreft de schade door het niet kunnen beschikken over een (door de gemeente te faciliteren) woning in [plaatsnaam]. Daarmee falen grief I en II.

8.7 Het voorgaande heeft tot gevolg dat ook de grieven III en IV falen. Omdat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd, en bovendien geenszins aannemelijk is geworden, dat het verbod ertoe heeft geleid dat [appellant] geen woning althans verblijf in [plaatsnaam] heeft gehad, dienen ook de gevorderde extra telefoonkosten en vermogensschade ter zake auto, postbus en citybox voor opslag van de inboedel te worden afgewezen. Niet staat immers vast dat [appellant] bij afwezigheid van het verbod wel een woning in [plaatsnaam] had verkregen, terwijl bovendien het verbod hem niet belette – indien hij het van belang achtte in de buurt van [plaatsnaam] te wonen – zich in die buurt een woning te verschaffen. Het is dus een eigen keus van [appellant] geweest te verblijven in vakantiewoningen (ver) buiten [plaatsnaam], en in ieder geval kan die situatie niet aan het gebiedsverbod worden toegerekend.

8.8 Grief V heeft betrekking op de vordering met betrekking tot de eigen bijdrage van de advocaat.

In eerste aanleg heeft [appellant] volgens productie 12 bij de dagvaarding een bedrag gevorderd van € 1.430. In hoger beroep legt [appellant] als productie A bij memorie van grieven nota's over met betrekking tot een eigen bijdrage van € 49, verschuldigd volgens declaratie van 9 december 2009 inzake "[appellant]/Gemeente Eindhoven Advies" en een eigen bijdrage van € 100 volgens declaratie van 15 oktober 2010 inzake "[appellant]/Burgemeester Eindhoven – Raad van State".

De gemeente heeft deze bedragen betwist en heeft gesteld dat er geen enkele noodzaak was een advocaat in te schakelen in verband met het conflict met de gemeente. Ter zake van de procedure bij de Raad van State geldt volgens de gemeente dat [appellant] geen enkele reden had om een advocaat in te schakelen omdat er alleen nog maar pro forma beroep was ingesteld door de gemeente om de termijn veilig te stellen. Ook is niet gebleken dat [appellant] deze nota heeft betaald.

8.9 De grief slaagt. Het hof acht het redelijk dat [appellant] juridisch advies heeft willen inwinnen over de voorstellen van de gemeente Eindhoven inzake zijn huisvesting en over het door de gemeente ingestelde hoger beroep bij de Raad van State. Dat de gemeente het beroep bij de Raad van State nog slechts pro forma had ingesteld kan daar niet aan af doen. Ook gaat het hof voorbij aan de blote ontkenning van de gemeente dat [appellant] bedoelde bedragen niet zou hebben betaald. Derhalve kan deze post tot een bedrag van € 149 worden toegewezen.

Voor zover [appellant] meer heeft gevorderd (de vordering bedroeg aanvankelijk € 1.430, en [appellant] heeft deze aanvankelijke vordering in hoger beroep niet verminderd) moet deze als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

8.10 Grief VI keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat de boetes die [appellant] heeft moeten betalen omdat hij vanwege financiële problemen zijn zorgpremie niet tijdig kon betalen, in een te ver verwijderd zouden staan met het uitgevaardigde gebiedsverbod. De gemeente heeft de grief bestreden.

8.11 De grief faalt, omdat het oordeel van de rechtbank door het hof wordt gedeeld. [appellant] heeft, nu uitgangspunt dient te zijn dat het verbod niet direct tot gevolg heeft gehad dat hij geen woning in [plaatsnaam] heeft kunnen betrekken, en diens hoge verblijfkosten daarmee niet aan de gemeente kunnen worden toegerekend, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit verbod tot bedoelde schade heeft geleid.

8.12 Grief VII en VIII hebben betrekking op de door [appellant] gevorderde immateriële schade in verband met het opgelegde gebiedsverbod. De gemeente heeft de grieven bestreden.

