Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ2587

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2013
Datum publicatie
27-02-2013
Zaaknummer
20-000715-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:193, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging tot binnentreden; voldoet niet aan de gestelde eisen. Bewijsuitsluiting en vrijspraak. Bij de beslissing is rekening gehouden met het belang dat de overtreden norm behoort te beschermen, met de ernst van het verzuim en met het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000715-12

Uitspraak : 27 februari 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 24 februari 2012 in de strafzaak en de ontnemingszaak met parketnummer 02-665311-11 tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres verdachte].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Tevens is een vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, afgewezen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat het hoger beroep niet is gericht tegen de afwijzing van de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Al hetgeen hierna overigens wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en de verdachte terzake zal veroordelen tot een werkstraf van 28 uren subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis.

Van de zijde van de verdediging is vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straf bepleit gelijk aan de door de advocaat-generaal gevorderde straf.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks de periode 1 september 2010 tot en met 12 oktober 2010 te Goirle opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres pand]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 18 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vrijspraak

1.

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte vrijspraak bepleit, met als reden -kort gezegd- dat het bewijs in deze zaak onrechtmatig verkregen is. Daartoe is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat bij het betreden van de woning weliswaar een machtiging tot dat binnentreden aanwezig was, maar dat het adres, waarvoor de machtiging was afgegeven, ontbrak op die machtiging op het moment dat de hulpofficier van justitie de machtiging tekende. Daarnaast blijkt dat de machtiging door verschillende personen is ingevuld. Het is niet duidelijk door wie deze machtiging is ingevuld, in het bijzonder niet of deze machtiging is ingevuld door een hulpofficier van justitie.

Voorts is nergens uit gebleken of dit binnentreden bij afwezigheid van de bewoner dringend noodzakelijk was.

Nu niet kan worden vastgesteld dat is voldaan aan de eisen van artikel 5 en 7 van de Algemene Wet op het Binnentreden moet er van uit worden gegaan dat het binnentreden in de woning onrechtmatig was, zodat het bewijs dat hieruit is voortgekomen, als onrechtmatig verkregen, buiten beschouwing moet worden gelaten, aldus de raadsman.

Gelet daarop moet de verdachte worden vrijgesproken.

2.

De advocaat-generaal heeft - onder overlegging van een aanvullend proces-verbaal van bevindingen - geconcludeerd dat het binnentreden in de woning rechtmatig was.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

3.

Het hof stelt vast dat de machtiging tot het binnentreden in een woning (hierna ook: de machtiging) afgegeven door de (hulp)officier van justitie [naam (hulp)officier van justitie] d.d. 12 oktober 2010 (proces-verbaal, reg.nr. PL204D 2010197904-1, pag 9) slechts gedeeltelijk is ingevuld door voornoemde [naam (hulp)officier van justitie] . In een ander handschrift is ingevuld aan wie de machtiging tot binnentreden is verleend en weer in een ander handschrift voor welk adres de machtiging bedoeld is.

Uit het - ter terechtzitting door de advocaat-generaal overgelegde - proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2013 van voornoemde [naam (hulp)officier van justitie] volgt dat door hem op 12 oktober 2010 een aantal schriftelijke machtigingen tot het betreden van woningen zijn uitgeschreven. [naam (hulp)officier van justitie] kan zich dit specifieke geval, gelet op het tijdsverloop, niet meer voor de geest halen. Hij volstaat met de beschrijving van zijn standaard werkwijze in dergelijke zaken. Dat er op de machtiging diverse handschriften voorkomen, zou zijn oorzaak vinden in de praktische invulling van een hennepteam bij de wekelijkse acties waarbij op een dag een aantal panden worden doorzocht, aldus [naam (hulp)officier van justitie].

Vaststaat derhalve dat slechts deels kan worden vastgesteld door wie de machtiging is ingevuld en dat niet is vast te stellen of de andere handgeschreven vermeldingen op de machtiging afkomstig zijn van bevoegde hulpofficieren van justitie. Evenmin kan worden vastgesteld op welke datum/ welk tijdstip het binnen te treden adres en de gemachtigde verbalisant op de machtiging zijn ingevuld. De machtiging voldoet derhalve niet aan de daaraan gestelde wettelijke eisen.

Hieruit volgt dat de opsporingsambtenaren de woning van verdachte zijn binnengetreden zonder rechtsgeldige machtiging, terwijl er evenmin sprake is geweest van een binnentreden met toestemming van de verdachte. Er is derhalve sprake van een bij het voorbereidend onderzoek begaan onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

4.

Het hof zal de resultaten die door dit verzuim zijn verkregen, uitsluiten van het bewijs. Het heeft daarbij rekening gehouden met het belang dat de overtreden norm behoort te beschermen, met de ernst van het verzuim en met het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt en overweegt daartoe als volgt.

Dat woningen door opsporingsambtenaren niet mogen worden betreden anders dan met toestemming van een bewoner of met machtiging van een bevoegde autoriteit moet als een belangrijk strafvorderlijk voorschrift worden beschouwd. Het dient immers rechtstreeks ter bescherming van het grondwettelijk gewaarborgde huisrecht. Dit voorschrift strekt daarmee ook ter bescherming van de rechten van verdachte. Door zonder toestemming van verdachte en zonder rechtsgeldige machtiging zijn woning te betreden is in aanzienlijke mate inbreuk gemaakt op zowel een belangrijk strafvorderlijk voorschrift als op de door dat voorschrift gewaarborgde belangen van de verdachte. Deze inbreuk is verwijtbaar mede omdat ook voor de opsporingsambtenaren die de woning van verdachte zijn binnengetreden zichtbaar moet zijn geweest dat de wijze waarop de machtiging was ingevuld vragen opriep. De omstandigheid dat de wijze van invulling van de machtiging kennelijk was ingegeven door redenen van organisatorische aard binnen het opsporingsapparaat maakt dat niet anders. Integendeel. Kennelijk is dat ook door het opsporingsapparaat zelf onderkend, immers uit de mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting volgt dat de destijds gevolgde werkwijze door de politie nu niet meer wordt toegepast. Het hof heeft bij zijn oordeel betrokken de omstandigheid dat deze zaak die niet tot de zwaarste en meest spoedeisende categorie zaken behoort, zodat er voldoende tijd had moeten en kunnen worden genomen om de regelgeving na te leven.

Tot slot acht het hof in deze van belang dat verdachte in zijn verdediging is geschaad omdat thans niet meer is vast te stellen op grond waarvan en door wie de machtiging tot binnentreding in zijn woning is verleend.

Het door het gewraakte binnentreden in de woning van verdachte verkregen bewijsmateriaal dient derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.

De resterende bewijsmiddelen leveren naar het oordeel van het hof onvoldoende wettig bewijs op om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde met gevolg dat de verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. H. Eijsenga en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van A. van Baast, griffier,

en op 27 februari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.