8.13 Het hof overweegt als volgt.

Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft [appellant] als productie B bij memorie van antwoord een verklaring overgelegd van het RIAGG Amersfoort & omstreken. Nu in de overgelegde verklaring een kennelijk belangrijke passage is zwartgemaakt, en dus niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre de wel zichtbare informatie wordt gerelativeerd of genuanceerd in het zwart gemaakte gedeelte, laat het hof dit stuk bij zijn beoordeling buiten beschouwing.

Vast staat dat het verbod [appellant] heeft belemmerd in zijn vrijheid te gaan en te staan in de gemeente Eindhoven, zodat sprake was van een aantasting in de persoon in die zin dat zijn bewegingsvrijheid werd beperkt voor zover hij zich niet in [plaatsnaam] kon bewegen, dit terwijl tussen partijen vast staat dat opvang in de gemeente Eindhoven gelet op het geldende Samenwerkingsmodel nazorg volwassenen (ex-) gedetineerden voor de hand lag. Daarmee is naar het oordeel van het hof [appellant] in zijn persoon aangetast als bedoeld in artikel 6:106 BW.

Met betrekking tot de derhalve vast te stellen schadevergoeding geldt het volgende.

Enerzijds was de belemmering ingrijpend, juist omdat [appellant] gericht was en gericht mocht zijn op verblijf in de gemeente Eindhoven.

Anderzijds blijkt uit de beslissing van de bestuursrechter dat op zich een gebiedsverbod toelaatbaar was, maar dat het uitgevaardigde verbod onrechtmatig was omdat het te lang van duur en te uitgebreid van omvang was. Een beperkter gebiedsverbod zou dus wel mogelijk zijn geweest, in welk geval geen schadevergoeding zou kunnen zijn toegekend. Voorts heeft het verbod slechts beperkte tijd gegolden, en heeft [appellant] niet betwist dat hij na opheffing van het verbod geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid [plaatsnaam] te bezoeken.

Deze factoren afwegend stelt het hof de te betalen schadevergoeding op € 1.500.

In zoverre slagen de grieven.

8.14 Grief IX keert zich tegen de compensatie van de proceskosten door de rechtbank.

8.15 De grief faalt, omdat de rechtbank terecht de kosten heeft gecompenseerd, nu partijen over en weer ten dele in het ongelijk waren gesteld. De aanpassingen in hoger beroep van het oordeel van de rechtbank zijn niet zodanig dat dit oordeel aanpassing behoeft in hoger beroep. Nog steeds geldt dat een belangrijk deel van de vorderingen van [appellant] is afgewezen, zodat ook thans nog geldt dat partijen in eerste aanleg over en weer ten dele in het ongelijk zijn gesteld.

8.16 Nu een deel van de grieven slaagt zal het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigen voor zover de rechtbank voor recht heeft verklaard dat de gemeente jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld en overigens dat vonnis vernietigen en opnieuw beslissen.

Zowel ten aanzien van de materiële schade als ten aanzien van de immateriële schade heeft [appellant] wettelijke rente gevorderd "indien niet tijdig wordt betaald", waarbij [appellant] betaling van bedoelde bedragen binnen 14 dagen na betekening van het vonnis heeft verlangd. Derhalve zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf 14 dagen na betekening van dit arrest.

8.17 Ook in hoger beroep geldt dat partijen over en weer deels in het ongelijk gesteld zijn, zodat ook het hof de kosten in hoger beroep zal compenseren.

9. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 november 2011, voor zover de rechtbank voor recht heeft verklaard dat de gemeente jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld;

vernietigt dit vonnis voor het overige;

en in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt de gemeente Eindhoven aan [appellant] te betalen de somma van € 1.649, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na betekening van dit arrest aan de gemeente;

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, Chr.M. Aarts en J.Th. Begheyn en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 maart 2013.